Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8833

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
200.239.991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kwalificatie en duur pachtovereenkomst.

Van de tussen de vader van pachter en verpachters bestaande pachtverhouding is het de vraag of die pachtverhouding ieder jaar opnieuw tot stand kwam en na het overlijden van de vader is beëindigd. Het hof oordeelt dat de pachtverhouding voor de percelen A en B moet worden aangemerkt als een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van zes jaar. Die pachtovereenkomst is niet beëindigd in mei 2016 en loopt dus nog door. Voor perceel C zijn partijen in 2015/2016 een pachtovereenkomst aangegaan. Het hof merkt die aan als een wijziging van de oorspronkelijke pachtovereenkomst. De pachtverhouding voor dat perceel loopt dus ook nog door. Omdat verpachters dat perceel zelf in gebruik hebben genomen vanaf 1 januari 2017, heeft de pachter recht op schadevergoeding. Er is verder geen aanleiding de pachtovereenkomst te ontbinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2019/492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.239.991

(zaaknummer rechtbank Gelderland 6234504)

arrest van de pachtkamer van 22 oktober 2019

in de zaak van

1 [pachter 1]
2. [pachter 2]
beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten in het principaal hoger beroep, verweerders in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [pachter] of de pachter,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

1 [verpachter 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verpachter 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [verpachter 3] ,

wonende te [woonplaats] ,
4. [verpachter 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [verpachter 5],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep en appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna: [verpachters] of verpachters en geïntimeerden 1 tot en met 4 ook de erven,

advocaat: mr. B. Nijman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 maart 2019 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 11 september 2019.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[pachter] vordert in het principaal hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 11 april 2018 onder 5.1, 5.5 en 5.6 te vernietigen en
1. de reguliere pachtovereenkomst tussen pachter en verpachters vast te leggen voor de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [A] en [B] ter grootte van 6.40.00 ha met als ingangsdatum 1 januari 2007 en een pachtprijs van € 3.250, vermeerderd met de bedrijfstoeslag die pachter met het benutten van de 6,4 toeslagrechten tot en met 2014 heeft ontvangen;
2. de pachtwijzigingsovereenkomst tussen pachter en verpachters vast te leggen waarbij aan het gepachte is toegevoegd het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [C] ter grootte van 1.94.05 ha tegen een pachtprijs voor het geheel van € 4.125;
3. verpachters te veroordelen om perceel [C] te ontruimen en ontruimd te houden en vrije en onbelemmerde toegang te verlenen tot dit perceel op straffe van verbeurte van een dwangsom;
4. verpachters te veroordelen om vrije en onbelemmerde toegang te verlenen tot de percelen [A] en [B] op straffe van verbeurte van een dwangsom;
5. verpachters te veroordelen tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, ten gevolge van onrechtmatige ingebruikneming van perceel [C] over de periode vanaf 1 januari 2017 tot de datum van feitelijke terbeschikkingstelling;
6. de vorderingen in reconventie af te wijzen;
met veroordeling van de verpachters in de kosten in eerste aanleg in reconventie en in hoger beroep.

1.4

[verpachters] vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 11 april 2018 in conventie te vernietigen en in reconventie:
1. voor recht te verklaren dat de pachtovereenkomst tussen verpachters en pachter ten aanzien van de percelen [A] en [B] op 31 december 2016 is geëindigd althans de pachtbeëindigingsovereenkomst vast te leggen, althans voor recht te verklaren dat pachter zijn recht heeft verwerkt zich op het bestaan van de pachtovereenkomst te beroepen of dat hij zich daar naar redelijkheid en billijkheid niet op kan beroepen;
2. voor zover tussen partijen nog een pachtovereenkomst geldt, deze te ontbinden
met veroordeling van de pachter in de proceskosten van beide instanties.
[verpachters] vordert daarnaast in het incident een voorlopige plaatsopneming.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

2.1

[verpachter 4] , de vader van de erven, had een zoogkoeien- en vleesveebedrijf. De pachter exploiteert met zijn vrouw en kinderen een melkveebedrijf. Door bemiddeling van de gezamenlijke voervoorlichter van de vader van de erven en van de pachter heeft de vader van de erven in 2007 de percelen [A] en [B] ter grootte van 6,4 ha in gebruik gegeven aan de pachter tegen betaling van € 3.250. Daarnaast droeg de pachter het bedrag aan bedrijfstoeslag af dat hij met het benutten van de toeslagrechten van de vader van de erven op de percelen tot en met 2014 kon ontvangen.

2.2

De vader van de erven leed aan ALS. Tegen het einde van zijn leven kon hij het tot dan toe door hem bewerkte perceel [C] niet meer zelf bewerken. De pachter heeft dat perceel in 2015/2016 aangeboden gekregen. Het perceel is in april 2016 gekilverd in opdracht van de pachter. De pachter heeft op de drie percelen steeds mais verbouwd.

2.3

De vader van de erven is in april 2016 overleden. Vader was op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [verpachter 5] , geïntimeerde onder 5. Geïntimeerden onder 1 tot en met 4 zijn hun kinderen. Vader heeft de kinderen tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel. De in het geding zijnde percelen waren gemeenschappelijk eigendom van vader en moeder. De erven zijn gerechtigd tot de onverdeelde helft van deze gemeenschappelijke eigendom. Moeder is gerechtigd tot de andere helft.

2.4

In mei 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de erven en de pachter.

2.5

In oktober 2016 heeft de pachter een vanggewas (rogge) gezaaid. Hij heeft in april 2017 geconstateerd dat een derde op de percelen aan het werk was en heeft een brief aan de erven gestuurd om de grond weer aan hem in gebruik te geven. Daarop heeft in juni 2017 overleg plaatsgevonden tussen de pachter en de erven wat tot niets heeft geleid.

2.6

De voervoorlichter is betrokken geweest bij de gecombineerde opgave voor 2017 van de verpachters en de pachter. De percelen zijn opgegeven in de gecombineerde opgave van verpachters.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De pachter heeft in eerste aanleg in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtsverhouding tussen partijen kwalificeert als pacht en de veroordeling gevorderd van de verpachters om de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente] [A] , [B] en [C] te ontruimen en aan hen in gebruik terug te geven en aan hen een schadevergoeding te betalen van € 20.000. Verpachters hebben in voorwaardelijke reconventie, voor het geval sprake is van pacht, een verklaring voor recht gevorderd dat sprake is van een geliberaliseerde pachtovereenkomst voor de duur van één jaar met subsidiaire vorderingen.

3.2

De pachtkamer heeft bij vonnis van 11 april 2018 in conventie voor recht verklaard dat de rechtsverhouding ten aanzien van de percelen [A] en [B] kwalificeert als pacht met veroordeling van de verpachters om die percelen te ontruimen en in gebruik terug te geven aan de pachter. De verpachters zijn veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 3.662 en in de proceskosten. In reconventie heeft de pachtkamer voor recht verklaard dat ten aanzien van de percelen [A] en [B] thans sprake is van een pachtovereenkomst voor korte duur als bedoeld in artikel 7:325 lid 3 BW waarbij de duur met ingang van de datum van het vonnis één jaar bedraagt. De proceskosten in reconventie zijn gecompenseerd. Met betrekking tot perceel [C] heeft de pachtkamer geoordeeld dat, voor zover er sprake is geweest van een pachtovereenkomst, dit een pachtovereenkomst is geweest die naar zijn aard van korte duur was en met ingang van 2017 is geëindigd.

4 De beoordeling van het hoger beroep

Samenvatting en beslissing

4.1

In hoger beroep is niet langer in geschil dat de vader van de erven met de pachter een pachtverhouding is aangegaan. Wel is het de vraag of die pachtverhouding ieder jaar opnieuw tot stand kwam en na het overlijden van de vader is beëindigd. Het hof oordeelt dat de pachtverhouding voor de percelen [A] en [B] moet worden aangemerkt als een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van zes jaar. Die pachtovereenkomst is niet beëindigd in mei 2016 en loopt dus nog door. Voor perceel [C] zijn partijen in 2015/2016 een pachtovereenkomst aangegaan. Het hof merkt die aan als een wijziging van de oorspronkelijke pachtovereenkomst. De pachtverhouding voor dat perceel loopt dus ook nog door. Omdat verpachters dat perceel zelf in gebruik hebben genomen vanaf 1 januari 2017, heeft de pachter recht op schadevergoeding tot een bedrag van € 3.330. Er is verder geen aanleiding de pachtovereenkomst te ontbinden. Het hof legt hierna uit hoe het tot zijn oordeel is gekomen.

Percelen [A] en [B]

4.2

In 2007 heeft de vader van de erven op advies van zijn voervoorlichter 6,4 ha van de ongeveer 8,4 ha bouwland die hij tot dan toe zelf bewerkte, in gebruik verstrekt aan de pachter. In verband met registratie-eisen heeft de voervoorlichter geadviseerd een grondgebruikersverklaring op te stellen. Dat is nooit gebeurd. Wel heeft de vader van verpachters op het bankafschrift van dat jaar opgeschreven “1 jaar contract”. Daarna is de pachter de grond blijven gebruiken en heeft hij jaarlijks de pachtsom van € 3.250 betaald (ongeveer € 500 per hectare) en de door hem ontvangen toeslagrechten met betrekking tot deze percelen aan de verpachter afgedragen. In hoger beroep zijn partijen het er over eens dat de vader van de erven met de pachter een pachtverhouding is aangegaan. Tussen partijen is nog slechts in geschil of het ging om een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van zes jaar of telkens een pachtovereenkomst voor de duur van een jaar.

4.3

In eerste aanleg en in hoger beroep hebben de pachter, de voervoorlichter en de verpachters (getuigen)verklaringen afgelegd die in de processen-verbaal van de zittingen zijn opgenomen. In die verklaringen vindt het hof onvoldoende grond om te kunnen oordelen dat de vader van de erven elk jaar opnieuw de grond beschikbaar stelde aan de pachter en daarmee elk jaar een eenjarig contract afsloot. Integendeel, de voervoorlichter heeft als getuige verklaard dat de vader van de erven in 2007 6,4 ha grond aan de pachter in gebruik heeft gegeven tegen een vaste vergoeding. Er is nooit iets van op papier gekomen. “De afspraak was, grond goed behandelen, dan loopt het wel door.” De aantekening op het bankafschrift van vader in 2007 is daartegenover niet voldoende.

4.4

De verpachters hebben bewijs door [verpachter 4] en de voervoorlichter aangeboden. Het hof passeert dit bewijsaanbod. De voervoorlichter heeft in eerste aanleg en in hoger beroep al (getuigen)verklaringen afgelegd. Dan mag van de verpachters verwacht worden dat zij duidelijk maken dat en waarom de voervoorlichter als getuige meer of anders zou verklaren dan hij al heeft gedaan. Die duidelijkheid hebben ze ook niet gegeven. De (ten bewijze aangeboden) verklaring van de broer is verder onvoldoende om het bewijs te leveren, omdat op grond van artikel 164 lid 2 Rv met betrekking tot zijn verklaring de beperking geldt dat de verklaring slechts aan het bewijs kan bijdragen als er aanvullende bewijzen zijn, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688). Die aanvullende bewijzen zijn er niet. Daarbij komt dat van de pachtverhouding niets op schrift is gesteld en dus niets is ingezonden aan de grondkamer. Dit brengt mee dat de pachtverhouding tussen de vader van de erven en de pachter die in 2007 is begonnen, moet worden aangemerkt als een reguliere pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd en die door het hof zal worden vastgelegd voor de wettelijke duur van zes jaar. De overeenkomst is telkens van rechtswege met zes jaren verlengd.

4.5

Verpachters stellen dat zij tijdens de bespreking in mei 2016 hebben verteld dat de pachtovereenkomst eind 2016 zou aflopen en dat de pachter daarmee akkoord was. De pachter heeft dat gemotiveerd betwist. De verpachters hebben bewijs aangeboden van de stelling dat de pachtovereenkomst minnelijk is beëindigd. Het bewijsaanbod is beperkt tot broer en zus [verpachter 4] en [verpachter 3] waarvoor de beperking van artikel 164 lid 2 Rv geldt (zie hiervoor). De voorgestelde getuigen hebben bovendien als verpachters in de procedure stellingen ingenomen en broer en zus hebben op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep al verklaringen afgelegd. Dan mag van de verpachters verwacht worden dat zij duidelijk maken dat en waarom de broer en zus als getuigen meer of anders zouden verklaren dan ze al hebben gedaan. Die duidelijkheid hebben ze ook niet gegeven. Tot slot staan tegenover hun verklaringen de verklaringen van de pachter (en de voervoorlichter). De omstandigheden dat de voervoorlichter in 2017 de percelen in de gecombineerde opgave heeft opgegeven bij verpachters en niet meer bij pachter en dat de pachter (daarom) voor 2017 geen pachtsom heeft betaald, is in elk geval te weinig om te dienen als (sterk) aanvullend bewijs. Daar komt bij dat de pachter al bij brief van 19 april 2017 aanspraak heeft gemaakt op zijn pachtrechten.

4.6

Er kan dus niet van worden uitgegaan dat de pachtovereenkomst is beëindigd. Verpachters hebben ook nog gesteld dat de pachter zijn recht heeft verwerkt of naar redelijkheid en billijkheid geen beroep kan doen op (vastlegging van) de pachtovereenkomst. Die stelling verwerpt het hof. Er is nogal wat voor nodig om het recht van de pachter op pachtbescherming opzij te zetten. Slechts onder zeer zwaarwegende feiten en omstandigheden kan het recht van de pachter op pachtbescherming opzij worden gezet. De feiten en omstandigheden die verpachters hebben aangevoerd en die erop neerkomen dat zij de percelen willen gebruiken voor het door hen op de boerderij van vader opgezette opfokbedrijf voor jongvee, zijn onvoldoende om dat in dit geval te doen.

4.7

Tot slot hebben de verpachters gesteld dat de pachter tekortschiet in het onderhoud van de percelen en hebben zij ontbinding gevorderd. Zij stellen dat de pachter de sloten heeft dichtgeploegd of niet onderhouden. Deze stelling hebben de verpachters in hoger beroep ingenomen en pas op de zitting toegelicht. Het hof begrijpt uit wat is besproken op de zitting dat de vader van de erven en/of het waterschap het slootonderhoud heeft verricht tot 2016. De pachter is nooit gevraagd om slootonderhoud te doen en dat was dus ook niet nodig. De verpachters hebben na 2016 de pachter niet gevraagd de sloten te gaan onderhouden. Hoewel de pachter normaal gesproken zijn helft van de sloten moet onderhouden, kan bij deze stand van zaken geen tekortkoming worden aangenomen, althans niet een tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt. De verpachters stellen ook dat de pachter één sloot heeft dichtgeploegd. De pachter heeft aangevoerd dat hij op die plek nooit een sloot heeft gezien. De verpachters hebben ter zitting hun stelling vervolgens onvoldoende concreet onderbouwd zodat het hof eraan voorbijgaat.

4.8

De toegewezen schadevergoeding wegens het niet kunnen gebruiken van de percelen [A] en [B] bestrijden de verpachters tevergeefs. Hun standpunt dat de pachter na 2016 geen aanspraak meer had op gebruik van de gronden, heeft het hof hiervoor verworpen.

Perceel [C]

4.9

Uit de verklaringen van partijen maakt het hof het volgende op. Dit perceel van 1.94.05 ha is, al dan niet via de voervoorlichter, aan de pachter aangeboden en door hem in gebruik genomen. Het perceel is lastig te bewerken. Het ligt laag, is vaak nat en heeft hoogteverschillen. Dat was de reden dat de vader van de erven het gebruik nooit aan een derde had afgestaan, aldus de verpachters. De pachter heeft de staat van het perceel beaamd. Hij heeft volgens zijn zeggen regelmatig de vader van de erven moeten helpen bij de bewerking van het perceel omdat hij over zwaardere machines beschikte. Nadat de pachter het perceel in gebruik had genomen, heeft hij de loonwerker het perceel laten kilveren om het beter bewerkbaar te maken. De loonwerker is dezelfde loonwerker die daarvoor ook de percelen voor de vader van de erven bewerkte. Als pachtsom voor 2016 heeft de pachter een bedrag van € 4.215 betaald. Hij heeft met € 500 per hectare gerekend en dat heeft hij tegelijk met de pachtsom voor de percelen [A] en [B] overgemaakt, aldus de pachter.

4.10

Partijen twisten over de vraag of zij rechtstreeks contact hebben gehad over dit perceel of alleen via de voervoorlichter. In dat verband twisten zij over de aard van de pachtrelatie, welke pachtvorm is afgesproken. Dat moet worden beoordeeld op basis van de Haviltexmaatstaf. Wat is afgesproken, hangt af van wat partijen aan elkaar hebben gezegd en hoe zij zich hebben gedragen en wat zij daaruit redelijkerwijs mochten afleiden. In elk geval valt uit de verklaringen van partijen niet op te maken dat zij het oog hadden op een geliberaliseerde pachtovereenkomst. Daarvoor zijn geen aanknopingspunten gesteld en ook niet gebleken. De pachter heeft aangenomen dat het perceel erbij kwam en dat dus sprake was van een pachtwijzigingsovereenkomst waarbij de omvang van het gepachte is vergroot. Hij heeft daarnaar gehandeld. Hij heeft het perceel laten kilveren en dus geïnvesteerd. Hij heeft één bedrag overgemaakt voor de drie percelen. De erven hebben tegen die betaling geen bezwaar gemaakt. Hiertegenover stellen de verpachters dat het de bedoeling was om dit perceel voor één jaar aan te bieden, omdat de verwachting was dat vader niet lang meer zou leven. Dat die bedoeling bij de pachter bekend was, hebben de verpachters niet voldoende toegelicht. In hun visie is er geen rechtstreeks contact geweest tussen hen en de pachter. De voervoorlichter heeft verklaard dat hij geen rol heeft gespeeld bij de aanbieding van dit perceel. Daarom kan niet worden aangenomen dat die bedoeling bekend is geworden bij de pachter. (Andere) redenen waarom de pachter niet redelijkerwijs mocht uitgaan van een pachtwijziging hebben de verpachters verder niet gesteld.

4.11

Het hof gaat er dan ook vanuit dat sprake is van een pachtwijzigingsovereenkomst en zal die vastleggen. In zijn vordering tot vastlegging heeft de pachter een tegenprestatie van
€ 4.125 opgenomen. Het hof gaat ervan uit dat dat een verschrijving is en dat het bedrag voor het geheel € 4.215 is (vergelijk ook de bankbetaling 2016, productie 8 bij dagvaarding in eerste aanleg).

4.12

De verpachters stellen dat die overeenkomst moet worden ontbonden omdat de pachter zonder toestemming de grond heeft gekilverd waardoor de teeltlaag is afgeschoven naar lager gelegen delen op het perceel. Ter zitting hebben de verpachters foto’s laten zien. Volgens hen is op de foto van het onbewerkte perceel gele grond die zich onder de teeltlaag bevond zichtbaar. Recente foto’s van het gewas (mais) laten volgens de verpachters zien dat er grote stukken zijn waarop de mais slecht groeit.

4.13

Naar het oordeel van het hof is kilveren een normale grondbewerking waarvoor geen toestemming van de verpachters is vereist. De pachter voert overigens aan dat hij de werkzaamheden wel had aangekondigd en verpachters op de hoogte heeft gesteld van het kilveren. Vast staat verder dat het perceel moeilijk bewerkbaar was en hoogteverschillen kende. Dat door het kilveren permanente schade is toegebracht aan (de teeltlaag van) het perceel is onvoldoende onderbouwd, alleen al omdat de uitgangspositie niet vast staat. De verpachters hebben namelijk de toestand van het perceel voorafgaand aan het kilveren niet concreet toegelicht. Daarom kan de situatie voor en na het kilveren niet vergeleken worden. Hetzelfde geldt voor de stand van de mais in nazomer 2019. Ook hier speelt de vraag of die maisoogst beduidend slechter is dan vader voor 2016 behaalde (met inachtneming van de droogte in 2018 en 2019). Volgens de pachter is er geen wezenlijk verschil en is op de foto’s ook geen slechte stand van de maïs te zien. De voorwaardelijk gevorderde ontbinding zal het hof daarom afwijzen. Bij deze stand van zaken is er ook geen aanleiding om ter plaatse te gaan kijken. De vordering in het incident zal het hof ook afwijzen.

4.14

De verpachters hebben perceel [C] vanaf 1 januari 2017 in gebruik genomen, terwijl dat aan de pachter was verpacht. De pachter heeft schadevergoeding gevorderd, nader op te maken bij staat, voor het verlies dat hij heeft geleden omdat hij niet over het perceel kon beschikken. Ter zitting heeft de pachter ingestemd met een berekening van zijn schade volgens de schadeberekening van de pachtkamer in eerste aanleg. Die schadeberekening hebben de verpachters op zich niet bestreden. Dan komt het erop neer dat de pachter bij een schade van € 3.662 voor 6,4 ha voor één jaar (2017), een schade heeft geleden van
€ 1.110 voor 1,94 ha per jaar. De pachter zal in 2020 het perceel voor de maisteelt weer kunnen gebruiken. Dat betekent dat hij drie jaar schade heeft geleden, dus in totaal € 3.330. Dat bedrag zal het hof toewijzen.

Slotsom

4.15

Het principaal hoger beroep slaagt en het incidenteel hoger beroep faalt. Het hof zal de gewijzigde vorderingen van de pachter in conventie toewijzen. Het hof zal de vordering tot ontruiming en weer verstrekking in gebruik van perceel [C] toewijzen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere week dat de verpachter in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000. Bij de vordering toegang te verschaffen tot de percelen [A] en [B] heeft de pachter geen belang meer omdat hij weer de beschikking krijgt over perceel [C] en de toegang tot de aangrenzende percelen daarmee geen probleem meer oplevert. Die vordering zal het hof afwijzen. De vorderingen in hoger beroep van de verpachters zal het hof afwijzen.

4.16

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof de verpachters in de kosten van de reconventie in eerste aanleg en het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in reconventie aan de zijde van de pachter zullen worden vastgesteld op € 200 aan salaris gemachtigde. De kosten voor de procedure in het principaal en incidenteel hoger beroep zullen worden vastgesteld op € 537,55 aan explootkosten, € 726 aan griffierecht en op € 3.222 aan salaris advocaat (3 punten x tarief II).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

vernietigt het vonnis van de pachtkamer te Zutphen (rechtbank Gelderland) van 11 april 2018 voor zover onder 5.1, 5.5 en 5.6 gewezen en doet in zoverre opnieuw recht:

in conventie

legt vast de reguliere pachtovereenkomst tussen pachter en de vader van de erven en na het overlijden van de vader van de erven de verpachters als verpachter
- voor de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [A] en [B] ter grootte van circa 6.40.00 ha

- met als ingangsdatum 1 januari 2007

- tegen een pachtprijs van € 3.250, vermeerderd met de bedrijfstoeslag die pachter met het benutten van de 6,4 toeslagrechten tot en met 2014 heeft ontvangen

- te voldoen uiterlijk 1 mei van elk jaar
- voor de wettelijke duur van zes jaren;


legt vast de pachtwijzigingsovereenkomst tussen pachter en (de vader van) verpachters met ingang van pachtjaar 2016 waarbij aan het gepachte is toegevoegd het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [C] ter grootte van 1.94.05 ha tegen een pachtprijs voor het geheel van € 4.215;


veroordeelt verpachters om perceel [C] uiterlijk 1 januari 2020 te ontruimen en ontruimd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere week dat de verpachters in gebreke blijven, met een maximum van € 10.000;

veroordeelt verpachters tot vergoeding van schade ten gevolge van onrechtmatige ingebruikneming van perceel [C] over de periode vanaf 1 januari 2017 tot uiterlijk 1 maart 2020 tot een bedrag van € 3.330;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie
wijst de vorderingen af;

veroordeelt de verpachter in de kosten van de pachter, tot aan het bestreden vonnis vastgesteld op € 200;

en bekrachtigt het vonnis van 11 april 2018 voor het overige;

in het incidenteel hoger beroep

wijst de gewijzigde (voorwaardelijke) vordering af;

wijst de vordering in het incident af;

in beide hoger beroepen

veroordeelt de verpachters in de kosten van de pachter, tot aan dit arrest vastgesteld op
€ 537,55 aan explootkosten, € 726 aan griffierecht en op €3.222 aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden mr.ing. E. Oostra en ing. C.R.M. van Wijk-Francissen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.