Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8249

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
200.257.826/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Vordering ex artikel 7:658 BW zorgplicht werkgever.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 186
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.257.826/02√

beschikking van 8 oktober 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. H.C.J. Coumou,

tegen:

de naamloze vennootschap

Connexxion Openbaar Vervoer B.V.,

gevestigd te Hilversum,

verweerster,

hierna: Connexxion,

advocaat: niet verschenen.

1 Het procesverloop

1.1

Bij beschikking van 10 juli 2019 heeft de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, een door [verzoeker] ingediend verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor verwezen naar dit hof.

1.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, ingekomen op 11 juli 2019, en de op 16 augustus 2019 ingekomen nadere producties van mr. Coumou. Connexxion is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

1.3

Op 18 september 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld van zijn echtgenote. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is namens Connexxion niemand verschenen.

1.4

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof de datum van de beschikking bepaald.

2 De beoordeling

2.1

De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kantonrechter) heeft tussen [verzoeker] als eiser en Connexxion als gedaagde op 31 januari 2018, 25 april 2018 en 8 augustus 2018 vonnissen gewezen. [verzoeker] heeft tegen de vonnissen van 25 april 2018 en 8 augustus 2018 hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is bij dit hof bekend onder zaaknummer 200.257.826/01.

2.2

[verzoeker] is bij Connexxion op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest als buschauffeur. Op 23 november 2012 is [verzoeker] in het busstation in Amstelveen van een wenteltrap gevallen. De arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Connexxion is in 2014 beëindigd. Op dit moment ontvangt [verzoeker] een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Bij de kantonrechter heeft [verzoeker] , samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat Connexxion aansprakelijk is voor de door hem door het ongeval op 23 november 2012 geleden en nog te lijden schade. Daarnaast heeft [verzoeker] vergoeding van die schade gevorderd. Zijn vorderingen heeft [verzoeker] onder meer gebaseerd op artikel 7:658 BW. Bij tussenvonnis van 25 april 2018 heeft de kantonrechter Connexxion, kort gezegd, opgedragen te bewijzen dat zij als werkgever aan haar zorgplicht in de zin van artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan. Na een aktewisseling heeft de kantonrechter bij vonnis van 8 augustus 2018 geoordeeld dat Connexxion is geslaagd in het bewijs dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De vordering van [verzoeker] ex artikel 7:658 BW en de overige vorderingen van [verzoeker] heeft de kantonrechter afgewezen.

2.3

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor van [verzoeker] stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 186 Rv kan de rechter in gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, op verzoek van de belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor bevelen.

Een voorlopig getuigenverhoor kan niet alleen ertoe strekken om bewijs te verkrijgen, maar ook om belanghebbenden bij een bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, om hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen (zie onder meer HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433).

2.4

De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge artikel 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, en de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben (vgl. onder meer HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.2). Voorts geldt dat, zo nodig, ook duidelijk dient te worden gemaakt waarom de te horen getuigen hierover (mogelijk) kunnen verklaren (HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433).

Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig vermeldt welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor dient nu juist ertoe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor (zie bijvoorbeeld HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250).

2.5

Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW). Daarvan kan sprake zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten, op de grond dat het verzoek strijdig is met de eisen van een goede procesorde en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld, bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW) (zie HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433).

2.6

Uit het verzoek van [verzoeker] blijkt voldoende duidelijk over welk feitelijk gebeuren [verzoeker] getuigen wil horen. [verzoeker] heeft toegelicht dat het gaat om de omstandigheden waaronder hem het ongeval overkwam, zoals de gang van zaken, de toestand van de traptreden van de metalen wenteltrap en de door Connexxion zelf ingestelde onderzoeken naar aanleiding van het ongeval, de staat waarin de trap zich bevond en de aanbevelingen voor het geven van instructies en het treffen van (veiligheids-)maatregelen, zoals een borging van de schoonmaakwerkzaamheden en het waarschuwen voor gevaar bij gladheid van de gebruikers van de trap en de bovengelegen pauzeruimte.

2.7

In eerste aanleg zijn geen getuigen gehoord. Connexxion heeft enkel schriftelijk bewijs in het geding gebracht. [verzoeker] heeft in reactie op dat schriftelijke bewijs geen aanbod gedaan om in het kader van tegenbewijs getuigen te horen. [verzoeker] wil in hoger beroep alsnog getuigen horen. Het gaat daarbij in ieder geval om de volgende getuigen:
- zichzelf,

- [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ),

- [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ),

- [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ),

- [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ).

Volgens [verzoeker] zijn [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] werknemers van Connexxion die op de dag van het ongeval in het busstation in Amstelveen aanwezig waren. [getuige 4] is eveneens werknemer van Connexxion en heeft een interne rapportage van Connexxion over het ongeval in de vorm van een incidentenformulier opgesteld. Dat betreft een bijlage bij het in eerste aanleg door Connexxion in het geding gebrachte rapport van schade-expert Andriessen Expertises. Onder meer dit incidentenformulier en een door de schade-expert opgenomen verklaring van [getuige 1] (die volgens [verzoeker] afwijkt van een eerdere verklaring van [getuige 1] ) ontbraken bij het in eerste aanleg in het geding gebrachte rapport. [verzoeker] heeft van die bijlagen pas na het eindvonnis van de kantonrechter kennis gekregen, zo voert hij aan.

2.8

[verzoeker] wenst met het voorlopig getuigenverhoor de door Connexxion in eerste aanleg aangevoerde feiten en omstandigheden (aan de hand waarvan de kantonrechter heeft geconcludeerd dat Connexxion in het bewijs is geslaagd) te ontkrachten. Daarmee kan [verzoeker] zijn bezwaren in hoger beroep onderbouwen. Daarnaast wenst [verzoeker] door middel van het voorlopig getuigenverhoor een inschatting te maken van de kansen van het door hem ingestelde hoger beroep. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande, mede gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep, genoegzaam dat [verzoeker] voldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor.

2.9

Connexxion heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] , op grond waarvan het hof het verzoek zou moeten afwijzen. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] met het indienen van het verzoek misbruik van bevoegdheid maakt of dat het verzoek strijdig is met de goede procesorde. Van andere zwaarwegende belangen die aan toewijzing van het verzoek in de weg zouden staan, is het hof verder niet gebleken.

2.10

Het hof zal het verzoek van [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor toewijzen. Het hof ziet geen aanleiding om in deze verzoekschriftprocedure een proceskostenveroordeling uit te spreken.

3 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe;

bepaalt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden voor het horen van – in ieder geval – de getuigen zoals genoemd in rov. 2.7;

bepaalt dat het verhoor van de getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.P.C.J. van Bavel, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn zodat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [verzoeker] de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden december 2019 tot en met maart 2020 zal opgeven uiterlijk drie weken na uitspraak van deze beschikking bij de griffie van het hof, waarna datum en tijdstip van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat [verzoeker] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven.

Deze beschikking is gegeven door S.B. Boorsma, H.L. Wattel en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.