Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8304

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.223.819/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat het aanvullend proces-verbaal pas in een zeer laat stadium van de procedure is opgemaakt en ingebracht, brengt niet mee dat dit buiten beschouwing moet blijven. De gemachtigde heeft op de inhoud van het proces-verbaal kunnen reageren en gereageerd. Overigens is het proces-verbaal, anders dan de gemachtigde stelt, geen zaakstuk in de zin van artikel 7:18 van de Awb, omdat de gemachtigde in administratief beroep ter zake van de staandehouding geen verweer heeft gevoerd en de officier van justitie daarnaar geen onderzoek behoefde te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.223.819/01

CJIB-nummer

: 193831106

Uitspraak d.d.

: 9 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft naar aanleiding van het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie die beslissing vernietigd en het beroep voor het overige verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 123,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De advocaat-generaal heeft nog aanvullende informatie in het geding gebracht.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een reactie gegeven op de aanvullende informatie.

Een kopie van die reactie is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

Op 27 maart 2018 en op 18 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde ontvangen.

Beoordeling

1. Het hof duidt voormelde beslissing van de kantonrechter aldus dat deze het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, die beslissing heeft vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 123,75.

2. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. De gemachtigde voert daartoe onder meer aan dat het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen behoort te bevatten, maar dat de beslissing van de kantonrechter daaraan niet voldoet. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter dus niet in stand blijven.

3. Het dossier bevat een afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 22 augustus 2017. Het door de vertegenwoordiger van de officier van justitie ingenomen standpunt ontbreekt daarin. De vermelding "Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift" volstaat niet, nu daaruit niet blijkt tot welke conclusie de vertegenwoordiger is gekomen. Het opnemen van deze conclusie is in het bijzonder van belang, gelet op de eigenstandige bevoegdheid die (de vertegenwoordiger van) de officier van justitie op de voet van artikel 7 van de Wahv juncto artikel 7:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ten aanzien van het in stand laten, wijzigen of vernietigen van de inleidende beschikking. Het proces-verbaal voldoet derhalve niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. De beslissing van de kantonrechter kan derhalve niet in stand blijven.

4. Gelet op het voorgaande zal het hof zal die beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

5. De gemachtigde heeft in zijn fax aan de kantonrechter van 26 juli 2017 onder meer aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie moet worden vernietigd omdat de hoorplicht is geschonden.

6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord. Geen van de andere uitzonderingssituaties van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht doen zich hier voor. In het licht van bestendige, bekende en niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt, kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand blijven.

7. Het hof zal derhalve, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer.

8. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “Als bromfietser niet het verplichte fietspad gebruiken”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 november 2015 om 14:44 uur op de Joan Muyskenweg te Amsterdam-Duivendrecht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

10. De gemachtigde voert aan dat de gedraging onvoldoende individualiseerbaar is. De Joan Muyskenweg te Amsterdam is een zeer lange straat met diverse zijstraatjes en uit de stukken blijkt niet de exacte locatie van de gedraging.

11. De gemachtigde heeft onvoldoende onderbouwd waarom de plaatsaanduiding in de inleidende beschikking zodanig is dat bij de betrokkene redelijkerwijs misverstand kan zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen. Uit de enkele omstandigheid dat de genoemde weg een zeer lange straat is met diverse zijstraatjes, valt dit niet zonder meer af te leiden. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

12. De gemachtigde voert verder aan dat de ambtenaar niet bevoegd was om de sanctie op te leggen, nu niet is gebleken dat de sanctie is gerelateerd aan de openbare orde en bovendien niet is voldaan aan de in Bijlage L van die Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar gestelde voorwaarden.

13. Het hof kan het betoog van de gemachtigde niet volgen. Ten tijde van het opleggen van de sanctie golden de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO). Het optreden van de ambtenaar valt binnen de in artikel 6.4 van de BBO toegekende bevoegdheden. Voor de handhaving van de negatie van de hier in geding zijnde bebording geldt niet de eis van relatie tot de openbare orde. Evenmin geldt daarvoor de door de gemachtigde genoemde eis uit Bijlage L.

14. Verder voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat ten onrechte op kenteken is bekeurd, nu er van een deugdelijke reden om niet staande te houden niet is gebleken.

15. Bij aanvullend proces-verbaal van 23 januari 2018 verklaart de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd hieromtrent:

"Er was geen staande houding uitgevoerd, omdat ik bezig was met fiscale controle en de bromfiets mij passeerde. De bromfiets passeerde mij op een afstand van 3 meter. Ik kon op deze afstand geen stopteken geven, omdat ik op het trottoir stond naast een geparkeerde auto".

16. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze verklaring voldoende dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig, zodat mocht worden volstaan met het opleggen van een sanctie aan de kentekenhouder.

17. Voor zover de gemachtigde er over klaagt dat dit aanvullend proces-verbaal pas in een zeer laat stadium van de procedure is opgemaakt en ingebracht, overweegt het hof dat deze enkele omstandigheid niet meebrengt dat het aanvullend proces-verbaal buiten beschouwing moet blijven. De gemachtigde heeft op de inhoud van dit proces-verbaal kunnen reageren en gereageerd. Overigens is het proces-verbaal, anders dan de gemachtigde stelt, geen zaakstuk in de zin van artikel 7:18 van de Algemene wet bestuursrecht, nu de gemachtigde in administratief beroep ter zake van de staandehouding geen verweer heeft gevoerd en de officier van justitie daarnaar derhalve geen onderzoek behoefde te verrichten.

18. De bezwaren van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking treffen geen doel. Het beroep tegen de inleidende beschikking is daarom ongegrond.

19. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.