Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8706

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
200.266.067/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing voor 6 maanden wordt niet in duur beperkt ondanks positieve ontwikkeling jeugdige en zijn motivatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.266.067/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/235435 / JE RK 19-1356)

beschikking van 17 oktober 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

thans verblijvende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. M.B.W.G. Beutener te [B] ,

en

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

Regio IJsselland,

gevestigd te Zwolle,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbende is aangemerkt:


[de moeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de moeder,

Als informant is aangemerkt:

[de stiefvader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de stiefvader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 30 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) van [verzoeker] , ingekomen op 17 september 2019;

- het verweerschrift met productie(s) van 30 september 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 oktober 2019 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI is verschenen mevrouw [C] . Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is geen vertegenwoordiger verschenen. Ook de moeder en de stiefvader zijn niet ter zitting aanwezig geweest.

2.3

Ter zitting heeft [verzoeker] een kort verslag van 1 oktober 2019 van zijn mentor overgelegd. Het hof heeft hiervan kennisgenomen.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de moeder met de heer [D] is geboren [verzoeker] [in] 2002. Sinds het overlijden van de heer [D] in 2015 oefent de moeder alleen het gezag over [verzoeker] uit.

3.2

Bij beschikking van 1 mei 2014 is [verzoeker] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, welke termijn laatstelijk bij beschikking van 23 april 2019 is verlengd van 23 april 2019 tot 23 april 2020.

3.3

Na eerdere machtigingen tot uithuisplaatsing in pleeggezinnen en instellingen is bij beschikking van 14 maart 2019 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 18 maart 2019 tot 1 mei 2019. Bij de hiervoor genoemde beschikking van 23 april 2019 is deze machtiging verlengd tot uiterlijk 23 april 2020.

3.4

De GI heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoeker] met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft ingestemd met het verzoek.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de GI machtiging gesloten jeugdhulp verleend betreffende [verzoeker] met ingang van 30 juli 2019 voor de duur van zes maanden, zijnde tot 30 januari 2020.

3.6

Op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing van 14 maart 2019 is [verzoeker] geplaatst op de open groep [E] van de [F] (hierna [F] ) in [A] , als voorbereiding op een (door)plaatsing bij [G] in [B] voor een kamertrainingstraject. Na de afgifte van de machtiging gesloten jeugdhulp op 30 juli 2019 verblijft [verzoeker] sedert 4 augustus 2019 bij de [F] in een gesloten setting. Hij is daar ter stabilisatie geplaatst op de [H] en is op 1 september 2019 overgeplaatst naar [I] , een besloten groep.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoeker] is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 juli 2019. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

[verzoeker] verzoekt, samengevat en met inachtneming van de aanpassing van zijn verzoek ter zitting, de bestreden beschikking te vernietigen met toewijzing van het verzoek om een machtiging gesloten jeugdhulp voor een kortere duur - namelijk tot eind december 2019 - dan de door de GI verzochte termijn van zes maanden.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt de beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.1. lid 2 Jw is een minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2. Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt [verzoeker] een zelfstandig recht van hoger beroep toe en kan hij in zijn hoger beroep worden ontvangen.

5.2

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Deze machtiging kan op grond van artikel 6.1.2. lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.3

Het hof stelt vast dat ook is voldaan aan de overige formele eisen die in artikel 6.1.2 Jw worden gesteld aan het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp: er is sprake van een ondertoezichtstelling als bedoeld in lid 3 aanhef onder sub a en verder behoren tot de stukken een verleningsbesluit van de gemeente als bedoeld in lid 5 en een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper als voorgeschreven in lid 6.

5.4

In hoger beroep is niet langer in geschil dat de gronden voor een machtiging gesloten plaatsing bij het verlenen van de machtiging aanwezig waren en op dit moment ook nog aanwezig zijn. Aan het hof ligt uitsluitend voor de vraag of de duur van de machtiging verkort dient te worden.

5.5

[verzoeker] kan zich niet verenigen met de uithuisplaatsing in een gesloten instelling voor de duur van zes maanden. Hij voert aan dat hij in maart 2019 heeft ingestemd met een plaatsing bij de [F] als voorbereiding op een traject van kamertraining bij [G] . In de loop van het jaar raakte hij het vertrouwen kwijt dat door de GI daadwerkelijk toegewerkt werd naar het realiseren van dat plan. Dat verlies aan perspectief en de moeilijke periode rond de overlijdensdatum van zijn vader heeft geleid tot een terugval in zijn negatieve gedrag. [verzoeker] benadrukt dat hij zich inzet en dat hij gemotiveerd is voor [G] , van waaruit hij ook zijn schoolopleiding weer kan oppakken. Hij wil dat vervolgtraject graag eind december inzetten.

5.6

De GI stelt dat de machtiging voor de duur van zes maanden op terechte gronden is verleend.

5.7

Het hof is van oordeel dat de gronden voor een gesloten plaatsing voor de duur van zes maanden nog altijd aanwezig zijn.

5.8

De machtiging tot gesloten plaatsing is verleend omdat de eerdere plaatsing in een open setting niet voldoende is geweest om [verzoeker] te begrenzen en om zijn veiligheid te waarborgen. Binnen de open setting is het [verzoeker] , na een goede start, niet gelukt om te komen tot een blijvende gedragsverandering. Hij heeft zich in toenemende mate onttrokken aan het toezicht, de behandeling en het verblijf waarbij hij ook fysieke en verbale agressie heeft laten zien. Verder was sprake van toenemend (soft)drugsgebruik en hernieuwde politiecontacten tijdens verlofmomenten. Om deze situatie van stagnerende ontwikkeling en het in toenemende mate laten zien van risicovol gedrag te doorbreken, is een machtiging voor gesloten jeugdhulp verzocht en verleend.

5.9

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoeker] binnen de gesloten setting een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat [verzoeker] gemotiveerd is mee te werken aan zijn behandeling. Het lijkt of bij hem inmiddels sprake is van probleembesef en van een intrinsieke motivatie om zijn problemen aan te pakken. Deze veranderde houding en opstelling is zeer positief te noemen, maar kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot verkorting van de duur van de machtiging, zoals [verzoeker] deze wenst. [verzoeker] kent een belast verleden waarin de persoonlijke (deels psychische) problematiek van zijn ouders heeft geleid tot eerdere hulpverleningstrajecten en uithuisplaatsingen. Ook het overlijden van zijn vader in 2015 is een traumatische ervaring geweest. De door de GI geschetste ontwikkelingsbedreigingen samenhangend met de drugs- en emotionele problematiek van [verzoeker] , zijn zorgelijk. Naar het oordeel van het hof dient het thans ingezette traject om vanuit een gesloten setting te komen tot een zelfstandigheidstraject niet te worden doorbroken. Het hof heeft begrip voor de wens van [verzoeker] om al eind dit jaar meer duidelijkheid en zekerheid te krijgen over het vervolgtraject, te weten eerdergenoemde plaatsing (in een voortraject voor kamertraining) bij [G] in [B] en aanmelding bij de school waar hij een bbl-opleiding wil gaan volgen, waarvoor ook een leerwerkovereenkomst met een werkgever nodig is. Niet zeker is of de start van het vervolgtraject direct zal aansluiten op de besloten plaatsing, wanneer deze al eerder dan 30 januari 2020 eindigt. Een verkorting van de gesloten plaatsing draagt het risico in zich van (opnieuw) afglijden waardoor de ook door [verzoeker] zo gewenste plaatsing bij [G] (opnieuw) in gevaar zal komen. Dat risico dient te worden voorkomen. Het hof gaat ervan uit dat de GI [verzoeker] eerder dan januari 2020 zal doorplaatsen wanneer [verzoeker] daar klaar voor is en deze eerdere plaatsing ook feitelijk mogelijk is.

5.10

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 30 juli 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Dölle, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. C. Koopman, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 17 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.