Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8927

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
21-000894-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:465, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrachting in een asielzoekerscentrum. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. In het gegeven dat de verdachte als vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van artikel 15, derde lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafrecht niet in aanmerking zal komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling noch in het feit dat verdachte mogelijk in aanmerking zal komen voor strafonderbreking ingevolge artikel 570b van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, ziet het hof aanleiding om een andere straf op te leggen. De vordering van de benadeelde partij, strekkende tot vergoeding van immateriële schade, wordt toegewezen tot het bedrag van € 5.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000894-19

Uitspraak d.d.: 24 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van
6 februari 2019 in de strafzaak met parketnummer 05-860658-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [1992] ,

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsman, mr. F.G.W.M. Huijbers.

Het vonnis waarvan beroep

Hoewel het hof zich verenigt met een aantal onderdelen van het vonnis waarvan beroep, zal het hof om proceseconomische redenen het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juli 2016 te Nijmegen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door nader te noemen [slachtoffer] krachtig (in haar kamer gelegen op het AZC) tegen een muur te duwen/drukken en/of (vervolgens) op een bed te duwen/drukken en/of (daarbij) één of meer kledingstuk(ken) van die [slachtoffer] uit te trekken en/of (vervolgens) op het (deels) ontklede lichaam van die [slachtoffer] te gaan liggen en/of (daarbij) krachtig de nek van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) een hand op de mond van [slachtoffer] te drukken en/of gedrukt te houden, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van één of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het duwen/drukken van één of meer vinger(s) en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdediging heeft geen vrijspraakverweer gevoerd. De gebezigde bewijsmiddelen zullen in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 11 juli 2016 te Nijmegen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door nader te noemen [slachtoffer] krachtig (in haar kamer gelegen op het AZC) tegen een muur te duwen/drukken en/of (vervolgens) op een bed te duwen/drukken en/of (daarbij) één of meer kledingstuk(ken) van die [slachtoffer] uit te trekken en/of (vervolgens) op het (deels) ontklede lichaam van die [slachtoffer] te gaan liggen en/of (daarbij) krachtig de nek van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) een hand op de mond van [slachtoffer] te drukken en/of gedrukt te houden, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van één of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het duwen/drukken van één een of meer vinger(s) en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld omdat, zo blijkt uit de appelschriftuur van 5 maart 2019, deze de door de rechtbank opgelegde straf te laag acht en omdat de rechtbank ter onderbouwing van de opgelegde straf onder meer heeft overwogen dat de verdachte, een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, niet in aanmerking zal komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, terwijl de rechtbank volgens de officier van justitie geen rekening lijkt te hebben gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte in aanmerking kan komen voor strafonderbreking als bedoeld in artikel 570b van het Wetboek van Strafvordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

De raadsman heeft het hof verzocht dezelfde straf op te leggen als de rechtbank en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het gegeven dat de verdachte niet voor een voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt wel degelijk een strafmatigend effect behoort te hebben, aangezien de verdachte anders zou worden gediscrimineerd ten opzichte van veroordeelden die wel voor een voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komen.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierin vindt het hof de redenen die aanleiding geven tot het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna te noemen duur.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een vrouw die op dat moment in hetzelfde asielzoekerscentrum verbleef als hijzelf. Daarmee heeft de verdachte op een ernstige wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van ernstig seksueel geweld een reëel risico lopen op langdurige psychische klachten en het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich hierdoor niet heeft laten weerhouden van dit misdrijf.

Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Het oriëntatiepunt voor verkrachting is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Het bewezen verklaarde is begaan tegen een kwetsbare vrouw en heeft plaatsgevonden in een kamer in het asielcentrum waar zij zich al onveilig voelde. Deze omstandigheden merkt het hof als strafverzwarend aan.

Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden passend en geboden.

In het gegeven dat de verdachte als vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van artikel 15, derde lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafrecht niet in aanmerking zal komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling noch in het feit dat verdachte mogelijk in aanmerking zal komen voor strafonderbreking ingevolge artikel 570b van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, ziet het hof aanleiding om een andere straf op te leggen.

Vordering van benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering die strekt tot schadevergoeding tot het bedrag van € 7.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. De vordering strekt tot vergoeding van de immateriële schade die de benadeelde partij stelt te hebben geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering gedeeltelijk toegewezen, en wel tot het bedrag van € 5.000,-.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep de volledige vordering gehandhaafd.

De raadsman van verdachte heeft bepleit de vordering ten hoogste toe te wijzen tot het door de rechtbank toegewezen bedrag.

Net als de rechtbank zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-. Naar het oordeel van het hof is dit een billijke vergoeding van de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het bewezen verklaarde heeft geleid tot een toename van de angstklachten waarmee de benadeelde partij voorafgaand aan het bewezen verklaarde al kampte en dat de benadeelde partij last heeft van herbelevingen van de angst die zij tijdens het bewezen verklaarde ervoer.

Wat het meer gevorderde betreft is het hof van oordeel dat een goede beoordeling hiervan nader onderzoek vergt, wat een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en zal het hof bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het hof zal bepalen dat het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden tot aan de dag der voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, die het hof tot aan de datum van deze uitspraak zal begroten op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen, als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij zal het hof bepalen dat de verplichting tot schadevergoeding bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door zestig dagen hechtenis, waarbij de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 27, 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) ter vergoeding van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 juli 2016.

Aldus gewezen door

mr. M. Schoemaker, voorzitter,

mr. R.H. Koning en mr. A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,

en op 24 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.