Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8429

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
200.259.968/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, Wwz. Ook hof oordeelt dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de kant van werkgeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.259.968/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, 7430689)

beschikking van 14 oktober 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. G.G. Kempenaars,

tegen:

Randstad Payroll Solutions B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster in het voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: Randstad,

advocaat: mr. J. M. Caro.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

14 februari 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift, ter griffie ontvangen op 14 mei 2019;

- de op 18 juni 2019 en 10 juli 2019 ontvangen aanvullingen op het procesdossier van eerste aanleg;

- het op 30 augustus 2019 ontvangen verweerschrift met producties;

- de op 9 september 2019 ontvangen producties 1 tot en met 9 van [verzoekster] ;

- de op 10 september 2019 ontvangen productie 10 van [verzoekster] ;

- de op 20 september 2019 gehouden mondelinge behandeling waarbij hiervoor niet vermelde, kort voor de zitting ontvangen, producties zijn geweigerd en waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald op 4 november 2019 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoekster] heeft het hof verzocht de bestreden beschikking van 14 februari 2019 te vernietigen en, kort weergegeven,

primair de ontbinding alsnog af te wijzen;

subsidiair Randstad te veroordelen tot betaling van:

- € 9.227,- bruto aan transitievergoeding en

- € 55.800,- bruto aan billijke vergoeding,

te vermeerderen met wettelijke rente;

een en ander met veroordeling van Randstad in de proceskosten;

althans te beslissen zoals het hof billijk en juist acht.

3 De feiten

3.1

In hoger beroep staat tussen partijen het volgende vast.

3.2

[verzoekster] is geboren [in] 1977. Zij is vanaf 12 april 2010 werkzaam via en voor Randstad, laatstelijk als secretaresse voor 36 uur per week.

3.3

Op 17 april 2015 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld. Op 4 januari 2017 heeft [verzoekster] zich hersteld gemeld, maar op 12 april 2017 heeft zij zich wegens nieuwe medische klachten wederom volledig ziek gemeld.

De bedrijfsarts heeft op 17 november 2017 een bijstelling van de probleemanalyse en het plan van aanpak WIA opgesteld en daarin geconcludeerd dat [verzoekster] niet hersteld is geweest in de periode van januari 2017 tot april 2017. Verder is daarin vermeld dat terugkeer in het eigen werk nog steeds niet haalbaar is op basis van de in 2015 gestelde beperkingen die nu nog van toepassing zijn. [verzoekster] is dus al meer dan 104 weken arbeidsongeschikt. Aan [verzoekster] is aangeraden een WIA aanvraag te doen.

3.4

Randstad heeft toegezegd de loondoorbetaling vooralsnog niet stop te zetten indien [verzoekster] uiterlijk op 1 december 2017 de WIA-aanvraag heeft ingediend. Dat heeft [verzoekster] , die werd bijgestaan door een gemachtigde, niet gedaan. De gemachtigde heeft Randstad wel aangeschreven tot betaling van achterstallig loon, aan welke terechte aanspraak Randstad binnen korte tijd gehoor heeft gegeven onder vergoeding van 50% wettelijke verhoging en betaling van het salaris van de gemachtigde.

Randstad heeft per 15 december 2017 de loonbetaling aan [verzoekster] gestaakt.

3.5

Op 22 maart 2018 heeft [verzoekster] een deskundigenoordeel gevraagd over de re-integratieverplichtingen van de werkgever. Op 20 april 2018 heeft het UWV geoordeeld dat Randstad voldoende meewerkt. De arbeidsdeskundige heeft opgemerkt dat Randstad ook na de periode van 104 weken bereid is [verzoekster] te ondersteunen door haar een consult aan te bieden bij een andere bedrijfsarts, hetgeen volgens Randstad stagneert omdat [verzoekster] weigert toe te staan dat de oude en de nieuwe bedrijfsarts medische informatie uitwisselen.

3.6

Gedurende de arbeidsovereenkomst zijn diverse loonbeslagen op het loon van [verzoekster] gelegd. Eind oktober 2017 heeft [verzoekster] haar huurwoning moeten ontruimen.

Tijdens de ziekteperiode van [verzoekster] is door collega’s geklaagd over door [verzoekster] geuite bedreigingen, terwijl de bedrijfsarts heeft verzocht dat [verzoekster] haar niet meer buiten kantoortijden belt, ook niet op het privénummer van de bedrijfsarts.

[verzoekster] heeft per e-mail van 18 april 2018 bericht dat zij aangifte gaat doen tegen Randstadmedewerkers en twee bedrijfsartsen wegens onder meer fraude, smaad, laster en schending van het beroepsgeheim.

3.7

In een brief van 25 juni 2018 heeft Randstad laten weten dat zij nog geen reactie had ontvangen op een concept voorstel over de ook door [verzoekster] gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ook schrijft Randstad dat zij geen nieuwe afspraak maakt over dossierinzage, gelet op wat daarvoor in het verleden al is ondernomen.

3.8

Na de beschikking van de kantonrechter heeft [verzoekster] een Ziektewetuitkering ontvangen.

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

Randstad heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding waarvoor geen oplossing bereikt is. Herplaatsing ligt niet in de rede. Volgens Randstad heeft [verzoekster] ernstig verwijtbaar gehandeld zodat geen rekening gehouden hoeft te worden met de opzegtermijn. Randstad verzocht ook te bepalen dat [verzoekster] geen recht heeft op de transitievergoeding en haar te veroordelen in de proceskosten.

4.2

[verzoekster] is in persoon verschenen. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij “er klaar mee” is en dat de kwestie haar 2,5 jaar van haar leven heeft gekost waarvoor zij gecompenseerd wil worden. Volgens de kantonrechter heeft [verzoekster] om de transitievergoeding en een billijke vergoeding verzocht.

4.3

De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat voortzetting niet langer van Randstad gevergd kan worden en dat herplaatsing niet in de rede ligt, omdat beide partijen geen toekomst zien in samenwerking. Van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] is geen sprake, zodat wordt ontbonden met ingang van 1 april 2019 en Randstad de transitievergoeding van € 9.227,- bruto moet betalen.

Van ernstig verwijtbaar handelen van Randstad is niet gebleken zodat voor een billijke vergoeding geen plaats is.

De proceskosten zijn gecompenseerd.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoekster] heeft één grief opgeworpen tegen de bestreden beschikking, waarmee zij betoogt dat haar ten onrechte geen billijke vergoeding is toegekend.

Daartoe stelt zij primair dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte is ontbonden en dat zij geen herstel wenst, maar een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW. Mocht wel terecht zijn ontbonden, dan komt dat omdat Randstad zich ernstig verwijtbaar jegens haar heeft gedragen (artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder c BW).

De verzochte vergoeding van € 55.800,- bruto bestaat uit een jaar loon (omdat ten onrechte geen loon is betaald met een beroep op 104 weken arbeidsongeschiktheid) vermeerderd met een vergoeding ter hoogte van 6 maanden loon, gelet op het aantal dienstjaren.

5.2

Dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte is ontbonden, onderbouwt [verzoekster] met de stelling dat Randstad heeft aangestuurd op het arbeidsconflict en zich niet daadwerkelijk heeft gehouden aan haar verplichtingen. Volgens [verzoekster] heeft Randstad ook aangestuurd op het oordeel van de bedrijfsarts dat sprake was van een doorlopende ziekteperiode, als gevolg waarvan na twee jaar een einde kwam aan de loondoorbetalingsplicht en zij financiële problemen kreeg en haar huis uit moest. Randstad heeft geen maatschappelijk werk ingeschakeld of mediation voorgesteld. Van Randstad had ook meer inspanning verwacht mogen worden om tot herplaatsing te komen, aldus [verzoekster] .

Randstad heeft deze stellingen betwist.

5.3

Het hof gaat uit van het medische oordeel van de bedrijfsarts over de voortduring van de arbeidsongeschiktheid begin 2017. Daar staat immers geen ander oordeel van een op dat gebied deskundige tegenover.

Nog afgezien van de overige inhoud van het procesdossier volgt uit de stellingen van [verzoekster] in hoger beroep dàt er sprake was van een arbeidsconflict. Dat bleek ook al uit haar uitlating tijdens de zitting bij de kantonrechter (zie onder 4.2). In het kader van de vraag of sprake was van een zodanig verstoorde verhouding dat voortzetting in redelijkheid niet van Randstad gevergd kon worden, spelen de over en weer gemaakte verwijten een rol.

Randstad heeft verwezen naar documenten uit het re-integratiedossier (producties 5A tot en met 5C bij verzoekschrift in eerste aanleg) waaruit blijkt dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan en wel degelijk hulp en extra interventie heeft aangeboden, onder andere om rust te brengen op het onstabiele privévlak van [verzoekster] . Dit is door haar afgewezen of slechts gedeeltelijk benut. Daarnaast heeft Randstad erop gewezen dat zij [verzoekster] ervan heeft weerhouden zelf ontslag te nemen. Ook heeft Randstad een aantal voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt door gedrag van [verzoekster] , zoals een incident waarbij [verzoekster] uiteindelijk onder politiebegeleiding een pand van Randstad heeft verlaten (productie 32 bij verzoekschrift in eerste aanleg).

[verzoekster] heeft dit niet gemotiveerd betwist.

Herplaatsing lag, gelet op bovenstaande, niet in de rede. Het hof laat dan nog daar dat sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid.

Al met al heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden op de g-grond.

Aan het beroep op een billijke vergoeding in het kader van artikel 7:683 lid 3 BW komt het hof dan ook niet toe.

5.4

Het hof komt evenmin tot het oordeel dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Randstad. Voor zover de weigering van Randstad in juni 2017 om een laptop ter beschikking te stellen aan [verzoekster] al heeft bijgedragen aan de ernstige verstoring van de arbeidsverhouding, is dat Randstad niet ernstig verwijtbaar. [verzoekster] heeft niet onderbouwd dat Randstad verplicht was dergelijke apparatuur beschikbaar te stellen bij uitzending van een werknemer. De financiële problemen van [verzoekster] bestonden al voordat Randstad uiteindelijk na meer dan 104 weken de loonbetaling staakte en de ontruiming van haar woning heeft eerder plaatsgevonden. Juist is wel dat Randstad kennelijk voordat [verzoekster] arbeidsongeschikt raakte, enige tijd te weinig loon heeft uitbetaald (niet de inlenersbeloning). Dat heeft Randstad echter, na daartoe te zijn aangesproken door de voormalige gemachtigde van [verzoekster] , voortvarend rechtgezet waarbij zij onverkort de wettelijk verhoging heeft toegepast. De overigens door [verzoekster] in dit verband naar voren gebrachte omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd. Met name is niet komen vast te staan dat Randstad zich niet aan haar verplichtingen als goed werkgever heeft gehouden en bewust heeft aangestuurd op een arbeidsconflict.

De hoge lat van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Randstad wordt niet gehaald.

5.5

De grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding ontbreekt. Het hoger beroep wordt verworpen en [verzoekster] wordt, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Randstad bepaald op € 741,- griffierecht en het salaris van haar advocaat volgens liquidatietarief (2 punten bij tarief II, € 1.074,- per punt), te vermeerderen met nasalaris zoals verzocht.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Randstad bepaald op € 741,- griffierecht en € 2.148,- salaris advocaat volgens liquidatietarief alsmede € 157,- nasalaris met bepaling dat dit bedrag wordt verhoogd met € 82,- in het geval [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E.L. Fikkers, W.C. Haasnoot en W.F. Boele en is in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2019.