Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8225

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
200.252.113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; verstekarrest; vordering terugbetaling geldlening; geen dwaling over volstorting aandelen; bankverklaring; verweer van terugbetaling verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.252.113

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 309874)

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [Appellant]

advocaat: mr. R.C.H. Schrömbges,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Printmedia Global Solutions B.V.,

gevestigd te Gendt,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: PGS,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 21 december 2016, 23 augustus 2017 en 21 februari 2018 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 mei 2018,

- de memorie van grieven, met producties.

Tegen PGS is verstek verleend.

2.2

Vervolgens heeft [Appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2

[Appellant] is bestuurder/enig aandeelhouder van [bedrijf 1] Beheer B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) is bestuurder/enig aandeelhouder van [bedrijf 2] Beheer B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) en van PGS. Partijen hebben samengewerkt in [bedrijf 3] Company B.V. (hierna: [bedrijf 3] ), welke vennootschap op 8 maart 2016 is failliet verklaard.

3.3

Bij notariële akte van 1 februari 2012 met als kop: Koop en levering van aandelen, heeft [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] 9000 ‘volgestorte aandelen’ in [bedrijf 3] verkocht voor de koopprijs van € 9.000. In de akte is onder B sub 2 vastgelegd:

De koopsom zal door koper worden schuldig gebleven. Verkoper doet afstand van de vordering wegens betaling van de koopsom, onder de opschortende voorwaarde dat koper aan hem wegens geleend geld schuldig erkent een bedrag gelijk aan de koopsom. Koper aanvaardt vorengemelde afstanddoening en erkent wegens geleend geld schuldig te zijn aan verkoper een bedrag van negenduizend euro (€ 9.000,00). De bepalingen die ter zake van deze schuld uit geldlening gelden zullen door partijen zelf worden vastgelegd. Verkoper kwiteert koper voor de betaling van de koopsom.

3.4

Op dezelfde datum is bij notariële akte, verleden door dezelfde notaris mr. [notaris] , [bedrijf 3] opgericht.

3.5

Op dezelfde datum is door dezelfde notaris verleden een akte met als kop: Geldlening/verpanding aandelen, waarin is vastgelegd dat [Appellant] schuldig erkende aan [persoon 1] een bedrag van € 500 en aan PGS een bedrag van € 26.800. Ter zake van deze geldleningen is onder meer vastgelegd een looptijd tot 31 december 2015 en een rente van 6% per jaar. Voorts is in dezelfde akte door [bedrijf 1] als pandgever aan [bedrijf 2] als pandhouder een pandrecht verstrekt op 9000 aandelen in [bedrijf 3] , tot zekerheid voor de voldoening van de genoemde schulden.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

PGS en [persoon 1] vorderden in eerste aanleg de terugbetaling van de in r.o. 3.5 bedoelde geldleningsovereenkomst. De rechtbank heeft de vorderingen na gelegenheid voor [Appellant] tot bewijslevering toegewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[Appellant] heeft die beslissing in hoger beroep bestreden met vier grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen. Het hoger beroep is alleen gericht tegen PGS, niet tegen [persoon 1] .

5.2

Het hof stelt voorop dat de devolutieve werking van het hoger beroep meebrengt dat, als één van de grieven van [Appellant] zou slagen, het hof dient te onderzoeken of de (andere) door PGS aangevoerde maar door de rechtbank niet besproken of verworpen stellingen alsnog opgaan. Zodoende kunnen die stellingen van PGS toch een rol spelen in dit hoger beroep, ook al is PGS daarin niet verschenen.

5.3

[Appellant] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat hij heeft gedwaald bij het aangaan van de leningsovereenkomst. Hij stelt daartoe dat bij de oprichting van [bedrijf 3] niet was voldaan aan de volstortingsplicht; weliswaar had [persoon 1] geruime tijd eerder € 18.000 gestort op de bankrekening van de vennootschap, en was op grond daarvan een bankverklaring afgegeven, maar [persoon 1] had dat bedrag enige dagen later weer aan zichzelf terugbetaald. De notaris heeft een fout gemaakt door niet te onderkennen dat de bankverklaring een te oud saldo weergaf. [Appellant] stelt dat zijn vennootschap [bedrijf 1] de aandelen [bedrijf 3] niet zou hebben gekocht als hij dat had geweten. Voorts stelt hij dat de lening die hij in persoon met PGS is aangegaan, voor een bedrag van € 9.000 zag op de aankoop van de aandelen [bedrijf 3] , en dat hij deze lening (dus) ook niet zou zijn aangegaan, als hij had geweten dat de aandelen niet waren volgestort. De leningsovereenkomst is in zoverre vernietigbaar op grond van dwaling, aldus [Appellant] .

5.4

Om te kunnen concluderen dat de leningsovereenkomst gedeeltelijk vernietigbaar is wegens dwaling, moet dus in ieder geval komen vast te staan:

- dat de aandelen [bedrijf 3] ten tijde van de oprichting van [bedrijf 3] niet waren volgestort en

- dat de leningsovereenkomst voor een bedrag van € 9.000 betrekking had op de koopsom van de aandelen [bedrijf 3] ,

welke beide omstandigheden PGS in eerste aanleg heeft betwist.

5.5

Wat betreft het eerste punt geldt het volgende. De raadsman van [Appellant] heeft schriftelijk vragen gesteld aan de notaris mr. [notaris] , die daarop heeft geantwoord bij brieven van 5 februari 2019 en 5 maart 2019 (prod. 12 en 14 bij memorie van grieven). De notaris heeft in zijn eerste brief vermeld dat hij over het hoofd heeft gezien dat de bankverklaring van 19 januari 2012 een oude datum van het creditsaldo vermeldde, te weten 26 mei 2011. De notaris schreef voorts dat hij saldo-informatie heeft gekregen van SNS bank, waaruit blijkt dat het creditsaldo van de bankrekening op 19 januari 2012 (de datum van de bankverklaring) ten minste € 18.000 bedroeg. Bij zijn tweede brief zond de notaris de saldo-informatie van SNS bank als bijlage mee. Tegen die bijlage voert [Appellant] als bezwaar aan dat het stuk niet de naam van de rekeninghouder draagt, en dat de verzochte reactie van SNS bank op het informatieverzoek niet is meegezonden.

5.6

Het hof stelt vast dat de bedoelde saldo-informatie het logo van SNS bank draagt, en dat daarin is vermeld dat het gaat om een mutatieoverzicht, waarop een nummer is vermeld: [rekeningnummer] , en een vorig saldo: € 18.423,54, waarvan op de boekdatum 19 januari 2012 een bedrag van € 405,55 is afgeboekt. Inderdaad staat er geen vermelding op van de naam van de rekeninghouder. Vergelijking met de bankverklaring (prod. 4 bij conclusie van antwoord, overgelegd door [Appellant] ) leert dat [bedrijf 3] i.o. bij SNS bank een rekening aanhield met datzelfde nummer [rekeningnummer] . Het hof concludeert daaruit dat het door de notaris toegezonden saldo-overzicht betrekking heeft op de bankrekening van [bedrijf 3] , en dat die rekening op de datum waarop de bankverklaring is gedateerd, 19 januari 2012, derhalve binnen vijf maanden voor de aandelenoverdracht, een hoger saldo vertoonde dan € 18.000. [Appellant] heeft dat met alleen de opmerking dat de naam van de rekeninghouder niet is vermeld, onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat betekent dat onvoldoende is gebleken dat de situatie dat [Appellant] heeft gedwaald, in die zin dat hij aannam dat de aandelen [bedrijf 3] waren volgestort terwijl dat niet zo was, zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. De leningsovereenkomst komt reeds daarom niet voor (gedeeltelijke) vernietiging in aanmerking.

5.7

Met betrekking tot het tweede punt geldt (ten overvloede) nog het volgende. Dat de leningsovereenkomst deels betrekking zou hebben op de aankoopsom voor de aandelen [bedrijf 3] ligt al niet voor de hand omdat de schuldenaar van de koopprijs [bedrijf 1] is, en de schuldenaar van de leningsovereenkomst [Appellant] . [Appellant] geeft daarvoor geen verklaring, maar vermeldt slechts dat dit hem bevreemdt (conclusie van antwoord sub 5 en 8). In antwoord op de vraag of de geldlening werd aangegaan uit hoofde van de aankoop van de aandelen [bedrijf 3] , schreef de notaris (prod. 12 bij memorie van grieven) dat hij uit de akten en zijn dossier kon opmaken dat de lening niet is aangegaan voor de aankoop van de aandelen [bedrijf 3] ; in de akte van levering aandelen was de koopsom wel omgezet in een geldlening, maar was vastgelegd dat partijen de voorwaarden van deze geldlening zelf zullen vastleggen.

5.8

De in de akte van geldlening genoemde bedragen van € 500 en € 26.800 zijn door [persoon 1] aan de notaris doorgegeven middels twee bankrekeningoverzichten, aldus de notaris in zijn eerste brief. Van deze overzichten (overgelegd als prod. 1 bij akte overlegging bewijs en nogmaals bij prod. 14 bij grieven) is in appel nog slechts het eerste van belang. Daaruit blijkt van zeven overboekingen van de bankrekening van PGS naar de bankrekening van [Appellant] in de periode van 10 december 2010 tot en met 15 september 2011, waarbij steeds is vermeld dat het gaat om een lening, terug te betalen voor 31 december 2011, in totaal bedragende € 26.800. [Appellant] heeft deze overboekingen op zichzelf niet bestreden, maar betwist wel de authenticiteit van de (als prod. 2 bij akte overlegging bewijs overgelegde) onderliggende bankafschriften; hij suggereert (antwoordakte na comparitie sub 5) dat de betalingen niet als lening zijn bedoeld, maar als kostgeld. Die betwisting overtuigt niet, omdat op de bankafschriften als reden van betaling steeds geldlening, en niet kostgeld is vermeld. [Appellant] voert voorts aan dat wat betreft de lening van € 7.500 van die € 26.800 ook al een schriftelijke schuldbekentenis d.d. 13 december 2010 was opgemaakt, waardoor de notariële akte in zoverre overbodig zou zijn. Ook die betwisting overtuigt niet, omdat het feit dat een schuldbekentenis is opgemaakt, er niet aan in de weg staat dat de schuld ook wordt vastgelegd in een notariële akte, die immers een executoriale titel oplevert. [Appellant] heeft aldus zijn verweer, inhoudende dat de lening deels zag op de koopprijs voor de door [bedrijf 1] gekochte aandelen [bedrijf 3] , onvoldoende onderbouwd. Ook daarom kan zijn beroep op dwaling niet slagen.

5.9

Met grief III herhaalt [Appellant] zijn bij de rechtbank aangevoerde verweer dat de vordering al gedeeltelijk, voor € 9.250, is terugbetaald. Hij verwijst naar een bankoverzicht (prod. 6 bij conclusie van antwoord) waaruit blijkt van een zestal betalingen van de bankrekening van [bedrijf 1] naar de bankrekening van PGS, bij drie van welke betalingen is vermeld: ‘aflossing’. De andere drie betalingen vermelden ‘Diverse facturen’, ‘Voorschot facturen’ en ‘1e betaling factuurnr…’; deze betalingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als aflossing van leningen. [Appellant] heeft verder onvoldoende onderbouwd dat de drie ‘aflossingen’ van tezamen € 3.250, die niet door hemzelf maar door [bedrijf 1] zijn gedaan, betrekking hebben op de hier bedoelde geldlening aan [Appellant] . Bij deze betalingen is niet vermeld dat deze werden gedaan voor [Appellant] . Voorts is van belang dat er tussen de betrokken personen en rechtspersonen meer aan de hand is geweest dan alleen deze geldlening; hierboven bleek al van een schuld van [bedrijf 1] aan [persoon 1] en PGS ter zake van de koop van de aandelen [bedrijf 3] , en uit door beide partijen overgelegde stukken (prod. 3 bij akte overlegging bewijs en prod. 10 bij antwoordakte) blijkt dat er tussen de verschillende betrokkenen meer schulden en leningen speelden dan die in dit geding aan de orde zijn. [Appellant] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat de betalingen waarop hij zich beroept, daadwerkelijk bedoeld zijn als aflossingen op de onderhavige geldlening.

5.10

[Appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen, met name door het horen van notaris [notaris] . Uit het voorgaande is evenwel gebleken dat [Appellant] zijn verweren, in het licht van de onderbouwde stellingen van PGS, onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering wordt aldus niet toegekomen.

6 De slotsom

6.1

[Appellant] heeft zijn stellingen en verweren onvoldoende onderbouwd. De afzonderlijke grieven behoeven geen bespreking meer. De bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [Appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Die kosten worden aan de zijde van PGS vastgesteld op nihil.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 23 augustus 2017 en 21 februari 2018;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van PGS vastgesteld op nihil;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.M. Croes en S.M. Evers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.