Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8396

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
200.256.551/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag bewindvoerder wegens gewichtige reden, o.a. gelegen in wijze van benoeming van de bewindvoerder en werkwijze, die verdere samenwerking verhinderde. Proceskostenveroordeling bewindvoerder nu het geschil de verhouding oude/nieuwe bewindvoerder lijkt te betreffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.256.551/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 7184681 BM VERZ 18-1388)

beschikking van 8 oktober 2019

inzake

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [A] ,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. T.A. Bruins te Aerdenhout,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. L.J.T. Hoksbergen te Zwolle.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de bewindvoerder] , handelend onder de naam [C],

postadres te [D] ,

verder te noemen: [de bewindvoerder] .

Als informant is aangemerkt:

[partner rechthebbende] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de partner (van de rechthebbende).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 14 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 20 maart 2019;

- het verweerschrift van de rechthebbende met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bruins van 29 maart 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bruins van 22 augustus 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn de heer [E] namens [verzoekster] , bijgestaan door mr. Bruins, en de rechthebbende, bijgestaan door mr. Hoksbergen. Tevens zijn verschenen de bewindvoerder en de partner van de rechthebbende.

3 De feiten

3.1

De kantonrechter te Zwolle heeft bij beschikking van 9 februari 2012 over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die toebehoren aan de rechthebbende een bewind in de zin van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ingesteld. Tot de bestreden beschikking was [verzoekster] bewindvoerder. Daarvóór was stichting [F] te [G] , ook handelende onder de naam [F] (hierna: [F] ), bewindvoerder.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 4 september 2018, heeft de rechthebbende verzocht om wijziging van de bewindvoerder.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter [verzoekster] ontslagen als bewindvoerder en [de bewindvoerder] , handelende onder de naam Spectrum Bewindvoering tot (opvolgend) bewindvoerder benoemd.

4.2

[verzoekster] is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. Zij

verzoekt de beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek alsnog af te wijzen.

4.3

De rechthebbende voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, waardoor [de bewindvoerder] bewindvoerder blijft en [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve. In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen zijn om [verzoekster] ontslag te verlenen.

5.2

[verzoekster] klaagt erover dat de rechtbank haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. Daargelaten of die klacht terecht is, leidt dat op zichzelf niet tot een vernietiging van de bestreden beschikking. De procedure in hoger beroep strekt er immers mede toe om eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. [verzoekster] heeft in hoger beroep de zaak in zijn geheel aan het hof voorgelegd, zodat de zaak opnieuw en in volle omvang beoordeeld kan worden en waarbij [verzoekster] in de gelegenheid is gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 14 februari 2019 kenbaar te maken.

5.3

Het hof stelt voorop dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat [verzoekster] haar taken als bewindvoerder niet naar behoren heeft uitgevoerd. Dat vormt dan ook niet een gewichtige reden voor ontslag.

5.4

Het hof dient vervolgens te beoordelen of de door de rechthebbende aangevoerde bezwaren tegen de werkwijze van [verzoekster] , een gewichtige reden vormen voor ontslag. De rechthebbende heeft daarover opgemerkt dat de reisafstand naar het kantoor van [verzoekster] voor hem te groot is, dat het contact met [verzoekster] alleen per e-mail is en dat hij een persoonlijke benadering mist.

5.5

Het hof stelt voorop dat niet lichtvaardig mag worden aangenomen dat sprake is van zodanig ongenoegen over de samenwerking dat dit een gewichtige reden vormt voor ontslag van de bewindvoerder. Een zekere mate van frictie tussen de wensen van de rechthebbende enerzijds en de taken van de bewindvoerder als financiële belangenbehartiger anderzijds is immers inherent aan hun onderlinge verhouding.

5.6

In deze zaak acht het hof voor de beantwoording van de hiervoor genoemde vraag van belang de wijze waarop de benoeming van [verzoekster] tot stand is gekomen. Daarover is uit de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende naar voren gekomen. Toen (in 2016) duidelijk werd dat [F] zou stoppen als bewindvoerder hebben [F] en zorgaanbieder [H] – waar de rechthebbende op dat moment woonde – een opvolgend bewindvoerder gezocht. Het hof acht op zichzelf begrijpelijk dat [F] en [H] hiertoe het initiatief hebben genomen, maar dat heeft er in dit geval wel toe geleid dat de rechthebbende geen bemoeienis heeft gehad bij de keuze voor [verzoekster] als opvolgend bewindvoerder. Voorafgaand aan de benoeming van [verzoekster] heeft ook geen kennismakingsgesprek tussen de rechthebbende en een van de medewerkers van [verzoekster] plaatsgevonden. Weliswaar zijn er door [verzoekster] inloopdagen bij [H] georganiseerd, maar daar woonde de rechthebbende op dat moment al niet meer. De rechthebbende heeft zich daardoor niet zelf een beeld kunnen vormen van (de werkwijze van) [verzoekster] en of deze werkwijze bij zijn wensen aansloot.

Verder is gebleken dat de start van de bewindvoering door [verzoekster] moeizaam is geweest, onder meer doordat de benoeming door de rechtbank lang op zich liet wachten. In deze beginperiode had de rechthebbende met verschillende contactpersonen bij [verzoekster] te maken, waarbij ook toen geen persoonlijke ontmoeting tussen een medewerker van [verzoekster] en de rechthebbende heeft plaatsgevonden. Het contact tussen [verzoekster] en de rechthebbende is al met al beperkt gebleven tot e-mailcontact, waarbij de partner van de rechthebbende als tussenpersoon optrad. De rechthebbende kreeg (in eerste instantie) geen bankafschriften en toegang tot het klantportaal had hij evenmin. De rechthebbende heeft verklaard dat deze gang van zaken hem veel stress heeft bezorgd, zodanig dat hij daar ziek van werd. Hij wist naar eigen zeggen niet waar hij aan toe was en kreeg door de wijze waarop [verzoekster] communiceerde het gevoel dat hij dingen verkeerd deed.

Hoewel een deel van deze problemen speelde voordat de benoeming door de kantonrechter een feit was en nadien een aantal zaken, waaronder de toegang tot het klantportaal en de mogelijkheid om een inloopspreekuur te bezoeken, door [verzoekster] is geregeld, acht het hof aannemelijk dat de rechthebbende hier zoveel stress door heeft ervaren dat dit de verdere samenwerking in de weg stond en daarmee een gewichtige reden voor ontslag vormde. Dat een overstap naar de door de rechthebbende gewenste bewindvoerder ook daadwerkelijk tot een voor de rechthebbende adequatere samenwerking heeft geleid blijkt uit het feit dat de rechthebbende zeer tevreden is over (de aanpak van) de huidige bewindvoerder, schuldenvrij is en er – zoals al de bedoeling was vóór benoeming van [verzoekster] – met [de bewindvoerder] wel wordt toegewerkt naar opheffing van het bewind binnen afzienbare tijd. Het terugdraaien van het ontslag van [verzoekster] moet mede in dit licht als uitermate onwenselijk worden beschouwd.

5.7

De door [verzoekster] opgeworpen vraag of de nieuwe bewindvoerder, [de bewindvoerder] , cliënten van [verzoekster] heeft afgepakt (het zou gaan om 4 of 5 van de 214 door [F] overgedragen zaken), kan het hof hier in het midden laten, nu ter zitting door de rechthebbende onbetwist is gesteld dat het initiatief om een andere bewindvoerder te zoeken bij de rechthebbende zelf vandaan kwam en dat hij niet door [de bewindvoerder] is benaderd om over te stappen. Van [de bewindvoerder] had overigens wel verwacht mogen worden – zo stelt [verzoekster] terecht – dat hij na twee mislukte telefonische pogingen ook een schriftelijke poging had ondernomen om in contact te komen met [verzoekster] om het verzoek van de rechthebbende om over te stappen te bespreken alvorens het traject tot overstap aan te gaan en zich bereid te verklaren om bewindvoerder van de rechthebbende te worden.

5.8

Ten slotte kan het argument dat [verzoekster] een lager tarief hanteert dan andere bewindvoerders en dus belang heeft bij continuïteit in het klantenbestand niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover [de bewindvoerder] hogere tarieven hanteert – hij zal in elk geval gebonden zijn aan het forfaitaire tarief op grond van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren – heeft de rechthebbende geen bezwaar tegen het verschil in deze tarieven. Vast staat overigens dat [de bewindvoerder] geen intakevergoeding in rekening heeft gebracht.

5.9

Het hof zal daarom het ontslag van [verzoekster] en de benoeming van [de bewindvoerder] in stand laten.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, bekrachtigen.

6.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Daarbij acht het hof doorslaggevend dat het er - gelet op de stellingen van [verzoekster] daarover - de schijn van heeft dat het hoger beroep een zakelijk geschil betreft tussen [verzoekster] en [de bewindvoerder] waarbij de rechthebbende ongewild betrokken is. De kosten van de procedure aan de zijde van de rechthebbende zullen worden vastgesteld op het salaris van de advocaat: € 2.148,- (tarief II, € 1.074,- per punt, 2 punten: 1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling bij het hof). Er is geen griffierecht verschuldigd.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 14 februari 2019;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van de rechthebbende van het geding in hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van de rechthebbende vastgesteld op € 2.148,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 8 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.