Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8810

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.237.280/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De officier van justitie had bij het verstrekken van de op de zaak betrekking hebbende stukken ook de aankondiging van beschikking moeten toezenden, nu de foto’s van de gedraging onderdeel zijn van dat document en door de ambtenaar zijn gebruikt bij het opleggen van de sanctie. De foto’s zijn daarom aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, Awb. Met het enkele verstrekken van het zaakoverzicht heeft de officier van justitie niet voldaan aan zijn informatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.237.280/01

CJIB-nummer

: 193929643

Uitspraak d.d.

: 22 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten.

Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter de grond over de toezending van stukken door de officier van justitie onbesproken heeft gelaten.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Uit de overwegingen die de kantonrechter aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, blijkt niet dat de kantonrechter voormelde beroepsgrond bij de beoordeling van de zaak heeft meegewogen. Hoewel de kantonrechter niet gehouden is om expliciet op ieder argument van een betrokkene in te gaan, moet de betrokkene wel in grote lijnen uit de beslissing kunnen opmaken waarom de aangevoerde bezwaren geen doel treffen (vgl. Kamerstukken II 1988/89, 21221, nr. 3 (MvT) p. 154, 157). Dat is hier niet het geval. De beslissing van de kantonrechter is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

4. Uit het administratief beroepschrift blijkt dat de gemachtigde op grond van artikel 7:18 Awb heeft verzocht om het dossier. Verder stelt het hof vast dat de advocaat-generaal de aankondiging van beschikking heeft toegestuurd. Onderdeel van dat document zijn foto's van de gedraging. Kennelijk heeft de ambtenaar die gebruikt bij de oplegging van de sanctie. De foto's zijn daarom aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Die dienen deel uit te maken van het dossier en hadden verstrekt moeten worden door de officier van justitie (vgl. het arrest van het hof van
2 februari 2018 te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:1050). De gemachtigde stelt alleen een zaakoverzicht te hebben ontvangen. Met het enkel verstrekken van het zaakoverzicht heeft de officier van justitie dan ook niet aan zijn informatieplicht voldaan. De kantonrechter heeft dit miskend. Daarom zal het hof de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking en het verzoek tot toekenning van een dwangsom beoordelen.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij blauwe streep terwijl dat niet is voorzien van een duidelijk geplaatste parkeerschijf (feitcode R400RE)”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 november 2015 om 14.27 uur op de Helftheuvelpassage te 's-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

6. De gemachtigde voert aan dat de gebruikte feitcode R400AE feitelijke grondslag mist omdat ter plaatse sprake is van een parkeerschijfzone. Feitcode R401 had gebruikt moeten worden.

7. Feitcode R401 luidt als volgt:

"Als bestuurder een voertuig parkeren in een parkeerschijfzone (geldt niet voor parkeerplaatsen, die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of die zijn voorzien van een blauwe streep)".

8. Feitcode R401 betreft een overtreding van artikel 25, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Feitcode R400AE betreft een overtreding van artikel 25, tweede lid, van het RVV 1990. Deze artikelleden luiden als volgt:

"1. Het is verboden in een parkeerschijfzone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep.
2. Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst."

9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"In het gehele voertuig geen parkeerschijf waargenomen."

11. Het dossier bevat verder foto's van de gedraging waarop het voertuig met het onder 6. genoemde kenteken te zien is in een parkeervak op een parkeerterrein. Achter de voorruit is geen parkeerschijf zichtbaar.

12. De gemachtigde heeft niet onderbouwd waarom een andere feitcode van toepassing is. De enkele stelling dat ter plaatse sprake is van een parkeerschijfzone is daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 25 RVV 1990, onvoldoende. Nu voor het overige niets is aangevoerd dat aanleiding geeft om te twijfelen aan de gegevens in het dossier, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal ongegrond worden verklaard.

13. Met betrekking tot het verzoek tot toekenning van de dwangsom voert de gemachtigde aan dat de verlenging van de beslistermijn op 6 juni 2016 geen doel trof. Volgens de track & tracecode is de brief met de gevraagde machtiging op 18 mei 2016 ontvangen en niet pas op 20 mei 2016. Daardoor was de beslistermijn al op 5 juni 2016 afgelopen, en kon die niet op 6 juni 2016 verlengd worden. Daarom heeft de officier van justitie te laat beslist en is een dwangsom verbeurd.

14. Op grond van artikel 7:24 Awb zou de beslistermijn in onderhavige zaak eindigen op
14 mei 2016. Omdat de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om het verzuim een machtiging over te leggen te herstellen, is de termijn echter opgeschort vanaf het moment van het verzoek op
25 april 2016 tot het moment waarop de machtiging is ontvangen op 20 mei 2016. De gemachtigde heeft zijn stelling dat de machtiging op 18 mei 2016 door de CVOM is ontvangen niet onderbouwd met bewijs. Uit het dossier blijkt dat de machtiging op 20 mei 2016 is ontvangen en dat de bijbehorende envelop op 19 mei 2016 is afgestempeld door PostNL. Daardoor eindigde de beslistermijn in beginsel op 7 juni 2016. Het hof stelt vast dat de officier van justitie op 6 juni 2016 de beslistermijn heeft verlengd met tien weken. Daarom is de beslissing van 11 juli 2016 tijdig genomen en is er geen dwangsom verbeurd.

15. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijs het verzoek tot toekenning van een dwangsom af;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.