Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8828

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
200.225.647
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelgrens. Bevrijdende verjaring van vordering tot revalidatie? Misbruik van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.225.647

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 425289)

arrest van 22 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. C.B. van Die,

tegen:

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2],

beiden wonende te [A] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [geïntimeerde1] , [geïntimeerde2] en gezamenlijk [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. M.J. Goedhart.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 november 2017 hier over. In het dictum van dit arrest is een descente en comparitie van partijen ter plaatste gelast. De descente en comparitie hebben plaatsgevonden op 5 maart 2018. Van de descente en comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Aan het proces-verbaal zijn door de griffier gemaakte foto’s gehecht.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- memorie van grieven tevens wijziging van eis, met producties;

- incidentele memorie tot niet-ontvankelijkheid door [geïntimeerden] c.s.;

- verval van recht voor het nemen van een antwoordconclusie in het incident door [appellant] ;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte zijdens [appellant] ;

- akte zijdens [geïntimeerden] c.s.

1.3

Partijen hebben de stukken voor de wijzen van arrest overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

1.4

[geïntimeerden] c.s. hebben in het incident geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn hoger beroep.

1.5

[appellant] heeft in de hoofdzaak geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 december 2016 en 31 mei 2017 en toewijzing van twee van zijn in hoger beroep gewijzigde vorderingen (zie rechtsoverweging 4.1), onder veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten.

[geïntimeerden] c.s. hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in zijn hoger beroep, bekrachtiging van de bestreden vonnissen, onder veroordeling van [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals opgenomen in de rechtsoverwegingen 2.1-2.7 van het vonnis van 31 mei 2017. Grief 1 is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat tegen de rij knotwilgen een gaashek en planken zijn geplaatst, zonder daarbij te vermelden dat het [appellant] is geweest die dit heeft gedaan. Het hof zal de feitenvaststelling hierna met dit (onbetwiste) gegeven uitbreiden (zie rechtsoverweging 2.7). Duidelijkheidshalve wordt de feitenvaststelling - die voor het overige onbetwist is - hierna herhaald.

2.2.

[geïntimeerden] c.s. is sinds 5 oktober 1999 eigenaar van het perceel gelegen aan de [a-straat] 250 te [A] , kadastraal bekend [A] 435. Op dit perceel liggen de woning en de tuin van [geïntimeerden] c.s.

2.3

[appellant] is sinds 18 april 2003 eigenaar van het perceel grond kadastraal bekend [A] G17. [appellant] heeft dit perceel verkregen uit de erfenis van zijn moeder, die het op haar beurt had verkregen uit de erfenis van haar echtgenoot, de vader van [appellant] .

2.4

De twee voornoemde percelen grenzen aan elkaar, waarbij het perceel van [geïntimeerden] c.s. aan de westzijde is gelegen en het perceel van [appellant] aan de oostzijde. Beide percelen grenzen aan de noordzijde aan water. Aan de zuidzijde grenzen de percelen aan de openbare weg.

2.5

Het perceel van [appellant] is een strook grond, die werd gebruikt als oversteekplaats voor vee - middels een boot - naar een perceel aan de overzijde van het water. Dit gebruik van het perceel is op enig moment gestaakt, toen het perceel grond aan de overzijde niet langer in eigendom van [appellant] was.

2.6

Op de twee percelen staat sinds ongeveer 1965 een rij knotwilgen. Deze rij knotwilgen begint aan de noordzijde op het perceel van [appellant] en loopt schuin over de kadastrale erfgrens, waardoor de rij knotwilgen aan de zuidzijde deels op het perceel van [geïntimeerden] c.s. staat. De door de wilgenrij gevormde feitelijke grens is derhalve niet in overeenstemming met de kadastrale grens tussen de percelen.

2.7

Tegen de rij knotwilgen is door [appellant] een gaashek geplaatst van ongeveer een meter hoogte. In de tijd dat er vee over het perceel van [appellant] werd geleid waren naast het gaashek eveneens planken aanwezig, die [appellant] tegen de wilgen had gespijkerd om het vee tegen te houden.

2.8

[geïntimeerden] c.s. heeft omstreeks april 2015 ter vervanging van een houthok een schuurtje geplaatst. Dit schuurtje staat aan de noordzijde deels (zo’n 15-20 cm) over de kadastrale grens, op het perceel van [appellant] .

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat - na eiswijziging gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat het noordelijke deel van de grens tussen de percelen van partijen gevormd wordt door de kadastrale grens, althans zodanig voor recht te verklaren als de rechtbank dienstig voorkomt;

2. te gelasten dat [geïntimeerden] c.s. het onder 1 bedoelde (noordelijke) deel van de grens in overeenstemming dient te brengen en te houden met de kadastrale grens en de thans aanwezige feitelijke grensafscheiding te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom en bepaling dat [appellant] bij gebreke hiervan zelf voor deze ontruiming kan zorgdragen, op kosten van [geïntimeerden] c.s.;

3. voor recht te verklaren dat het zuidelijke deel van de grens tussen de percelen van partijen wordt gevormd door de feitelijke erfgrens te weten een denkbeeldige lijn vlak langs de oostzijde van de zich daar bevindende tien stuks knotwilgen, welke lijn daarna richting noordzijde de kadasterlijn raakt;

4. te bepalen dat [geïntimeerden] c.s. dient mee te werken aan het op gezamenlijke kosten oprichten van een schutting/scheidsmuur op de erfgrens van de percelen, op straffe van een dwangsom;

5. te bepalen dat, indien voor de uitvoering van het vonnis een notaris en het kadaster moeten worden ingeschakeld, de kosten daarvan door [geïntimeerden] c.s. voldaan dienen te worden;

6. [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van de grensreconstructie van € 495,00 en de kosten van de taxatie van € 151,25, te vermeerderen met de wettelijke rente;

7. [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 925,00 (voor het aldus uitleggen van het de inleidende dagvaarding, zie rechtsoverweging 4.2);

8. [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief wettelijke rente en nakosten.

3.2

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis voor recht verklaard dat het zuidelijke deel van de grens tussen de percelen van partijen wordt gevormd door de feitelijke erfenis, te weten een denkbeeldige lijn vlak langs de oostzijde van de zich daar bevindende tien knotwilgen, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Eiswijziging

4.1

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis in die zin gewijzigd, dat de vorderingen onder 1 en 3 (zie rechtsoverweging 3.1) worden geherformuleerd en als volgt luiden:

1. voor recht te verklaren dat het tussen partijen ter discussie staande noordelijk deel van het kadastrale perceel gemeente [A] , sectie G nummer 17, in eigendom toebehoort aan [appellant] , althans om te verklaren dat de kadastergrens ook de juridische grens markeert, althans voor recht te verklaren wat het hof dienstig acht;

3. primair: voor recht te verklaren dat het zuidelijke deel van de grens tussen de percelen van partijen wordt gevormd door een denkbeeldige lijn vlak langs de westzijde van de zich daar bevindende knotwilgen, welke lijn daarna richting het noorden de kadastrale grens raakt; en

Subsidiair: voor recht te verklaren dat de kadastergrens hier de juridische grens markeert, althans voor recht te verklaren wat het hof dienstig acht.

[geïntimeerden] c.s. voeren het verweer dat de eiswijziging wat betreft vordering 1 onduidelijk is, waardoor deze reeds hierom niet mag worden toegelaten. Het hof verwerpt dit betoog. Anders dan [geïntimeerden] c.s. betogen is voldoende duidelijk dat vordering 1 (ook) na de herformulering ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat [appellant] eigenaar is van het noordelijke gedeelte van de taartpunt. Het hof staat de eiswijziging wat betreft vordering 1 toe.

[geïntimeerden] c.s. voeren aan dat de eiswijziging wat betreft vordering 3 moet worden verworpen omdat deze niet is toegelicht. Het hof honoreert dit verweer. Met de eiswijziging beoogt [appellant] een wijziging van het dictum, zodat dit een grief betreft. Een grief moet behoorlijk zijn gemotiveerd. De eiswijziging houdt in dat het zuidelijke deel van de grens tussen de percelen zoals dat in eerste aanleg is omschreven als “de denkbeeldige lijn vlak langs de oostzijde van de zich daar bevindende tien knotwilgen” ná de eiswijziging wordt veranderd in “de denkbeeldige lijn vlak langs de westzijde van de zich daar bevindende knotwilgen”. Bij gebreke van enige toelichting in de memorie van grieven houdt deze eiswijziging op zichzelf beschouwd geen voldoende gemotiveerde grief in. Dat [appellant] deze motivering in een latere akte geeft is in strijd met de twee-conclusie-regel en de goede procesorde. Het eindvonnis van 31 mei 2017 zal in ieder geval in zoverre worden bekrachtigd.

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.2

[geïntimeerden] c.s. voeren het verweer dat [appellant] in zijn hoger beroep niet ontvankelijk is omdat de vorderingen waarover in het bestreden vonnis is geoordeeld in totaal een geldelijk belang betreffen van hooguit € 1.298,10. De appelgrens van € 1.750,00 wordt volgens [geïntimeerden] c.s. niet overschreden. De vordering tot verklaring voor recht dat het noordelijke deel van de grens tussen de percelen van partijen gevormd wordt door de kadastrale grens vertegenwoordigt volgens [geïntimeerden] c.s. een waarde dan € 5,95 en het op gezamenlijke kosten oprichten van een schutting/scheidsmuur op de erfgrens van de percelen een waarde van € 370,85, terwijl de vorderingen tot betaling van de kosten van de grensreconstructie en het taxeren respectievelijk € 495,00 en € 151,25 bedragen. Het totaal van deze bedragen komt niet uit boven de appelgrens, aldus [geïntimeerden] c.s.

Er zijn in het betoog van [appellant] onvoldoende aanwijzingen dat de waarde van de verklaring voor recht wat betreft de eigendom van de noordelijke onder de appelgrens komt, bij gebreke waarvan het bestreden vonnis appellabel is. Dit overigens daargelaten of de verklaring voor recht wat betreft de eigendom van de noordelijke punt zich er al voor leent om op waarde te worden bepaald, bij gebreke waarvan het bestreden vonnis hoe dan ook appellabel is. Gezien het voorgaande faalt het beroep van [geïntimeerden] c.s. op de niet-ontvankelijkheid.

Vorderingen ter zake van het noordelijke deel

4.3

De grieven 2-7 zijn gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen tot een verklaring voor recht dat [appellant] eigenaar is (gebleven) van de noordelijke punt en [geïntimeerden] c.s. de noordelijke punt dient te ontruimen.

[appellant] voert als grondslag voor deze vorderingen aan dat hij volgens de (onbetwiste) kadastrale grens eigenaar is van de noordelijke punt.

[geïntimeerden] c.s. voeren het verweer dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de noordelijke punt op grond van ofwel de artikelen 3:105/3:106 BW (verjaringstermijn 20 jaar, niet noodzakelijk dat bezitter te goeder trouw is) ofwel artikel 3:99 BW (verjaringstermijn 10 jaar, wél noodzakelijk dat de bezitter te goeder trouw is). Voorts betogen [geïntimeerden] c.s. dat [appellant] door de eigendom van de noordelijke punt op te eisen misbruik maakt van bevoegdheid (artikel 3:13 BW).

4.4

Nu [geïntimeerden] c.s. de door [appellant] gestelde kadastrale grens niet betwisten, geldt als uitgangspunt dat [appellant] eigenaar is van de noordelijke punt. Het hof zal hierna eerst het (zelfstandig bevrijdende) verweer van [geïntimeerden] c.s. beoordelen dat zij door door verjaring ex artikel 3:105/3:106 BW eigenaar zijn geworden van de noordelijke punt. Bij de beoordeling van dit verweer staat voorop dat uit artikel 3:105 BW in verbinding met artikel 3:106 BW volgt dat een bezitter niet te goeder trouw eigenaar kan worden wanneer hij een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van bezit wordt voltooid en hij daarvoor gedurende 20 jaar onafgebroken bezitter van het goed is geweest (artikel 3:105 en 106 BW). De verjaringstermijn van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet rechthebbende begint op de dag nadat de niet rechthebbende bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW). Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over dat goed is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Die machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, NJ 2016/78). Uit artikel 3:107 lid 1 BW in verbinding met artikel 3:108 BW volgt dat de vraag of iemand bezitter is, moet worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de daaropvolgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten en objectief beoordeeld. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Alle omstandigheden van het geval dienen tegen elkaar te worden afgewogen, waarbij het primair aankomt op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Nodig is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Niet noodzakelijk is dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis heeft genomen van de bezitsdaden, voldoende is dat deze voor hem kenbaar waren (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309).

4.5

[geïntimeerden] c.s. voeren als grondslag voor hun beroep op verjaring aan dat de wilgenrij en het gaashekwerk in ieder geval aanwezig waren toen zij in 1999 hun perceel kochten en nog steeds aanwezig zijn. Het afscheiden van percelen geschiedt volgens [geïntimeerden] c.s. volgens de plaatselijke gewoonte vaak met wilgen of andere beplanting. Toen [geïntimeerden] c.s. het perceel kochten liep de beschoeiing vanuit het water door tot aan de wilgenrij en dat doet zij nog immer ( [geïntimeerden] c.s. verwijzen ter onderbouwing hiervan naar foto’s die overgelegd zijn als productie 1 conclusie van antwoord en productie 6 memorie van antwoord, en daarnaast naar de verklaring van de heer [B] van 17 oktober 2016 die de beschoeiing in 1993 heeft aangelegd). Daarbij was de noordelijke punt tot aan de wilgenrij vóór 30 november 1982 beplant met onder meer rodondendrons en dat is volgens [geïntimeerden] c.s. nog steeds het geval, zij het in mindere mate (zie met name de foto van 8 augustus 1993 overgelegd als productie 1 conclusie van antwoord, en de verklaring van [C] en [D] , de vorige bewoners van het perceel van [geïntimeerden] c.s., van 11 oktober 2016, overgelegd als productie 2 conclusie van antwoord). Bovendien hebben [geïntimeerden] c.s. de grond van hun perceel een aantal keer met in totaal 20 cm opgehoogd, ook de noordelijke grond tot de wilgenrij. [appellant] moet uit deze bezitsdaden hebben afgeleid dat zij en hun rechtsvoorgangers meenden rechthebbende van de noordelijke punt te zijn, aldus nog steeds [geïntimeerden] c.s.

4.6

[appellant] richt geen grief tegen de vastsstelling door de rechtbank dat de wilgenrij en het gaashekwerk vanaf 1993 tot op heden aanwezig zijn, zodat het hof van de juistheid van deze vaststelling uitgaat (in eerste aanleg bestwistte [appellant] dat het gaashekwerk vanaf 1993 aanwezig was). Voorts heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist dat volgens de plaatstelijke gewoonte een erfafscheiding vaak door beplanting, zoals een wilgenrij, wordt aangeven. Ook hiervan wordt derhalve uitgegaan. [appellant] betwist weliswaar dat naar buiten toe voldoende kenbaar was dat de beschoeiiing doorliep tot aan de wilgenrij, maar het hof passeert dit verweer. De overgelegde foto’s en de verklaring van [B] duiden op het tegendeel (zie rechtsoverweging 4.5), terwijl de foto’s die zijn overgelegd als productie 17 bij memorie van antwoord en aan het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2018 zijn gehecht het verweer van [appellant] onvoldoende onderbouwen. Dat de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] c.s. de beschoeiing zodanig hebben geplaatst dat deze doorliep tot de wilgenrij (en niet tot de kadastrale grens) valt derhalve te beschouwen als een daad waarmee zij aangaven te menen rechthebbende te zijn van de noordelijke punt. [appellant] heeft - in het licht van de overgelegde foto’s en de verklaring van de vorige bewoners - voorts onvoldoende gemotiveerd betwist dat de rodondendrons en andere beplanting in 1993 en de jaren daarna, zich (ook) bevonden op de noordelijke punt. Als reactie op de stelling van [geïntimeerden] c.s. dat zij hun perceel (waaronder de noordelijke punt) zo’n 20 cm hebben opgehoogd, heeft [appellant] gesteld dat het perceel slechts zo’n 6 cm is opgehoogd, maar dat hem dat niet is opgevallen en dat de ophoging pas zo’n 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het hof leidt hieruit af dat het perceel in ieder geval rond 2008 zo’n 6 cm is opgehoogd.

4.7

Alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang en verband beschouwd, is naar het oordeel van het hof aan alle vereisten voor bevrijdende verjaring van de vordering tot revindicatie van de noordelijke punt door [appellant] voldaan. De rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] c.s. zijn in ieder geval vanaf 1993 bezitter geworden van de noordelijke punt en zij - en na hun [geïntimeerden] c.s. - zijn dit gedurende de 20 daarop volgende jaren onafgebroken gebleven. De aanwezigheid gedurende deze 20 jaar van de wilgenrij met het gaashek maakte dat [appellant] - ook al had hij de wilgenrij en het gaashek aangebracht - er eerder rekening mee moest houden dat de eigenaar(s) van het aangrenzende perceel in de veronderstelling verkeerde(n) dat de kadastrale grens dáár lag, mede vanwege de plaatselijke gewoonte om de erfgrens bijvoorbeeld met een wilgenrij te markeren. De (bezits)daden door de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] c.s. - het plaatsen van de beschoeiing en de rondondendrons/beplanting en het ophogen van de grond - dienden derhalve door [appellant] eerder te worden opgevat als uiterlijke omstandigheden waaruit hij naar verkeersopvatting niet anders kon afleiden dan dat zij pretendeerden rechthebbenden te zijn. Het gegeven dat niet is komen vast te staan dat de rodondendrons en andere begroeiing gedurende deze volle 20 jaar op de noordelijke punt aanwezig is geweest, terwijl hetzelfde geldt voor de ophoging van het perceel, staat - in het licht van de andere omstandigheden van het geval - niet aan dit oordeel in de weg. Dat [appellant] niet van iedere bezitsdaad evenzeer heeft kennis genomen, is niet relevant, het gaat erom dat de daden voor hem kenbaar waren, althans konden zijn. Voormeld oordeel wordt evenmin anders door het gegeven dat [appellant] soms het perceel van [geïntimeerden] c.s. betrad om de wilgenrij te snoeien, zeker niet in het licht van het (onbetwiste) gegeven dat [geïntimeerden] c.s. de wilgenrij ook zelf regelmatig aan de kant van het perceel van [appellant] snoeiden. Ook wanneer het gaashek slechts een meter hoog is, maakt dat het oordeel niet anders. Ditzelfde geldt voor de stelling dat [appellant] in 2010 met [geïntimeerde2] over het kadasterpaaltje aan de noordzijde van het perceel zou hebben gesproken, wat [geïntimeerden] c.s. overigens betwisten. Hetgeen [appellant] voor het overige aanvoert staat evenmin aan voormeld oordeel in de weg. Nu [appellant] zijn betwisting onvoldoende feitelijk heeft gemotiveerd, wordt niet toegekomen aan zijn bewijsaanbod.

Overige vorderingen

4.10

Grief 8 is gericht tegen afwijzing van de vorderingen 4, 5, 6 en 8 (rechtsoverweging 3.1) en de motivering die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.

De vordering te bepalen dat [geïntimeerden] c.s. dient mee te werken aan het op gezamenlijke kosten oprichten van een schutting/scheidsmuur op de erfgrens van de percelen, op straffe van een dwangsom (vordering 4), dient ook naar het oordeel van het hof te worden afgewezen. De vordering is allereerst te onbepaald. [appellant] heeft niet toegelicht wat voor schutting/scheidsmuur hem in concreto voor ogen staat, waardoor een aanzienlijke kans bestaat dat toewijzing van de vordering tot een executiegeschil zou leiden. Bovendien betwist [appellant] in hoger beroep nog steeds onvoldoende gemotiveerd dat voor percelen als de onderhavige de plaatselijke gewoonte geldt dat deze niet met een schutting of scheidsmuur maar met wilgenrijen, hagen of struiken dan wel hekwerken of gaashekken worden afgescheiden, daargelaten overigens of de percelen zich bevinden in een “aaneengebouwd gedeelte van de gemeente” als bedoeld in artikel 5:49 lid 1 BW.

Ook de vordering om [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van de grensreconstructie van € 495,00 en de taxatie van € 151,25 (vordering 6), is door de rechtbank terecht afgewezen. [appellant] is ook in hoger beroep in gebreke gebleven toe te lichten waarom redelijk zou zijn dat [geïntimeerden] c.s. deze kosten dragen, in het licht van het gegeven dat het een door hemzelf geïnitieerde grensreconstructie en taxatie betreft.

Het bezwaar tegen afwijzing door de rechtbank van de vordering om te bepalen dat, indien voor de uitvoering van het vonnis een notaris en het kadaster moeten worden ingeschakeld, de kosten daarvan door [geïntimeerden] c.s. voldaan dienen te worden (vordering 5), is door [appellant] in het geheel niet gemotiveerd. Het wordt om die reden verworpen.

Nu de rechtbank partijen over en weer in het gelijk heeft gesteld, heeft zij de proceskosten tussen partijen terecht gecompenseerd (vordering 8).

5 Slotsom

5.1

Uit het bovenstaande volgt dat grief 1 leidt tot aanvulling van de feiten, maar dat de grieven 1-8 niet tot andere beslissingen leiden dan de rechtbank al heeft gegeven. Grief 9 wordt als onzelfstandige grief in het voetspoor van de grieven 2-8 evenzeer verworpen. Nu ook de (ongenummerde) grief terzake vordering 3 is verworpen zal het eindvonnis van 31 mei 2017 worden bekrachtigd.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. zullen worden vastgesteld op € 313,00 aan verschotten en € 1.897,50 salaris advocaat (2,5 punten x tarief I van € 759,00). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld. De gevorderde betalingstermijn (vijf dagen) is onredelijk kort, zodat het hof die termijn op veertien dagen zal stellen.

5.3

[geïntimeerden] c.s. zijn in het incident in het ongelijk gesteld, maar omdat [appellant] geen conclusie heeft genomen, zal in het incident geen proceskostenveroordeling plaatsvinden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 mei 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 313,00 voor verschotten en op € 1.897,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, Th.C.M. Willemse en L.R. van Harinxma thoe Slooten, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Van Harinxma thoe Slooten, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.