Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:84

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
WAHV 200.209.255
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berm of plantsoen/groenstrook? Voor de vraag of al dan niet sprake is van een berm, is de aanwezigheid van een trottoirband niet doorslaggevend. De kantonrechter heeft op goede gronden geoordeeld dat sprake was van een plantsoen of groenstrook.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.209.255

8 januari 2019

CJIB 176871495

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 8 december 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene om een dwangsom vast te stellen in verband met het niet tijdig nemen van een besluit door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.

Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken”, welke gedraging zou zijn verricht op

6 september 2013 om 14.05 uur op de Landsraderweg te Gulpen met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

2. De gemachtigde voert namens de betrokkene in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de betrokkene zijn voertuig heeft geparkeerd in een groenstrook. De gemachtigde stelt dat sprake is van een berm. Volgens de gemachtigde doet ter zake de vraag of er een trottoirband tussen de rijbaan en de wegkant ligt. De hoogte van een trottoirband is normaliter 20 centimeter of hoger, zodat voertuigen niet gemakkelijk het trottoir of de groenstrook op kunnen rijden. In het onderhavige geval is geen sprake van een trottoirband, maar van een molgoot waarbij het hoogteverschil tussen de rijbaan en het grasperk slechts enkele centimeters bedraagt. Er is dan ook geen duidelijke verhoogde trottoirband ter plaatse aanwezig, waardoor weggebruikers met gemak gebruik kunnen maken van de berm. Ter onderbouwing van dit betoog heeft de gemachtigde een foto van de situatie ter plaatse overgelegd. Voorts stelt de gemachtigde dat de kanonrechter ten onrechte het verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Indien het hof van oordeel is dat de beschikking in stand dient te blijven, vraagt de gemachtigde gelet op de lange duur van de procedure om matiging van het sanctiebedrag.

3. Anders dan de gemachtigde van de betrokkene lijkt te veronderstellen, is voor de vraag of al dan niet sprake is van een berm de aanwezigheid van een trottoirband niet doorslaggevend. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat het (ongeveer) driehoekige grasveldje in kwestie, gelet op het formaat daarvan, de daarin aangebrachte beplanting en de afgrenzing met de weg, niet als berm, maar als plantsoen of groenstrook moet worden aangemerkt.

4. Voorts heeft de gemachtigde in hoger beroep verzocht om de eerder ingediende bezwaren als ingelast te beschouwen. De gemachtigde heeft slechts volstaan met dit verzoek en heeft niet aangegeven dat en waarom de kantonrechter de ingediende bezwaren niet juist heeft beoordeeld. Met verwijzing naar het arrest van dit hof van 29 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2706) oordeelt het hof dat dit verzoek niet als een beroepsgrond kan worden beschouwd. Daarom kan in dit verzoek ook geen grond voor vernietiging van de beslissing van de kantonrechter worden gevonden.

5. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter kan in zoverre worden bevestigd.

6. De gemachtigde van de betrokkene heeft voorts aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.

7. De kantonrechter heeft het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat onvoldoende is gebleken dat er, kort gezegd, sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op 14 juni 2017 heeft het hof bepaald dat, nadat daarover nadere informatie door de gemachtigde is overgelegd, is gebleken dat onderhavige gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent (ECLI:NL:GHARL:2017:5028). Gelet hierop komen de gevraagde kosten, voor zover gemaakt in de procedure bij de kantonrechter, voor vergoeding in aanmerking. Dit brengt mee dat de kantonrechter het verzoek om een proceskostenvergoeding ten onrechte heeft afgewezen. Het hof zal de bestreden beslissing daarom in zoverre vernietigen en bepalen dat een proceskostenvergoeding wordt toegekend.

8. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 512,-.

9. Nu de gemachtigde in hoger beroep gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, komt het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten gemaakt in hoger beroep eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,-. Nu de gemachtigde slechts in het gelijk wordt gesteld voor hetgeen is aangevoerd omtrent de toekenning van de proceskostenvergoeding en voor het overige niet in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof aanleiding om wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak is zeer licht) toe te passen. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 128,-.

10. De gemachtigde stelt tot slot dat de redelijke termijn is geschonden en verzoekt om die reden de sanctie te matigen. Het hof heeft in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.

11. Het hof stelt vast dat in deze zaak in eerste aanleg de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt met die vaststelling volstaan.

12. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van in totaal € 640,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.