Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8283

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
200.254.945/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man maakt nauwe persoonlijke betrekking dan wel family life met het kind onvoldoende aannemelijk. Man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang met het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.254.945/01

(zaaknummer rechtbank C/08/221421/FA RK 18-1953)

beschikking van 1 oktober 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J. Roossien te Nunspeet,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.M. Ringerwöle te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel van 29 november 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 februari 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roossien van 17 april 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roossien van 15 augustus 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 3 september 2019 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Als toehoorder is aanwezig geweest mevrouw [C] , persoonlijk begeleidster van moeder verbonden aan [D] stichting. Mr. Roossien heeft een pleitnota overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit de vrouw is [in] 2013 geboren [de minderjarige] (roepnaam [de minderjarige] ). De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige. De vrouw heeft sinds de zwangerschap geen contact meer met de verwekker van de minderjarige.

3.2

De man is niet de biologische of juridische vader van de minderjarige. De man heeft een (minderjarige) zoon waar hij geen contact mee heeft.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling op de voet van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

4.2

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt (zakelijk weergegeven) de beschikking van 29 november 2018 te vernietigen en opnieuw recht doende de man alsnog te ontvangen in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling en dat verzoek zoals verwoord onder 3.1 van de bestreden beschikking alsnog toe te wijzen.

4.3

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In geschil is het recht van de minderjarige op omgang met de man. De man stelt dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige en beroept zich in deze op artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.2

Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Ter beoordeling aan het hof ligt allereerst voor of in het onderhavige geval de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang op grond van een nauwe persoonlijke betrekking. Het hof oordeelt als volgt.

5.3

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. De man en de vrouw zijn enige jaren gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. De minderjarige is geboren na ontbinding van het huwelijk. Vast staat dat de man op de dag van de geboorte in het ziekenhuis contact heeft gehad met de minderjarige en de vrouw en de minderjarige enige tijd hebben ingewoond bij de man. Ook staat vast dat het laatste contact tussen de man en de minderjarige dateert van eind 2017. De man en de vrouw zijn het fundamenteel oneens over de aard van de betrekking tussen de man en de minderjarige. Zo stelt de man dat hij tot 2017 in de veronderstelling verkeerde dat hij de biologische vader is van de minderjarige, om die reden ten tijde van de bevalling ook in het ziekenhuis aanwezig was en na de geboorte de minderjarige op de borst heeft gekregen. Deze stellingen worden door de vrouw gemotiveerd betwist. De vrouw stelt dat de man altijd heeft geweten dat hij (zeer waarschijnlijk) niet de biologische vader is van de minderjarige, de man geen verantwoordelijkheid voor de zwangerschap wilde nemen en dat de man niet tijdens de bevalling aanwezig was maar haar daarna in het ziekenhuis slechts heeft bezocht. Zij stelt ook dat de man uit angst voor alimentatieverplichtingen (''hij vond dat hij al genoeg gepakt was voor zijn zoon [E] qua alimentatie") geen aangifte van de geboorte van de minderjarige wilde doen en om die reden grootmoeder moederszijde de aangifte van de geboorte van de minderjarige bij de burgerlijke stand heeft verzorgd. De man stelt voorts dat hij in de periode vanaf mei 2013 tot ongeveer januari 2015 een zeer intensief contact had met de minderjarige omdat hij samen met haar en de vrouw in één huis woonde. Nadien, zo stelt de man, is er gedurende enkele maanden sprake geweest van een omgangsregeling waarbij de man de minderjarige om het weekeinde bij zich had. Daarna heeft hij drie tot vier keer in de week de minderjarige bij de vrouw thuis bezocht, naast tenminste drie keer per week video-belcontacten. Hij geeft daarbij ook aan dat het contact met de minderjarige eind 2017 tegen zijn zin is verbroken. De vrouw stelt dat zij om medische redenen tijdelijk 6 weken bij de man heeft gewoond in de periode februari/maart 2014 en vervolgens van juni 2014 tot oktober/november 2014. Daarna is zij met de minderjarige bij haar toenmalige (en op 3 mei 2015 overleden) partner gaan wonen. Zij betwist ten stelligste dat de man betrokken is geweest bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en dat sprake is geweest van een weekeindregeling. Zij stelt dat de minderjarige nooit een weekeinde bij de man is geweest, laat staan bij de man heeft gelogeerd. De vrouw geeft aan dat als de man bij de vrouw kwam, dat onaangekondigd was, tegen haar zin en vaak rond bedtijd van de minderjarige. Wanneer de man al kwam wilde hij de minderjarige in bad doen of douchen. Hij kleineerde de vrouw en bemoeide zich met alles.

5.4

Alle stellingen en bewijsstukken in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat de

man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke betrekking dat sprake is van een recht op omgang als bedoeld in artikel 1:377a lid 1 BW. Voor zover de man zich heeft willen beroepen op ‘family life’ of ‘private life’, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM heeft de man zijn stellingen niet onderbouwd terwijl ook voorts niet gebleken is dat daar sprake van is.

De man is niet de biologische vader van de minderjarige. Vast is komen te staan dat de minderjarige is geboren via een keizersnede en de man daar niet bij aanwezig is geweest. Ook staat vast dat hij geen aangifte van haar geboorte heeft gedaan. Het hof heeft niet kunnen vaststellen wat nadien de duur, de frequentie en de aard van de contacten tussen de man en de minderjarige zijn geweest. Door de man zijn foto's overgelegd waaruit blijkt dat sprake is geweest van contactmomenten tussen de man en de minderjarige maar hieruit kan niet de conclusie worden getrokken maar hooguit een aanwijzing in worden gezien dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Hetzelfde geldt voor het feit dat sprake is geweest van videobel-contacten. Hetgeen voor het overige door de man daartoe is aangevoerd is door de vrouw telkens gemotiveerd betwist. Het hof verwijst in dat verband naar de motivering van de rechtbank in dezen en neemt die na eigen onderzoek hier over.

5.5

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van de man om nader materiaal met betrekking tot video-bellen over te leggen. Door de vrouw wordt immers niet betwist dat sprake is geweest van dergelijke contacten en het hof heeft die omstandigheid bij zijn oordeel betrokken. Het hof ziet ook geen aanleiding om de heer [F] te horen omdat dit niet kan leiden tot een ander oordeel van het hof.

5.6

Gelet op dit alles dient de man in zijn verzoek tot omgang met de minderjarige niet-ontvankelijk verklaard te worden. Het (subsidiaire) verzoek van de man ter zitting om een raadsonderzoek te gelasten naar de wenselijkheid van een omgangsregeling behoeft derhalve geen bespreking.

5.7

De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van

29 november 2018.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. I.A. Vermeulen en mr. M.P. den Hollander en is op 1 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.