Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8426

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
21-000814-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht de ten laste gelegde woninginbraak bewezen. Anders dan de rechtbank, die verdachte daarvan heeft vrijgesproken, acht het hof het door de verdachte eerst ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren gebrachte alternatieve scenario niet aannemelijk of geloofwaardig.

Het hof acht de omstandigheden waaronder verdachte werd aangehouden - gelet op de zeer nabijgelegen plaats delict, het feit dat hij de aldaar gestolen goederen in zijn bezit had en getracht heeft zich daarvan te ontdoen - uiterst belastend. Het ontzenuwen van de redengevendheid van dit belastend bewijs van betrokkenheid van verdachte bij de inbraak vraagt om een heldere en verifieerbare verklaring. De door verdachte afgelegde verklaring voldoet daar niet aan. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot immateriële schadevergoeding, nu wet (artikel 6:106:, lid 1 BW) noch jurisprudentie een basis biedt voor toekenning van de ten gevolge van een vermogensdelict, waaronder een woninginbraak, geleden immateriële schade, behoudens zeer bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000814-18

Uitspraak d.d.: 14 oktober 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2018 met parketnummer 16-212467-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, bewezenverklaring van de ten laste gelegde woninginbraak, in vereniging begaan, en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de onder verdachte inbeslaggenomen schroevendraaier zal teruggeven aan verdachte, zijn inbeslaggenomen schoenen verbeurd zal verklaren en de overige in beslaggenomen goederen zal bewaren ten behoeve van de rechthebbende. De advocaat-generaal heeft ten slotte gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen. De vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. C.C.J. Tuip, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van de hem ten laste gelegde woninginbraak, in vereniging begaan, de onder hem inbeslaggenomen schroevendraaier verbeurd verklaard en de vordering van de benadeelde partij afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 oktober 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, omstreeks 05:15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning (gelegen aan de [adres 2] ), alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen onder andere

- een autosleutel (merk Ford) en/of

- een spaarpot en/of

- een envelop met daarin verschillende valuta en/of

- diverse (gouden en/of zilveren) sieraden,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of dat geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs voor het ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet tezamen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak. Verdachte heeft zich ten overstaan van verbalisanten beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij een verklaring afgelegd, aan te merken als een alternatief scenario, op grond waarvan de politierechter hem heeft vrijgesproken. De officier van justitie is daarvan in hoger beroep gekomen.

Feiten en omstandigheden

Op 25 oktober 2017, omstreeks 05.15 uur, zien verbalisanten een scooter staan op het skatepark, behorend bij het [park] , te [plaats] . Het kenteken wordt nagetrokken. De scooter blijkt toe te behoren aan verdachte [verdachte] . Hij komt voor in politieregistraties van 'verdachte situaties'. Verbalisanten achten de mogelijkheid reëel dat de scooter daar stond met het doel snel weg te kunnen rijden na een inbraak in één van de nabijgelegen woningen. Zij besluiten te 'posten'. Om 05.55 uur komt verdachte aanlopen, donker gekleed en met een capuchon op. Hij opent de buddyseat en sluit deze weer. Hij start de scooter en rijdt weg. Verbalisanten rijden achter hem aan en geven hem op grond van de controlebevoegdheid, opgenomen in de Wegenverkeerswet 1994, een stopteken. Verdachte geeft daaraan geen gehoor. Verbalisanten zien dat hij een gele plastic tas over een hek rondom een bouwplaats gooit. Vervolgens rijden zij verdachte klem. Hij legitimeert zich als [verdachte] . In de plastic tas blijken zich geld, sieraden en een kinderspaarpotje te bevinden. In de jaszak van verdachte wordt een autosleutel aangetroffen, afkomstig van een Ford. Verdachte wordt aangehouden.

Later die ochtend blijkt dat er is ingebroken in een nabij het [park] gelegen woning, te weten de [adres 2] . Deze woning bevindt zich op ongeveer 50 meter afstand van de geparkeerde scooter. De bewoners, afwezig ten tijde van de inbraak, beschikken over een Ford. De door hen overgelegde reservesleutel is identiek aan de in de fouillering van verdachte aangetroffen sleutel. De Ford blijkt te reageren op de onder verdachte aangetroffen sleutel. Verdachte heeft bij zijn aanhouding verklaard dat de sleutel hem toebehoort en, even later op het politiebureau, dat de sleutel afkomstig was van de auto van zijn ouders. Uit de geraadpleegde systemen blijkt echter dat de ouders van verdachte niet over een Ford, maar over een Volkswagen Golf beschikken. De in de gele tas aangetroffen goederen worden door aangevers herkend als hun eigendom en betreffen dus – zogezegd – de buit van de woninginbraak.

Alternatief scenario

Zoals gezegd heeft verdachte zich bij zijn politieverhoren volledig op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting van de politierechter van 25 januari 2018, herhaald ter terechtzitting van het hof van 30 september 2019, heeft verdachte het navolgende verklaard.

Hij heeft die nacht tot ongeveer 02.00 uur gewerkt bij restaurant [restaurant] aan het [straat] te [plaats] . Tijdens zijn dienst was 'een vriend' langsgekomen met de vraag of hij verdachtes scooter die avond mocht lenen. Dat mocht. Verdachte had deze immers tijdens zijn werk niet nodig. Na beëindiging van zijn werkzaamheden zegt verdachte te voet naar de vriend te zijn gegaan. Deze zou nabij de Lidl in de [wijk] wonen. In diens woning hebben zij enkele uren computerspelletjes gespeeld. Als verdachte naar huis wil gaan, zegt de vriend hem dat hij zijn, verdachtes, scooter niet bij zijn woning heeft geparkeerd maar in het eerdergenoemde skatepark en tevens dat in de buddyseat een plastic zak zit. De vriend zou hem hebben verzocht deze zak voor hem te bewaren.

Desgevraagd door het hof heeft verdachte verklaard weliswaar niet blij te zijn geweest met deze gang van zaken, maar weinig keus te hebben gehad. Verdachte zou zich enigszins bedreigd hebben gevoeld door de vriend, ook vanwege zijn wetenschap omtrent het soort vrienden van die vriend. Op vragen van verdachte over de inhoud van de tas zou de vriend hebben geantwoord dat het hem, verdachte, 'niks aanging'.

Verdachte begeeft zich vervolgens, opnieuw te voet, naar zijn in het skatepark geparkeerde scooter. Hij ziet dat de buddyseat zo'n 10 tot 20 cm openstaat. Hij opent deze geheel en plaatst de zich daarin bevindende plastic zak, zonder kennis te nemen van de inhoud, vóór zich op de scooter, opdat de buddyseat kan worden gesloten. Bovenop de plastic tas ligt een (auto)sleutel. Die stopt verdachte in zijn jaszak.

Verdachte rijdt weg. Als hij merkt dat hij door de politie wordt gevolgd, legt hij direct een verband met de plastic zak. Hij gooit deze in paniek over een het genoemde hek. Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij de woninginbraak. De identiteit van 'de vriend' wil hij niet prijsgeven.

Het oordeel van het hof

Het hof acht de omstandigheden waaronder verdachte werd aangehouden - gelet op de zeer nabijgelegen plaats delict, het feit dat hij de aldaar gestolen goederen in zijn bezit had en getracht heeft zich daarvan te ontdoen - uiterst belastend. Het ontzenuwen van de redengevendheid van dit belastend bewijs van betrokkenheid van verdachte bij de inbraak in de woning vraagt om een heldere en verifieerbare verklaring, die het hof tot het oordeel kan brengen dat het scenario van verdachte aannemelijk of geloofwaardig is.

Verdachte heeft tijdens een tweetal politieverhoren geweigerd te verklaren. De door hem eerst maanden later afgelegde verklaring, zoals hiervoor weergegeven, is naar het oordeel van het hof niet alleen oncontroleerbaar maar ook intrinsiek ongeloofwaardig, daarbij mede in aanmerking nemende dat verdachte de naam van 'de vriend' noch nadere bijzonderheden over zijn adres/verblijfplaats wenst te noemen. De impliciete suggestie van verdachte als zou 'de vriend' de inbraak hebben gepleegd, al dan niet tezamen met anderen, is gespeend van iedere logica. Immers, de scooter met de buit, zou in dat geval urenlang met open buddyseat in de nachtelijke uren, onbeheerd in het skatepark hebben gestaan.

Uit het dossier blijkt voorts dat er die nacht veelvuldig appberichtjes zijn gewisseld tussen verdachte enerzijds en ene ' [naam 1] ' en ene ' [naam 2] ' anderzijds. Na 06.00 uur die ochtend, het tijdstip van de aanhouding van verdachte, heeft ' [naam 1] ' meermalen vergeefs contact gezocht met verdachte. De toonzetting daarvan verraadt enige ongerustheid. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat [naam 1] noch [naam 2] noch enig ander in het dossier genoemde naam 'de vriend' betreffen. Het hof stelt vast dat verdachte geen aannemelijke verklaring voor bedoelde appcontacten heeft en deze bovendien niet passen in de door hem gegeven lezing van de loop der gebeurtenissen.

Het hof stelt voorts vast dat verdachte over de herkomst van de autosleutel tot tweemaal toe niet de waarheid heeft gesproken. Ook over de aanwezigheid van de schroevendraaier - welk gereedschap overigens niet gebruikt is bij de woninginbraak - heeft hij wisselend verklaard.

Alles afwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de woninginbraak heeft begaan. Het hof baseert dit - naast de aangifte - op de door verbalisanten geconstateerde feiten en omstandigheden, voorafgaande aan zijn aanhouding in de directe omgeving van de plaats delict onder de beschreven belastende omstandigheden en het ontbreken van een aannemelijke en verifieerbare verklaring van de zijde van verdachte.

Hoewel er aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van een of meer anderen bij de woninginbraak acht het hof het voorhanden zijnde bewijsmateriaal, anders dan de advocaat-generaal, niet toereikend voor een bewezenverklaring van dat deel van de tenlastelegging.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat - gelet op de kennelijke afwezigheid van de bewoners vanaf 23 oktober 2019 - niet vaststaat wanneer de woninginbraak is gepleegd, hetgeen andere opties openlaat, gaat het hof uit van de waarneming van een buurtbewoner die in de nacht van 25 oktober 2019 rond 04.30 uur klopgeluiden heeft gehoord, komend uit de richting van de betreffende vrijstaande woning de [adres 2] . Ook die expliciete waarneming ondergraaft de door verdachte gegeven lezing voor wat betreft de tijdlijn in die nacht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 oktober 2017 te [plaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen onder andere

- een autosleutel (merk Ford) en

- een spaarpot en

- een envelop met daarin verschillende valuta en

- diverse sieraden,

toebehorende aan [benadeelde] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. De toedracht daarvan is reeds uiteengezet in de voorgaande overwegingen omtrent het bewijs. Uit de aangifte en uit hetgeen door verbalisanten is waargenomen blijkt dat een raam aan de achterzijde met een werktuig is geforceerd en de woning vervolgens zeer grondig is doorzocht. Alle laden en kastdeuren stonden open. De echtelijke slaapkamer van de bewoners 'lag geheel overhoop'. De vlizotrap naar de zolder was naar beneden gehaald. De in een opbergmand op die zolder verborgen sieraden waren weggenomen. In de woonkamer bevonden zich vele meters afgerold closetpapier.

Het spreekt voor zich dat een dergelijke inbreuk op de privacy van aangevers, een al wat ouder echtpaar, zijn weerslag heeft op hun gevoel van veiligheid in de eigen woning. Daarnaast valt het verdachte aan te rekenen dat hij hen heeft aangetast in hun bezittingen.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een passende afdoening voor een woninginbraak. De advocaat-generaal heeft overeenkomstig gevorderd. Door de raadsman is - subsidiair, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen - verzocht om toepassing van een andere strafmodaliteit dan gevangenisstraf. De raadsman heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop en het feit dat verdachte op positieve wijze doende is met studie en werk. Vrijheids-beneming zou daarvoor de nodige gevolgen hebben.

Het hof overweegt hierover het navolgende. In deze zaak is tot een bewezenverklaring gekomen, ondanks verdachtes ontkenning van zijn betrokkenheid bij het ter beoordeling staande feit. Het hof stelt daarmee tevens vast dat zich - hoe dan ook - de situatie voordoet dat verdachte niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor de woninginbraak. Getoond besef van verantwoordelijkheid en inzicht in de strafwaardigheid kunnen onder omstandigheden voor de rechter aanleiding zijn tot enige mildheid. Strafoplegging heeft immers mede ten doel de verdachte tot inkeer te brengen, welk strafdoel bij het aanvaarden van verantwoordelijkheid door de dader aan gewicht zou kunnen inboeten. In het geval van verdachte is dat doel echter (nog) niet bereikt. Voor clementie om die reden bestaat dan ook geen aanleiding.

Vorenstaande overwegingen brengen mee dat het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden acht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 300,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen, nu de politierechter verdachte heeft vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het zogeheten voegingsformulier blijkt dat de vordering ziet op de ten gevolge van de bewezenverklaarde woninginbraak geleden immateriële schade. Het hof stelt vast dat wet (artikel 6:106:, lid 1 BW) noch jurisprudentie een basis bieden voor toekenning van de ten gevolge van een vermogensdelict, waaronder een woninginbraak, geleden immateriële schade, behoudens zeer bijzondere omstandigheden. Daarbij moet gedacht worden aan psychisch letsel dat aanzienlijk verder gaat dan 'enkel' psychisch onbehagen. Zonder afbreuk te doen aan de ingrijpende (ook) immateriële gevolgen van een dergelijk feit, stelt het hof vast dat daarvan in deze zaak onvoldoende blijkt.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering, daarom en tevens gelet op het door de raadsman ook op dit punt gevoerde verweer, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een schroevendraaier (G212467);

- een paar schoenen (G2065584).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een stk toiletartikel (G2065831);

- een stk ruitjespapier (G2065833).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 14 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.