Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8916

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.256.549/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de procedure van het administratief beroep is geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de officier van justitie. Door de gemachtigde uit te nodigen voor een hoorzitting is voldoende gelegenheid geboden de gronden aan te vullen, in aanmerking genomen dat de gemachtigde heeft verzocht om een verbale gelegenheid daartoe. Indien de

gemachtigde zijn aanvullende gronden voorafgaand aan het horen schriftelijk had willen indienen, had hij dit ook zonder een daartoe gestelde termijn kunnen doen. De officier van justitie was niet gehouden om de gemachtigde na de hoorzitting nog een termijn te geven voor het schriftelijk aanvullen van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.256.549/01

CJIB-nummer

: 210700807

Uitspraak d.d.

: 23 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 januari 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 oktober 2019. Namens de betrokkene is niemand verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter niet is ingegaan op de aangevoerde gronden waarom sprake is van een onzorgvuldige behandeling door de officier van justitie en waarom de sanctie niet in stand kan blijven. In dat kader dienen de reeds aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2. In de procedure bij de kantonrechter heeft de gemachtigde aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De officier van justitie heeft geen termijn geboden voor het indienen van gronden, terwijl hier in het administratief beroepschrift wel om was gevraagd. De gemachtigde heeft hier tijdens de hoorzitting zelfs nog een opmerking over gemaakt en heeft toen verzocht om hem alsnog een termijn te bieden voor het opgeven van gronden, hetgeen niet is gebeurd. Verder heeft de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter verschillende gronden aangevoerd tegen de inleidende beschikking, waaronder de grond dat niet is gebleken dat de sanctie is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar, aangezien de akte van de betreffende ambtenaar ontbreekt.

3. In zijn beslissing is de kantonrechter niet, althans niet met zoveel woorden, ingegaan op de door de gemachtigde aangevoerde grond dat de beslissing van de officier van justitie is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek. Het hof zal deze grond alsnog bespreken.

4. In zijn administratief beroepschrift d.d. 21 september 2017 voert de gemachtigde gronden aan tegen de inleidende beschikking. De gemachtigde geeft aan dat dit beroep nog niet volledig is, omdat hij nog niet beschikt over het volledige procesdossier. Vervolgens schrijft hij: "Op grond van voorgaande wenst betrokkene het volledige dossier te ontvangen, om e.a., op uw verzoek, tijdig te staven en een verbale gelegenheid daartoe."

5. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie van 8 november 2017 waarin staat dat de gemachtigde tijdens een hoorzitting de gelegenheid krijgt om de gronden van beroep aan te vullen en dat hij via het bijgevoegde antwoordformulier dient aan te geven of hij op 7 december 2017 in persoon wil worden gehoord of de voorkeur geeft aan een telefonische hoorzitting op
5 december 2017 dan wel 7 december 2017. Als bijlage bij de brief is het zaakoverzicht gevoegd, alsmede het genoemde antwoordformulier.

6. Verder bevindt zich in het dossier een hoorverslag d.d. 5 december 2017. Uit dit verslag blijkt dat de gemachtigde tijdens een telefonische hoorzitting enkele aanvullende gronden heeft aangevoerd. Verder heeft hij aangegeven dat hij zijn gronden schriftelijk wil kunnen indienen.

7. Bij beslissing van 21 december 2017 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard. De motivering van die beslissing is op 13 december 2017 naar de gemachtigde gezonden. De officier van justitie heeft het verzoek van de gemachtigde om hem een nieuwe termijn te geven voor het aanvullen van gronden afgewezen.

8. Uit het voorgaande blijkt dat de officier van justitie de gemachtigde op diens verzoek het procesdossier (bestaande uit het zaakoverzicht) heeft toegezonden. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie door de gemachtigde uit te nodigen voor een hoorzitting voldoende gelegenheid heeft geboden om de gronden aan te vullen, in aanmerking genomen dat de gemachtigde in zijn beroepschrift heeft verzocht om een verbale gelegenheid daartoe. Indien de gemachtigde zijn aanvullende gronden voorafgaand aan het horen schriftelijk had willen indienen, had hij dit ook zonder een daartoe gestelde termijn kunnen doen. De officier van justitie was niet gehouden om de gemachtigde na de hoorzitting nog een termijn te geven voor het schriftelijk aanvullen van gronden. Aldus is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel geen sprake. Het verweer van de gemachtigde wordt verworpen.

9. Met betrekking tot de door de gemachtigde aangevoerde gronden tegen de inleidende beschikking is het hof van oordeel dat de kantonrechter voldoende heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het enkele feit dat de kantonrechter niet uitgebreid en expliciet is ingegaan op alle specifieke argumenten, maakt dit niet anders.

10. De opmerking dat de in dat kader reeds aangevoerde gronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, kan niet als beroepsgrond worden aangemerkt. De gemachtigde, een professioneel rechtsbijstandverlener, heeft namelijk slechts volstaan met deze opmerking en heeft niet aangegeven dat en waarom de kantonrechter deze gronden niet juist heeft beoordeeld.

11. Ten behoeve van de gemachtigde merkt het hof nog wel op dat de gemachtigde van de advocaat-generaal ter zitting heeft meegedeeld dat op de openbaar toegankelijke website van de RDW de aktes van be√ędiging van de bijzondere opsporingsambtenaren bij de RDW zijn te raadplegen.

12. Gelet op het voorgaande zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd, zij het - vanwege het onder 3. geconstateerde motiveringsgebrek - met verbetering van gronden.

13. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.