Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8506

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.250.260/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemachtigde heeft geen administratief beroep willen instellen tegen de inleidende beschikking. De gemachtigde heeft verzocht om de inleidende beschikking in te trekken, gelet op de omstandigheid dat de bestuurder bekend is en zich verantwoordelijk heeft gesteld voor (betaling van) de sanctie. Dit kan niet worden opgevat als het instellen van administratief beroep tegen de inleidende beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.250.260/01

CJIB-nummer

: 193217947

Uitspraak d.d.

: 15 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 27 september 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.

2. Het hof stelt het volgende vast. De stukken van het dossier bevatten een schrijven van de gemachtigde van betrokkene d.d. 25 januari 2018, gericht aan en ontvangen door de CVOM op diezelfde datum, waarin de gemachtigde aanvoert dat de bestuurder van het voertuig ten tijde van de gedraging al eerder contact heeft opgenomen en de snelheidsovertreding heeft erkend. Het bevreemdt de betrokkene dan ook dat zij thans als kentekenhouder wordt aangesproken tot betaling van de sanctie en de daarop inmiddels toegepaste verhogingen. De gemachtigde verzoekt de CVOM in deze brief om tot ambtshalve herziening van de sanctie over te gaan en deze op te leggen aan de bestuurder van het voertuig, de heer [D] .

3. De CVOM heeft dit schrijven aangemerkt als administratief beroepschrift en als zodanig in behandeling genomen. Hierop is een beslissing van de officier van justitie gevolgd d.d.
8 februari 2018 inhoudende niet-ontvankelijkverklaring van het administratief beroep, omdat het beroep niet tijdig is ingesteld. De kantonrechter heeft het beroep tegen deze beslissing vervolgens ongegrond verklaard, op grond van de overweging dat de officier van justitie een juiste beslissing heeft genomen.

4. In hoger beroep wordt door de gemachtigde aangevoerd dat de heer [D] in reactie op de aan de betrokkene uitgevaardigde inleidende beschikking kenbaar heeft gemaakt dat hij de bestuurder van het voertuig was. De zaak is evenwel nimmer als een bezwaar c.q. verzet aangemerkt. Nadien is verschillende malen een verhoging opgelegd. Hierover is in het verleden meerdere malen gecorrespondeerd. Namens de betrokkene is vervolgens een verzoek gedaan tot ambtshalve herziening op grond van de omstandigheid dat de betrokkene ten tijde van de overtreding derhalve niet de feitelijk bestuurder was. Dit verzoek is ten onrechte aangemerkt als bezwaarschrift en vervolgens niet-ontvankelijk verklaard op grond van een termijnoverschrijding. De feitelijk bestuurder heeft overigens inmiddels ook het oorspronkelijke bedrag voldaan bij de zekerheidstelling voor de procedure bij de kantonrechter.

5. Het hof is op grond van de inhoud daarvan van oordeel dat de gemachtigde met het schrijven van 25 januari 2018 geen administratief beroep heeft willen instellen tegen de inleidende beschikking. De gemachtigde heeft de CVOM in deze brief kort gezegd verzocht om tot intrekking van de inleidende beschikking over te gaan, gelet op de omstandigheid dat de bestuurder bekend is en zich verantwoordelijk heeft gesteld voor (betaling van) de sanctie. Dit kan, in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie en de kantonrechter hebben gedaan, niet worden opgevat als het instellen van administratief beroep tegen de inleidende beschikking. De beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie kunnen dan ook niet in stand blijven en zullen worden vernietigd.

6. Nu evenmin is gebleken dat eerder administratief beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking - de gemachtigde heeft dit immers niet aannemelijk gemaakt - is het hof van oordeel dat geen administratief beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking.

7. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

8. Het hof merkt ten slotte op dat de brief van de gemachtigde d.d. 25 januari 2018 aan de CVOM zal worden geretourneerd met het verzoek dit schrijven in behandeling te nemen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verstaat dat geen administratief beroep is ingesteld;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af;

verzoekt de CVOM om het in de brief van 25 januari 2018 gedane verzoek van de gemachtigde in behandeling te nemen met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.