Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8932

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
18/00947
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2018:3685, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Terugwijzing heffingsambtenaar i.v.m. schending hoorplicht. Verzoek dwangsom wegens niet tijdig beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer: 18/00947

uitspraakdatum: 22 oktober 2019

Uitspraak van de vijfde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 oktober 2018, nummer AWB 18/369, ECLI:NL:RBOVE:2018:3685, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Gemeentelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)

met betrekking tot het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen hierna genoemde naheffingsaanslag en de uitspraak op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van parkeren op 1 juni 2017 van het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] (hierna: het voertuig) aan de Hengelosestraat te Enschede een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd ten bedrage van € 63,80, bestaande uit € 2,80 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten ter zake van de naheffingsaanslag.

1.2.

Belanghebbende heeft op 2 juni 2017 een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend. Op 5 juni 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende het bezwaar nader gemotiveerd. Hierin verzoekt de gemachtigde om te worden gehoord. Op 30 juni 2017 motiveert belanghebbende zelf het bezwaar nader.

1.3.

Bij brief van 30 december 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld in verband met het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar.

1.4.

Belanghebbende is tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft gerepliceerd. De heffingsambtenaar heeft schriftelijk afgezien van dupliek.

1.7.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 2 juni 2017 een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend. Op 5 juni 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende het bezwaar nader gemotiveerd. Hierin verzoekt de gemachtigde onder meer om te worden gehoord. Op 30 juni 2017 heeft belanghebbende zelf het bezwaar nader gemotiveerd.

2.2.

De gemachtigde van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief met dagtekening 30 december 2017 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift en hem verzocht binnen twee weken alsnog een beslissing op bezwaar te nemen.

2.3.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 17 februari 2018 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft op 28 juli 2017, zonder belanghebbende of zijn gemachtigde te hebben gehoord, uitspraak op bezwaar gedaan. Deze is gezonden aan belanghebbende en niet aan de gemachtigde. De Rechtbank heeft de (bij het verweerschrift in eerste aanleg gevoegde) uitspraak op bezwaar van 28 juli 2017 op 16 maart 2018 gezonden aan de gemachtigde.

2.4.

Bij aan de Rechtbank gerichte brief van 17 maart 2018 heeft belanghebbende inzake de door de Rechtbank toegezonden uitspraak op bezwaar (onder meer) als volgt gereageerd:

‘In het bezwaarschrift van 5 juni 2017 is verzocht te worden gehoord. Verweerder heeft

eiser noch zijn gemachtigde in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Bij de

totstandkoming van de beslissing op het bezwaar is daarom de hoorplicht geschonden.

Verzocht wordt daarom de beslissing op bezwaar te vernietigen en de zaak voor

behandeling terug te wijzen naar verweerder.’

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Of de Rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte ongegrond heeft verklaard met betrekking tot de uitspraak op bezwaar; en

  2. Of belanghebbende recht heeft op een dwangsom.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de uitspraak op bezwaar, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep met betrekking tot de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot terugwijzing van de zaak naar de heffingsambtenaar voor een hernieuwde behandeling in bezwaar en tot vergoeding van een dwangsom.

3.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de uitspraak op bezwaar, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep met betrekking tot de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot terugwijzing van de zaak naar de heffingsambtenaar voor een hernieuwde behandeling in bezwaar en inzake de dwangsom tot afwijzing van het verzoek tot verbeurdverklaring van een dwangsom.

4 Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1

4.1.

De heffingsambtenaar heeft tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard met het Hof van oordeel te zijn dat vanwege de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase het beroep tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank gegrond moet worden verklaard, dat de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen voor een hernieuwde behandeling in bezwaar en voor het opnieuw doen van een uitspraak op bezwaar.

4.2.

Vraag 1 moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag 2

4.3.

De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen met betrekking tot de dwangsom.

4.4.

Vraag 2 moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor zover deze ziet op het oordeel van de Rechtbank dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond moet worden verklaard. De uitspraak van de Rechtbank dient in zoverre te worden vernietigd. Het oordeel van de Rechtbank dat het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk is, is juist omdat ten tijde van het indienen van het beroep reeds uitspraak op bezwaar was gedaan.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierecht te vergoeden.

5.2.

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.3.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1,5 punten (1 punt voor het beroepschrift en 0,5 punt voor de conclusie van repliek)  € 512 (waarde per punt)  0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 384.

5.4.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1,5 punten (1 punt voor het hoger beroepschrift en 0,5 punt voor de conclusie van repliek)  € 512 (waarde per punt)  0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 384.

5.5.

Voor een hogere tegemoetkoming in de proceskosten ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht op grond van bijzondere omstandigheden ziet het Hof geen aanleiding. Naar het oordeel van het Hof is van bijzondere omstandigheden geen sprake. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering (HR 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995, HR 30 augustus 1996, nr. 30.881, ECLI:NL:HR:1996:AA2060 en HR 5 januari 2018, nr. 17/00123, ECLI:NL:HR:2018:4).

5.6.

Of belanghebbende recht heeft op een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar zal na terugwijzing bij de hernieuwde behandeling van het bezwaar moeten worden beoordeeld.

6 Beslissing

Het Hof:

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar;

wijst het verzoek om verbeurdverklaring van een dwangsom af;

verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

wijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar voor een hernieuwde behandeling van het bezwaar en het opnieuw doen van uitspraak op bezwaar;

gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht bij de Rechtbank en het Hof, in totaal € 172, aan belanghebbende vergoedt, en

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 768.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop als griffier.

De beslissing is op 22 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door mr. J.M. van der Vegt, lid van voormelde Kamer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

De griffier, Het lid van voormelde Kamer,

mr. A.S. van Middelkoop mr. J.M. van der Vegt

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 oktober 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.