Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8691

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.231.966/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beroep bij de kantonrechter is wel tijdig ingesteld. De kantonrechter heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de bepalingen uit de Algemene termijnenwet. Een voertuig langer dan 6 meter parkeren buiten de vastgestelde termijnen. De betrokkene ontkent dat het voertuig langer is dan 6 meter, maar heeft dit niet onderbouwd. Onderbouwing van deze stelling is niet afhankelijk van de wetenschap over de wijze waarop de ambtenaar de

lengte heeft vastgesteld. Dat pas in hoger beroep uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat de lengte van het voertuig is vastgesteld aan de hand van de RDW-gegevens, maakt dan ook niet dat de betrokkene in haar verdedigingsbelangen is geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.231.966/01

CJIB-nummer

: 201320771

Uitspraak d.d.

: 21 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2017, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die
gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.

2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 van de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan.

3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter er geen rekening mee heeft gehouden dat 28 april 2017 een met een algemeen erkende feestdag gelijkgestelde dag is en de termijn daardoor, met toepassing van de Algemene termijnenwet, pas op 1 mei 2017 eindigde. Het beroep is dus wel tijdig ingesteld.

4. De beslissing van de officier van justitie is op 17 maart 2017 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde, met toepassing van de Algemene termijnenwet en rekening houdend met de gelijkstelling van 28 april 2017 met een algemeen erkende feestdag, dus op 1 mei 2017. Het beroepschrift is gedateerd 1 mei 2017 en is blijkens de datum op de envelop ook op die dag ter post bezorgd. Uit een stempel blijkt dat het op 3 mei 2017 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, tijdig ingesteld. Daarom zal de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd.

5. Het hof zal de zaak niet, zoals de gemachtigde heeft verzocht, terugwijzen naar de kantonrechter omdat de wet die mogelijkheid niet biedt. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij deze inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “op/aan de weg een voertuig langer dan 6 m parkeren buiten de vastgestelde termijnen”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 september 2016 om 21.23 uur op de Columbusstraat te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

7. De gemachtigde voert aan dat het voertuig van de betrokkene niet langer was dan 6 meter. Nu pas in hoger beroep een proces-verbaal is overgelegd waaruit blijkt dat de verbalisant op basis van de gegevens van de RDW heeft vastgesteld dat het voertuig 6.16 meter was, is de betrokkene de mogelijkheid ontnomen om aan te tonen dat er op dat moment een aanhanger aanwezig was met een kortere lengte. Ook heeft de verbalisant geen foto genomen van de aanhanger, terwijl de combinatie altijd als geheel wordt gezien wanneer een aanhanger aanwezig is. Verder heeft de verbalisant in zijn aanvullend proces-verbaal van 7 mei 2018 verklaard dat hij zich bevond op de Hilgersweg te Rotterdam, terwijl de bekeuring is uitgeschreven op de Columbusstraat. De beschikking kan niet in stand blijven omdat die kennelijk niet op de Columbusstraat is begaan. Daarnaast is er als het voertuig 16 centimeter te lang is, een overschrijding van 2,5%. Bij snelheidsmetingen wordt een correctie toegepast van 3%. In dit geval zou een overschrijding van 2,5% niet tot een boete van € 99,- mogen leiden.

8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"Ik zag dat het voornoemde voertuig buiten de vastgestelde tijden geparkeerd stond, namelijk van maandag 20.00 uur tot en met maandag 06.00 uur, conform het aanwijzingsbesluit parkeerexcessen havengebied Rotterdam, artikel 5.8 APV Rotterdam. Ik zag dat het voornoemde voertuig langer was dan 6 meter."

10. Verder bevat het dossier een op 19 januari 2017 opgemaakt aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar onder meer verklaart:

"Op maandag 05 september 2016, omstreeks 21.23 uur, bevond ik mij in uniform gekleed en met handhaving belast op de openbare (het hof leest: weg), Columbusstraat te Rotterdam en constateerde aldaar het volgende: Voertuig parkeren dat langer dan 6 meter is buiten de vastgestelde tijden."

Bij het proces-verbaal is een foto gevoegd waarop de voorkant van het voertuig met het kenteken
[00-YYY-0] te zien is.
11. Ook bevat het dossier een op 7 mei 2018 opgemaakt aanvullende proces-verbaal. Hierin verklaart de ambtenaar, in aanvulling op wat ook al was verklaard in het proces-verbaal van
19 januari 2017, het volgende:

"De betrokkene heeft de beschikking gekregen omdat het voertuig langer dan 6 meter was volgens de RDW gegevens."

12. Naast voornoemde gegevens bevat het dossier verder onder meer de aankondiging van beschikking en een uitdraai van de gegevens van het voertuig in het kentekenregister van de RDW.

13. Wat de gemachtigde heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de ambtenaar. De enkele stelling dat het voertuig niet langer was dan 6 meter is onvoldoende. Dat pas in hoger beroep uit het aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar blijkt dat de lengte van het voertuig is geconstateerd op basis van de gegevens van de RDW, maakt niet dat de betrokkene in haar verdedigingsbelangen is geschaad. De gemachtigde heeft al eerder in de procedure ontkend dat het voertuig langer was dan 6 meter, maar heeft dit gedurende de procedure niet onderbouwd. Onderbouwing van deze stelling is echter niet afhankelijk van de wetenschap over de wijze waarop de ambtenaar de lengte heeft vastgesteld.

14. Dat de ambtenaar geen foto heeft genomen van de aanhanger is niet relevant, nu uit de gegevens in het kentekenregister blijkt dat de opleggertrekker van de betrokkene alleen al 616 cm is. Niet is betwist dat die informatie juist is.

15. Het hof merkt de verkeerde plaatsaanduiding in het aanvullend proces-verbaal van
7 mei 2018 aan als een kennelijke verschrijving. De ambtenaar heeft zowel op de aankondiging van beschikking als in het proces-verbaal van 19 januari 2017 de Columbusstraat genoemd als plaats van overtreding en in beide aanvullende processen-verbaal bevestigd dat de aan het CJIB aangeleverde gegevens correct zijn. De gemachtigde heeft ook niet ontkend dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op de Columbusstraat. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.

16. Vervolgens zat het hof, gelet op het gevoerde verweer, vaststellen of er redenen zijn om de sanctie achterwege te laten of te matigen.

17. Dat er sprake is van slechts een kleine overschrijding, is naar oordeel van het hof niet een dergelijke reden. De correctie van 3% bij snelheidsmetingen wordt toegepast omdat de werkelijk gereden snelheid niet met 100% zekerheid valt vast te stellen. De maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfout van de meetapparatuur wordt afgetrokken van het meetresultaat zodat de gestelde snelheid zonder meer bewezen kan worden. De correctie wordt dus niet toegepast omdat er sprake zou zijn van slechts een kleine overschrijding.

18. Gelet op het voorgaande wordt het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.