Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8693

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.232.503/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als fietser bij het ontbreken van verplicht fietspad niet de rijbaan gebruiken (artikel 5, tweede lid, RVV 1990). Doorgang Rijksmuseum te Amsterdam. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging is verricht moet in dit geval komen vast te staan dat met de snorfiets van de betrokkene is gereden in de voetgangerszone. Uit de foto’s in het dossier volgt dat iemand op de snorfiets zit en dat de rechtervoet zich boven de grond bevindt ter hoogte van de voetsteun van de snorfiets. Deze foto kan redengevend zijn voor de vaststelling dat de betrokkene de rijloper heeft gebruikt. Een die redengevendheid ontzenuwende verklaring is door de gemachtigde niet gegeven. Het hof stelt vast dat de gedraging is verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.232.503/01

CJIB-nummer

: 202243669

Uitspraak d.d.

: 21 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 123,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een behoorlijk proces-verbaal is opgemaakt. De gemachtigde voert daartoe onder meer aan dat het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen behoort te bevatten, maar dat de beslissing van de kantonrechter daaraan niet voldoet. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter dus niet in stand blijven.

2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589). Dit dient een zakelijke weergave te bevatten van wat is voorgevallen ter zitting.

3. Het dossier bevat een afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 30 november 2017. Het door de vertegenwoordiger van de officier van justitie ingenomen standpunt ontbreekt daarin. De vermelding in de aantekening "Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van de beroepschriften" volstaat niet, nu daaruit niet blijkt tot welke conclusie de vertegenwoordiger is gekomen.

Het opnemen van deze conclusie is in het bijzonder van belang, gelet op de eigenstandige bevoegdheid die (de vertegenwoordiger van) de officier van justitie op de voet van artikel 7 van de Wahv juncto artikel 7:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ten aanzien van het in stand laten, wijzigen of vernietigen van de inleidende beschikking. Het proces-verbaal voldoet derhalve niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld.

4. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal deze beslissing vernietigen. Verdere bezwaren tegen deze beslissing behoeven geen bespreking meer. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

5. De officier van justitie heeft de gemachtigde niet-ontvankelijk verklaard in het beroep omdat deze niet of niet tijdig de verzochte machtiging had overgelegd. De gemachtigde stelt dat de officier van justitie niet om een machtiging had verzocht. De verzuimbrieven in het dossier, die de officier van justitie zou hebben gestuurd, zijn niet ontvangen, terwijl van verzending van de brieven niet is gebleken.

6. Vanwege het ontbreken van een verzendadministratie van de officier van justitie kan niet worden vastgesteld dat de verzuimbrieven daadwerkelijk aan de gemachtigde zijn verzonden. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de gemachtigde op het verzuim is gewezen. De officier van justitie heeft gelet op artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 oktober 2016 om 12:24 uur op de Museumstraat te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YYY00Y] .

8. Deze gedraging betreft een overtreding van artikel 5, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Deze bepaling geldt ingevolge artikel 2b van het RVV 1990 ook voor snorfietsers.

9. Artikel 5 van het RVV 1990 luidt - voor zover relevant - als volgt:
"1. Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.
2. Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.''

10. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de ambtenaar niet bevoegd was om de sanctie op te leggen, nu niet is gebleken dat het opleggen van de sanctie gerelateerd is aan de openbare orde, het hem als een gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaar niet is toegestaan om camerabeelden uit te lezen en bovendien ook niet is voldaan aan de in Bijlage L van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO) gestelde voorwaarden.

11. Het hof kan het betoog van de gemachtigde niet volgen. Het optreden van de ambtenaar valt binnen de in artikel 6.4 van de BBO toegekende bevoegdheden. Voor de handhaving van de negatie van de hier in geding zijnde bebording (te weten: bord G7 met onderbord) geldt niet de eis van relatie tot de openbare orde. Evenmin geldt daarvoor de door de gemachtigde genoemde eis uit Bijlage L.

12. Voorts voert de gemachtigde aan dat de gedraging onvoldoende vaststaat, want de informatie in het dossier is onvoldoende specifiek en de specifieke redenen van wetenschap van de ambtenaar ontbreken.

13. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

14. In de aankondiging van beschikking is opgenomen dat de in de inleidende beschikking omschreven gedraging door de ambtenaar is vastgesteld aan de hand van fotografische opnamen, vastgelegd door de camera-installatie die is geplaatst aan weerszijden van de doorgang onder het Rijksmuseum te Amsterdam.

15. In de aankondiging van beschikking is over deze camera-installatie en de bebording ter plaatse het volgende opgenomen:
Aan weerszijden van de doorgang onder het Rijksmuseum te Amsterdam is er een camera installatie geplaatst boven de weg ten behoeve van de handhaving van een voetgangersgebied, aangeduid door de borden volgens model G7, Bijlage 1 RVV 1990 voorzien van de tekst: "Zone" met onderborden waarop respectievelijk is vermeld "fietsen toegestaan op de rijloper" en "snorfietsers verboden."

16. In het dossier bevinden zich verder twee foto's van de gedraging. De tweede is donker. Datum en tijd onderaan de foto's zijn leesbaar, evenals het onder de eerste foto vergroot afgedrukte kenteken. De leesbare gegevens komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. Op de eerste foto is te zien dat er iemand op de snorfiets zit. Zijn rechtervoet bevindt zich boven de grond ter hoogte van de rechter voetsteun van de snorfiets Deze foto kan redengevend zijn voor de vaststelling dat de betrokkene de rijloper heeft gebruikt. Een die redengevendheid ontzenuwende verklaring is door de gemachtigde niet gegeven. Gelet hierop stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.

17.
De bezwaren tegen de inleidende beschikking treffen derhalve geen doel. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
18. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, nu de inleidende beschikking niet wordt vernietigd.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.