Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8391

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.223.395/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als fietser bij het ontbreken van verplicht fietspad niet de rijbaan gebruiken (artikel 5, tweede lid, RVV 1990). Doorgang Rijksmuseum te Amsterdam.

Bevoegdheid Boa. Voor onderhavig feit is op grond van de Beleidsregels Boa geen verband met de openbare orde vereist. Dat het bord zichtbaar moet zijn op de foto, zoals opgenomen in bijlage L bij de Beleidsregels Boa, geldt hier niet. Dit voorschrift in bijlage L is beperkt tot de negatie van C-borden. Daarvan is hier geen sprake. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging is verricht moet in dit geval komen vast te staan dat met de snorfiets van de betrokkene is gereden in de voetgangerszone. Uit de foto’s in het dossier

kan dit niet worden vastgesteld. Gedetailleerde informatie over de manier waarop de camera-installatie overtredingen vaststelt, ontbreekt. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof vernietigt de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2020/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.223.395/01

CJIB-nummer

: 194276748

Uitspraak d.d.

: 11 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 122,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Van de gemachtigde zijn nog brieven, gedateerd 20 januari 2018 en 26 maart 2018, ontvangen. Deze zijn in afschrift aan de advocaat-generaal toegezonden.

Beoordeling

1. De gemachtigde stelt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. Het proces-verbaal behoort de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen te bevatten, maar de beslissing van de kantonrechter voldoet daar niet aan. Het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie is namelijk niet vermeld. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter daarom geen stand houden.

2. Van het verhandelde op de openbare zitting van de kantonrechter dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589). Het proces-verbaal moet een zakelijke weergave bevatten van wat is voorgevallen ter zitting.

3. Het dossier bevat een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 20 juli 2017. Anders dan de gemachtigde stelt, is daarin wel het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie opgenomen, namelijk dat de beslissing van de officier van justitie moet worden vernietigd. Het verweer treft geen doel.

4. De bezwaren richten zich verder tegen de beslissing van de kantonrechter waarbij hij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “als fietser bij ontbreken verplicht fietspad niet de rijbaan gebruiken”, welke gedraging zou zijn verricht op 6 december 2015 om 02:42 uur op de Museumstraat te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .

5. Onder verwijzing naar de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat geen sanctie had mogen worden opgelegd. De boa was niet bevoegd vanwege het ontbreken van een relatie tot de openbare orde. Ook is het verkeersbord niet zichtbaar op de foto, wat wel is vereist gelet op bijlage L bij de Beleidsregels, aldus de gemachtigde.

6. De ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd is een boa in het domein Openbare ruimte. In de destijds geldende Beleidsregels boa is de bevoegdheid voor een boa in dit domein om een sanctie op te leggen voor het negeren van een C-bord beperkt tot gevallen waarin de handhaving verband houdt met de openbare orde. Voor overige overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 mogen boa's op grond van de domeinlijst in de Beleidsregels slechts een sanctie opleggen voor zover het stilstaande voertuigen betreft. Daarop is een uitzondering gemaakt voor de artikelen art. 4, 5, 6, 10, 60 en 82 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Ten aanzien van die artikelen mag voor zowel rijdende als stilstaande voertuigen worden gehandhaafd.

7. In deze zaak betreft de vermeende gedraging een overtreding van artikel 5, lid 2, van het RVV 1990. De boa Openbare ruimte was binnen de Beleidsregels boa dan ook bevoegd om voor deze gedraging handhavend op te treden. Een verband met de openbare orde is niet nodig.
Het verweer op dit punt treft geen doel.

8. Ook het verweer dat het bord zichtbaar zou moeten zijn op de foto, faalt. Dit voorschrift is in bijlage L bij de Beleidsregels boa beperkt tot de negatie van C-borden. Daarvan is hier geen sprake.

9. De gemachtigde betwist dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Uit de foto blijkt volgens de gemachtigde niet dat met het voertuig werd gereden.

10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat in dit geval in feite niet meer dan de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld, met als toevoeging dat het voertuig een snorfiets is.

11. Het dossier bevat verder een aankondiging van beschikking, waarin de ambtenaar onder meer de volgende toelichting geeft:

"Aan weerszijden van de doorgang onder het Rijksmuseum te Amsterdam is er een camera-installatie geplaatst boven de weg ten behoeve van de handhaving van een voetgangersgebied, aangeduid door de borden volgens model G7, Bijlage 1 RVV 1990 voorzien van de tekst: "Zone" met onderborden waarop respectievelijk is vermeld "fietsen toegestaan op de rijloper" en "snorfietsers verboden."

12. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging is verricht moet in dit geval komen vast te staan dat met de snorfiets van de betrokkene is gereden in de voetgangerszone.

13. In het dossier bevinden zich verder twee afdrukken van een foto. Ze zijn donker en niet scherp. Datum en tijd onderaan de foto's zijn leesbaar, evenals het onder één van de foto's vergroot afgedrukte kenteken. De leesbare gegevens komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. Op één van de foto's is een silhouet zichtbaar, op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er iemand op de snorfiets zit. Of er met de snorfiets wordt gereden, laat staan of dat op een voetpad is gebeurd, kan op basis van deze foto's niet worden vastgesteld.

14. Gedetailleerde informatie omtrent de manier waarop door deze camera-installatie overtredingen worden vastgesteld, ontbreekt (vgl. ook het arrest van het hof van 3 mei 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:3868). Zo is niet duidelijk op welk weggedeelte de camera is gericht en of dat vóór of na het bord G7 is. Ook blijkt niet of, en zo ja op welke wijze, het systeem controleert of er sprake is van een rijdend voertuig. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof beslist als na te melden. De overige argumenten van de gemachtigde behoeven geen bespreking meer.

15. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 768,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 768,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.