Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8669

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.235.555/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats. Het hof stelt vast dat sprake is van een feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande weg. In de een Wahv-procedure wordt niet de juistheid van besluiten van de wegbeheerder of van

verkeersbesluiten getoetst. Daartegen kan ingevolge artikel 20 van de WVW 1994 door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.235.555/01

CJIB-nummer

: 202504623

Uitspraak d.d.

: 18 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2018, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is [B] , woonachtig te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 11,86 (reiskosten).

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehand. parkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 24 september 2016 om 21:40 uur op de IJsselkade te Doetinchem met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

2. De gemachtigde, de feitelijk bestuurder van het voertuig, is primair van mening dat de overtreding niet op een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a (het hof begrijpt: onder b), van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) heeft plaatsgevonden. Het terrein wordt namelijk door de rechthebbende de facto geheel voor eigen gebruik bestemd. Het algemene verkeer maakt geen gebruik van het terrein. Subsidiair is hij van mening dat het verkeersbesluit ten aanzien van het parkeren op het terrein van 't Brewinc onverbindend is. Meer subsidiair is hij van mening dat het betreffende bord E6 in deze conflicteert met het geldende parkeerverbod dat ter plekke met bord E1 is aangegeven. Verder vindt handhaving naar willekeur plaats. Het voertuig stond namelijk op een plek naast dat waar 't Brewinc ontheffingen voor verleend. Dit dient, gelet op het feitelijk afgesloten karakter van het terrein, als willekeur en discriminatoir te worden aangemerkt.

Het opleggen van een sanctie is daarmee in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tot slot is de hoogte van de opgelegde boete buitenproportioneel.

3. In het geding is allereerst de vraag of de plaats waar het betreffende voertuig zich bevond als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 dient te worden aangemerkt, en zodoende of de bepalingen bij of krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn en de verbalisant bevoegd was de onderhavige sanctie op te leggen.

4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet onder "wegen" worden verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.”

5. Beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is echter de vraag of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1997, LJN ZD0686 gepubliceerd in VR 1998, 2).

6. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt voor zover hier van belang in dat het voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart stond geparkeerd op een voor het openbaar verkeer openstaande weg.

7. In het midden latend of sprake is van eigen terrein van het 't Brewinc, overweegt het hof dat hetgeen is aangevoerd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond, feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Gesteld noch gebleken is dat de rechthebbende zich op kenbare wijze, bijvoorbeeld door de borden "verboden toegang" en "eigen weg", het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494). Het voorgaande in aanmerking genomen moet de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond, worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden.

8. Ten aanzien van het subsidiaire punt overweegt het hof dat in een Wahv-procedure niet de juistheid van besluiten van de wegbeheerder of van verkeersbesluiten worden getoetst. De Wahv ziet immers uitsluitend op de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften. In de onderhavige procedure staat uitsluitend de vraag ter beoordeling of de sanctie terecht is opgelegd en voorts of de in het beroep aangevoerde omstandigheden aanleiding geven tot matiging van de sanctie dan wel tot het oordeel dat die omstandigheden het opleggen van een sanctie niet billijken. Tegen een verkeersbesluit van de wegbeheerder, onder meer inzake plaatsing van verkeerstekens, kan ingevolge artikel 20 van de WVW 1994 door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de rechtbank.

9. Het hof is voorts niet gebleken dat sprake is van conflicterende bebording. Kennelijk is bij de ingang van het terrein een bord E1 geplaatst. Bord E1 geeft een algeheel parkeerverbod aan waarop artikel 65, derde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een uitzondering geeft, inhoudende dat mag worden geparkeerd op daartoe bestemde weggedeelten. Op het terrein zijn dergelijke weggedeelten aangebracht in de vorm van een drietal parkeervakken die onderhevig zijn aan de werking van bord E6. Het hof verwerpt het meer subsidiaire standpunt van de gemachtigde.

10. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat gemachtigde niet ontkent dat het voertuig van de betrokkene zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats, staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de gemachtigde omschreven feiten en omstandigheden aanleiding geven om de sanctie desondanks ongedaan te maken.

11. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

12. Ten aanzien van het verweer van de betrokkene dat sprake is van willekeur overweegt het hof het volgende. Ambtenaren beschikken over een discretionaire bevoegdheid op grond waarvan zij een zekere vrijheid hebben om te bepalen of zij in een concreet geval al dan niet een sanctie opleggen. De enkele omstandigheid dat aan andere weggebruikers om welke reden dan ook geen sanctie wordt opgelegd, brengt niet mee dat de betrokkene, die de gedraging heeft verricht, daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene is alleen sprake als zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vlg. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is niet gebleken.

13. Met betrekking tot het standpunt van de gemachtigde dat het bedrag van opgelegde sanctie disproportioneel hoog is, overweegt het hof als volgt. De hoogte van de onderhavige sanctie op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. In Wahv-zaken staat het de rechter derhalve in het algemeen niet vrij zich een oordeel te vormen omtrent de hoogte van de door de wetgever vastgestelde tarieven. Dat brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts in het geval van bijzondere omstandigheden waardoor de opgelegde sanctie evident in geen verhouding meer staat tot de ernst van de gedraging bestaat aanleiding voor het matigen van het bedrag van de sanctie. Daarvan is niet gebleken.

14. Gelet op het vorenstaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing gegeven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.