Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8412

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
WAHV 200.255.542
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Legitimatieplicht ambtenaren. Gelet op artikel 2, sub b, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, dienden de ambtenaren zich slechts te legitimeren als daarom werd verzocht. Dat daarom is verzocht, is niet gebleken. Dat de ambtenaren zich niet hebben gelegitimeerd betekent overigens op zichzelf niet dat eraan moet worden getwijfeld dat de verklaring in het zaakoverzicht afkomstig is van de ambtenaren die de betrokkene hebben staande gehouden. Uit het zaakoverzicht en de aanvullende processen-verbaal blijkt dat de ambtenaren de staande houding hebben verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.255.542

14 oktober 2019

CJIB 215711409

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 14 januari 2019

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De zaak is behandeld op de zitting van 30 september 2019. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door

mr. [D] .

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de hoorplicht is geschonden en de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat om het horen moet worden verzocht. Op de inleidende beschikking stond geen informatie over het horen, zodat de betrokkene er niet op is gewezen dat hij moest aangeven gehoord te willen worden. De gemachtigde verwijst naar het arrest van het hof van 24 januari 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:626.

2. Artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de officier van justitie de mogelijkheid om van het horen af te zien wanneer de indiener van het beroepschrift niet binnen een door de officier van justitie gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

3. Uit het dossier blijkt niet dat de betrokkene, die administratief beroep heeft ingesteld, een termijn is gegeven waarbinnen hij kon verzoeken om te worden gehoord. De inleidende beschikking bevat geen informatie meer omtrent het horen, zodat de in artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb, geformuleerde grond om van het horen af te zien hier geen toepassing heeft. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Gelet daarop had de officier van justitie er niet van mogen afzien de betrokkene uit te nodigen voor een hoorzitting. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, net als – met gegrondverklaring van het beroep daartegen – de beslissing van de officier van justitie.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 3 april 2018 om 11:28 uur op de Kayersdijk te Apeldoorn met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

5. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet is verricht. Er zijn allereerst geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de gedraging is verricht. Daarnaast heeft de betrokkene bij de staandehouding gelijk verklaard niet door rood te zijn gereden en blijkt uit de stukken ook niet dat een rood uitstralend verkeerslicht is gepasseerd: slechts blijkt uit het aanvullende proces-verbaal dat met het voertuig bij een rood verkeerslicht voorbij de stopstreep is gereden. Uit het zaakoverzicht blijkt in het geheel niet dat het rode licht is gepasseerd. Verder is niet gebleken dat de ambtenaar bevoegd is en dat zijn certificaten in orde zijn. Ook heeft de ambtenaar nagelaten zich te legitimeren. Uit de aanvullende verklaringen van de ambtenaren blijkt niet dat zij daar niet om zijn gevraagd: zij verklaren immers slechts dat het hen bekend is dat zij zich niet hoeven te legitimeren indien daar niet om is verzocht. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld of de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht wel daadwerkelijk van deze ambtenaar afkomstig is. De gemachtigde stelt zich eveneens op het standpunt dat indien vast komt te staan dat de gedraging wel is verricht, stoppen niet meer mogelijk was vanwege de relatief te korte geeltijd. De gedraging is in dat geval niet verwijtbaar.

6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens met betrekking de oplegging van de sanctie, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"Ik, verbalisant [E] , bevond mij op 03 maart 2018 omstreeks 11.28 uur op de Kayersdijk ter Apeldoorn. Ik, verbalisant, was op dit tijdstip belast met de incidentenafhandeling in Apeldoorn en was daartoe in uniform gekleed. Wij, verbalisanten [E] en [F] reden in een opvallend dienstvoertuig. Ik, verbalisant [E] , bevond mij omstreeks 11:28 uur op de Kayersdijk ter hoogte van de verkeerslichten met de Laan van Malkenschoten. Ik zag dat een voertuig, dat later een zwarte Mercedes-Benz met kenteken [YY-000-Y] bleek te zijn, stilstond op de Kayersdijk. Ik zag dat het voertuig links voorgesorteerd stond om de Lange Amerikaweg in te slaan. Ik, verbalisant [E] , zag dat het verkeerslicht een rode kleur uitstraalde. Ik had vrij zicht op het verkeerslicht. Ik zag dat de zwarte Mercedes-Benz optrok terwijl het rode verkeerslicht nog steeds rood uitstraalde. Wij, verbalisanten [E] en [F] , gaven betrokkene een stopteken en verbaliseerden hem voor het negeren van het rode verkeerslicht."

8. In het dossier bevindt zich tevens een op 12 juni 2018 op ambtsbelofte opgemaakt aanvullend proces-verbaal. Daarin is onder meer het volgende verklaard:

"Ik, verbalisant [E] , zag dat het voertuig met kenteken [YY-000-Y] uit stilstand optrok. Ik zag dat het verkeerslicht nog steeds rood uit straalde. Ik zag dat het voertuig met kenteken [YY-000-Y] voorbij de stopstreep reed. Ik zag dat het verkeerslicht nog steeds rood licht uitstraalde. Ik zag dat het voertuig met kenteken [YY-000-Y] linksaf de Lange Amerikaweg in sloeg. Ik, verbalisant [E] , vroeg aan mijn collega, verbalisant [F] , of zij ook had gezien dat het zwarte voertuig door het rode verkeerslicht reed. Ik hoorde dat mijn collega, verbalisant [F] , hierop 'Ja dat zag ik' antwoordde. (…). Ik, verbalisant [E] , lees in het bezwaarschrift van de heer [betrokkene] dat ik, verbalisant [E] , niet bevoegd zou zijn. Echter ben ik, verbalisant [E] , volgens artikel 2 van de Politiewet 2012 aangesteld als ambtenaar van de politie. Gelet op artikel 2.3 van het Opleidings en Examen Reglement (OER) ben ik bevoegd tijdens mijn praktijkperiodes. Ik, verbalisant [E] , lees in het bezwaarschrift van de heer [betrokkene] dat wij ons niet gelegitimeerd hebben. Het is mij, verbalisant [E] , bekend dat wij ons, overeenkomstig Artikel 2B Politieweg 2012, niet hoeven te legitimeren als dit niet nadrukkelijk aan ons gevraagd wordt. Wij, verbalisanten [E] en [F] , traden immers in herkenbaar politie uniform op."

9. In het dossier bevindt zich daarnaast een op 25 mei 2019 op ambtsbelofte opgemaakt aanvullend proces-verbaal. Daarin is onder meer het volgende verklaard:

"Kunt u aangeven of het voertuig het rode verkeerslicht is gepasseerd?

Ik, verbalisant [E] , was de bestuurder van het dienstvoertuig. Ik stond achter het genoemde voertuig. Het genoemde voertuig was het eerst wachtende voertuig voor het rode verkeerslicht. Wij, verbalisanten, waren het tweede voertuig achter het verkeerslicht. Ik zag dat het genoemde voertuig vanuit stilstand door het rode verkeerslicht reed. Ik zag dat het genoemde voertuig over de stopstreep en onder het verkeerslicht voor linksaf reed.

Hebben u beiden of een van u dit geconstateerd?

Wij, verbalisanten [E] en [F] , hebben beiden de overtreding waargenomen.

Heeft de betrokkene u gevraagd of u zich (of beide) wilde legitimeren?

Ik, verbalisant [E] , kan mij in verband met het verstrijken van de tijd niet herinneren of betrokkene heeft gevraagd of ik dan wel wij beiden ons wilden legitimeren. Het is mij, verbalisant [E] , bekend dat ik mij in uniform op verzoek moet legitimeren. Ik draag mijn politielegitimatiebewijs altijd bij mij in mijn uniform. Ik, verbalisant [E] , zie geen reden om mij niet te legitimeren indien mij daarom gevraagd wordt. Ik, verbalisant [F] , kan mij niet herinneren of betrokkene heeft gevraagd of ik mij kon legitimeren."

10. Het verweer omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar kan niet slagen. De enkele, niet onderbouwde stellingen van de gemachtigde omtrent de bevoegdheid van de ambtenaren vormen geen reden om te twijfelen aan hun bevoegdheid.

11. Niet is gebleken dat de ambtenaren zich hebben gelegitimeerd. Nu zij optraden in uniform, dienden zij, gelet op artikel 2, sub b, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, zich slechts te legitimeren indien daarom werd verzocht. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene de ambtenaren heeft verzocht zich te legitimeren. Zij waren daartoe dus ook niet verplicht. Dat zij zich niet zouden hebben gelegitimeerd, betekent overigens op zichzelf niet dat eraan moet worden getwijfeld of de verklaring in het zaakoverzicht afkomstig is van de ambtenaren die de betrokkene hebben staande gehouden. Uit het zaakoverzicht en de aanvullende processen-verbaal blijkt dat ambtenaren [E] en [F] de staandehouding hebben verricht. Het verweer faalt.

12. Uit de hierboven weergegeven verklaringen van de ambtenaren in onderling verband bekeken blijkt verder afdoende dat het voertuig van de betrokkene uit stilstand is opgetrokken, het rode licht is gepasseerd en vervolgens linksaf is geslagen. Dat in één van de aanvullende processen-verbaal is verklaard dat het voertuig voorbij de stopstreep reed terwijl het verkeerslicht rood uitstraalde, betekent niet dat het voertuig van de betrokkene vervolgens niet ook het rode licht heeft gepasseerd. Dit geldt temeer nu de ambtenaar in diezelfde verklaring, en eveneens in het tweede aanvullende proces-verbaal, expliciet verklaart dat hij heeft waargenomen dat het voertuig door het rode licht reed. Dat dit in het zaakoverzicht niet expliciet is genoemd, is daarom in dit geval niet van belang. Hetgeen de gemachtigde omtrent de gedraging verder aanvoert, te weten dat de betrokkene van meet af aan heeft verklaard niet door rood te zijn gereden, komt slechts neer op een enkele ontkenning van de gedraging. Daarin ziet het hof geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof stelt vast dat de gedraging is verricht.

13. Dat de sanctie ten onrechte zou zijn opgelegd, omdat de gedraging niet verwijtbaar is verricht, is niet aannemelijk geworden. Van weggebruikers wordt verwacht dat zij hun weggedrag zodanig afstemmen op verkeerssituaties en verkeerstekens, zoals een verkeerslicht, dat zij in staat zijn daarop tijdig te anticiperen. Gelet op artikel 62 jo. 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 moet voor een geel verkeerslicht worden gestopt, tenzij dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Aangenomen kan worden dat de geelfase van een verkeerslicht in het algemeen voldoende lang duurt om daarbinnen een voertuig veilig tot stilstand te brengen. Dat de geelfase onvoldoende was, is niet aannemelijk gemaakt.

14. Gelet hierop zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

15. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.