Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:875

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
21-002793-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2018:1599, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel heeft op 9 mei 2018 een man uit Enschede veroordeeld tot acht maanden celstraf en tbs met dwangverpleging voor het aanranden van zeven vrouwen. De man is verminderd toerekeningsvatbaar en er is een hoge kans op herhaling. Hoewel de man vaak voor feiten als deze is veroordeeld, verviel hij in zijn grensoverschrijdende seksueel gedrag zodra hij weer op vrije voeten kwam. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bevestigen met aanvulling en verbetering van de gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002793-18

Uitspraak d.d.: 30 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 mei 2018 met parketnummer 08-770363-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1962,

thans gedetineerd in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg en derhalve tot bewezenverklaring van hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 is ten laste gelegd en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met het bevel tot verpleging van overheidswege. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. L. Noordanus, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij vonnis van 9 mei 2018, verdachte ter zake van de hem onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten, kort gezegd: telkens aanranding, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en heeft aan verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege opgelegd.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis bevestigen. Het hof zal dat doen met aanvulling en verbetering van de gronden, zoals hieronder weergegeven.

De bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 en 5 ten laste gelegde feit vult het hof op de volgende onderdelen aan:

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat hij de hem onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van deze feiten is door of namens verdachte geen vrijspraak bepleit. Door wettige bewijsmiddelen, te weten de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van de onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten en de verklaringen van aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] , waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

De motivering van de straf en maatregel vult het hof aan met het volgende:

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan verdachte geen tbs-maatregel wordt opgelegd. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de tbs-maatregel een ultimum remedium is en dat er thans nog andere alternatieven voorhanden zijn waarbinnen verdachte behandeld kan worden voor diens problematiek. Volgens de raadsvrouw kan verdachte door stichting Jolijt begeleid worden en onder toezicht van die stichting met libidoremmende middelen behandeld worden. De raadsvrouw verzoekt het hof primair dan ook om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de voorwaarde dat hij begeleid wordt door de stichting Jolijt teneinde resocialisatie in de samenleving te bewerkstelligen.

De raadsvrouw heeft het hof subsidiair verzocht om aan verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging buitenproportioneel is gelet op de feiten die aan verdachte ten laste worden gelegd, te weten zedendelicten van de lichtere categorie.

Het hof overweegt als volgt:

In de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage d.d. 27 maart 2018, opgesteld door A. Soetendaal, GZ-psycholoog, wordt onder meer het volgende vermeld:

‘Het laatste juridisch kader (deels voorwaardelijke straf met algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht en medewerking aan woonbegeleiding) heeft 3 jaar lang voldoende waarborgen kunnen bieden; het recidiverisico werd in deze periode tot een aanvaardbaar minimum teruggebracht. De huidige terugval van betrokkene houdt direct verband met het beëindigen van dit laatste juridische kader.

Ondergetekende heeft daarom overwogen opnieuw hetzelfde kader te adviseren met daaraan toegevoegd de voorwaarde dat betrokkene meewerkt aan consultatie bij een gespecialiseerde kliniek (zoals Trajectum of Van der Hoeven). Als daaruit blijkt dat betrokkene zou kunnen profiteren van bijvoorbeeld (libidoremmende/dwangverminderende)medicatie (of andere behandelinterventies), zou als bijzondere voorwaarde tevens opgenomen moeten worden dat betrokkene zich conform dit advies laat behandelen. Het nadeel hiervan is dat men voorwaarde op voorwaarde stapelt waarin een bepaalde onzekerheidsmarge zit en waarvan tevens niet zeker is of betrokkene zich daaraan zal committeren. Bovendien is een dergelijk kader beperkt in tijd terwijl betrokkene mogelijk zijn leven lang een justitieel kader nodig heeft.

Voorgesteld wordt daarom een tbs met dwangverpleging op te leggen. Eerder werd deze maatregel niet zinvol geacht omdat betrokkene niet leerbaar zou zijn, echter mogelijk is betrokkene toch (deels) behandelbaar met medicatie. Geadviseerd wordt middels deze maatregel de geschetste behandelvraag zo snel als mogelijk beantwoord te krijgen (kortdurende klinische opname t.b.v. consultatie) en dan (zo mogelijk versneld) te koersen op een voorwaardelijke beëindiging van de tbs-maatregel, waarbij stichting Jolijt weer de controle en woonbegeleiding op zich kan nemen. Het voordeel is dat een voorwaardelijke beëindiging van de tbs-maatregel met verpleging zo lang als nodig kan doorlopen, waardoor de maatschappelijke veiligheid goed gewaarborgd kan worden. Het biedt stichting Jolijt een goed werkbaar justitieel kader om betrokkene verder te begeleiden en te controleren. Een tbs-met voorwaarden biedt geen passend alternatief omdat ook deze maatregel eindig is in tijd.’

De hierboven weergegeven conclusies uit het Pro Justitia rapport van psycholoog Soetendaal neemt het hof over. Zij ondersteunen de last dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en het bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Uit deze passages leidt het hof af dat een tbs met voorwaarden en/of een (deels) voorwaardelijke straf met algemene en bijzondere voorwaarden geen passend alternatief bieden nu dergelijke juridische kaders eindig zijn in tijd en daardoor voor verdachte, gelet op diens problematiek, niet opportuun zijn. Het hof acht het derhalve niet passend om een dergelijke sanctiemodaliteit aan verdachte op te leggen. Het verweer van de raadsvrouw wordt op dit onderdeel verworpen.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat oplegging van de tbs met dwangverpleging disproportioneel zou zijn, is het hof van oordeel dat van disproportionaliteit in het onderhavige geval geen sprake is gelet op de aard van de stoornis van verdachte, het zeer hoge recidiverisico, de omstandigheid dat verdachte vóór de bewezenverklaarde feiten veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld ter zake van aanrandingen en de aard en ernst van de thans bewezenverklaarde feiten. In het licht van deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het opleggen van de tbs met dwangverpleging ter zake van de bewezenverklaarde feiten proportioneel vanuit het oogpunt van beveiliging van de maatschappij. Het verweer van de raadsvrouw wordt ook op dit onderdeel verworpen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. A.H. Garos, voorzitter,

mr. A.J. Smit en mr. K.J.C. Geeve, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.D. de Boer, griffier,

en op 30 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.H. Garos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 januari 2019.

Tegenwoordig:

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal,

mr. N.E. Versloot, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.