Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8203

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
200.213.614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg, in een geschil over beëindiging van een toelatingsovereenkomst. Als gronden voor vernietiging zijn aangevoerd dat het Scheidsgerecht zich niet aan de opdracht heeft gehouden en dat het arbitrale vonnis niet met redenen is omkleed en in strijd is met de openbare orde. Grenzen van de rechtsstrijd in de arbitrageprocedure. Uitleg van de vordering door het Scheidsgerecht. Motiveringsklachten. (Schijn van) partijdigheid van één van de arbiters? Gevolg van het feit dat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot wraking in de arbitrageprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 1, p. 22
TvA 2020/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.614

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

de stichting
Stichting Amphia,

gevestigd te Breda,

eiseres,

hierna: Amphia,

advocaat: mr. J.L.G.M. Verwiel,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure tot dan toe blijkt uit het tussenarrest in deze zaak van 24 april 2018. Bij dat arrest is een meervoudige comparitie van partijen bepaald.

1.2

De comparitie heeft (na uitstel) plaatsgevonden op 1 juli 2019. Tijdens de comparitie is akte verleend van het in het geding brengen van de brief van mr. Verwiel namens Amphia van 29 november 2018 met producties. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord. Mr. Stollenwerck namens [geïntimeerde] heeft spreekaantekeningen overgelegd.

1.3

Aan het slot van de comparitie heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

[geïntimeerde] is tandarts van beroep. Sinds 1 januari 2007 oefende hij zijn praktijk uit in [maatschap 1] in het door Amphia in stand gehouden ziekenhuis, op basis van een toelatingsovereenkomst met Amphia. Hij maakte deel uit van de maatschap waarin de vijf tandartsen waren verenigd die structureel werkzaam waren voor het [maatschap 1] . [geïntimeerde] was voor drie dagen per week verbonden aan het [maatschap 1] . Daarnaast werkte hij tot begin 2016 op basis van een overeenkomst van opdracht met de maatschap van kaakchirurgen ( [maatschap 2] ) één dag per week op de afdeling kaakchirurgie van het ziekenhuis.

2.2

Bij brief van 6 juli 2016 heeft Amphia de toelatingsovereenkomst met [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang dan wel met inachtneming van een termijn van zes maanden opgezegd.

2.3

[geïntimeerde] heeft bij brief van 1 augustus 2016 een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (hierna: het Scheidsgerecht). Bij memorie van eis heeft hij het Scheidsgerecht verzocht:
I. primair: voor recht te verklaren dat de opzegging van de toelatingsovereenkomst nietig is en Amphia te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.575.000, althans een zodanig schadebedrag als arbiters naar redelijkheid en billijkheid zullen oordelen;
II. subsidiair: Amphia te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding tot een bedrag van zes maanden (opzegtermijn) x € 12.500 oftewel € 75.000, met wettelijke rente;
III. in beide gevallen: Amphia te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.4

Amphia heeft bij memorie van antwoord, tevens memorie van eis in reconventie verweer gevoerd tegen de vordering in conventie en in reconventie betaling door [geïntimeerde] gevorderd van een bedrag van € 7.050,-, met wettelijke rente en een proceskostenvergoeding.

2.5

Het Scheidsgerecht heeft bij arbitraal vonnis van 27 december 2016 in conventie Amphia veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de som van € 100.000, bepaald dat ieder van partijen de eigen kosten van rechtsbijstand dient te dragen en de helft van de kosten van het Scheidsgerecht, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het Scheidsgerecht heeft in reconventie de vordering afgewezen, Amphia in de kosten van het Scheidsgerecht veroordeeld en eveneens bepaald dat ieder van partijen de eigen kosten van rechtsbijstand dient te dragen.

2.6

[geïntimeerde] heeft het arbitrale vonnis van het Scheidsgerecht op 27 februari 2017 voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging aan Amphia laten betekenen.

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1

Amphia heeft bij dagvaarding van 29 maart 2017 deze vernietigingsprocedure aanhangig gemaakt. Zij vordert dat het hof in een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest het arbitrale vonnis van het Scheidsgerecht van 27 december 2016 zal vernietigen en [geïntimeerde] zal veroordelen het bedrag van € 104.318,99, dat Amphia op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, als onverschuldigd aan Amphia terug te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente van artikel 6:119a BW, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de arbitrale procedure en de kosten van dit geding.

3.2

Amphia legt hieraan ten grondslag primair dat het Scheidsgerecht zich niet heeft gehouden aan de opdracht als bedoeld in artikel 1065 lid 1 aanhef en sub c Rv, subsidiair dat het arbitrale vonnis in strijd met artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv niet met redenen is omkleed, althans aan een motiveringsgebrek lijdt, en meer subsidiair dat het arbitrale vonnis in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 1065 lid 1 aanhef en sub e Rv.

3.3

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Voor zover nodig voor de beoordeling zal in het navolgende worden ingegaan op hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd.

4 De motivering van de beslissing

Bevoegdheid en termijnen

4.1

Aangezien de plaats van arbitrage conform het toepasselijk Arbitragereglement van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg is gelegen in Utrecht, is dit hof op grond van art. 1064a lid 1 Rv bevoegd.

4.2

Het hof toetst ambtshalve of deze vernietigingsprocedure binnen de termijn van artikel 1064a lid 2 Rv is ingesteld. Niet duidelijk is of Amphia de vernietigingsvordering heeft ingesteld binnen drie maanden na de dag van verzending van het arbitraal vonnis. Aangezien het arbitraal vonnis (waar geen hoger beroep tegen open stond) dateert van 27 december 2016 en de dagvaarding op 29 maart 2017 is uitgebracht, kan deze termijn zijn verstreken. Echter, [geïntimeerde] heeft op 27 februari 2017 het arbitrale vonnis voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging aan Amphia laten betekenen. Op grond van artikel 1064a lid 2 Rv kan een partij een vordering tot vernietiging ongeacht het verstreken zijn van de hiervoor genoemde drie maanden termijn alsnog een vordering tot vernietiging instellen binnen drie maanden nadat de wederpartij het arbitrale vonnis voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging heeft betekend. Derhalve is op de dag van betekening van 27 februari 2017 een nieuwe termijn van drie maanden ingegaan. Aangezien deze procedure binnen drie maanden nadien, immers op 29 maart 2017, is ingesteld door Amphia, is deze vernietigingsprocedure tijdig ingesteld en Amphia derhalve ontvankelijk in haar vordering.

Schending opdracht scheidsgerecht (artikel 1065 lid 1 aanhef en onder c Rv)?

4.3

Amphia voert allereerst aan dat het Scheidsgerecht op andere gronden dan die waarop [geïntimeerde] schadevergoeding heeft gevorderd een schadevergoeding aan hem heeft toegekend. Zij voert daartoe aan dat [geïntimeerde] schadevergoeding vorderde op de grond dat Amphia jegens hem is tekortgeschoten dan wel een onrechtmatige daad heeft gepleegd vanwege de opzegging van de toelatingsovereenkomst: Amphia zou de toelatingsovereenkomst in het geheel niet hebben mogen opzeggen, althans niet zonder inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. In de visie van Amphia betekent dit dat, als zou worden vastgesteld dat de opzegging op juiste gronden en correct heeft plaatsgevonden en niet voor vernietiging in aanmerking komt, daarmee voor schadevergoeding geen plaats zou zijn. Amphia wijst erop dat het Scheidsgerecht heeft geoordeeld dat de opzegging gerechtvaardigd was, dat de vordering tot vernietiging van de opzegging dus niet slaagt en dat er alles bijeen grond is voor ernstige verwijten aan [geïntimeerde] van uiteenlopende aard. Door vervolgens toch te oordelen dat Amphia is tekortgeschoten, niet door de toelatingsovereenkomst op te zeggen maar door in het voortraject niet zodanige maatregelen te nemen dat een opzegging wellicht niet nodig zou zijn geweest, heeft het Scheidsgerecht de grenzen van de rechtsstrijd miskend en overschreden en heeft het zich niet aan zijn opdracht gehouden, aldus Amphia.

4.4

Het hof stelt voorop dat de opdracht aan het scheidsgerecht wordt bepaald door de wet en partijen. In dit geval klaagt Amphia over overschrijding van de materiele zijde van de opdracht, oftewel de grenzen van de rechtsstrijd. Deze worden bepaald door de vordering(en) van de eisende partij en het verweer van de verweerder alsmede door de tegenvordering(en) van de eiser in reconventie en de verweren van de verweerder in reconventie.

4.5

Zoals in rov. 2.3 is vermeld, vorderde [geïntimeerde] primair een verklaring voor recht dat de opzegging nietig is en betaling van een schadevergoeding van € 1.575.000 dan wel een door het Scheidsgerecht naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, en subsidiair betaling van een schadevergoeding (van € 75.000). De primair gevorderde schadevergoeding betrof inkomensschade over de periode vanaf de opzegging tot het bereiken van de 67-jarige leeftijd van [geïntimeerde] , uitgaande van het ‘worst case scenario’ dat [geïntimeerde] geen passende functie in een ziekenhuis meer zou vinden. In de memorie van eis in de arbitrage noemde [geïntimeerde] (in de toelichting op de rechtsgrondslag van de vorderingen) als crux van de zaak dat de schade niet was ontstaan als de Raad van Bestuur van Amphia haar taak goed had uitgevoerd, door [geïntimeerde] de helpende hand te bieden en niet klakkeloos te kiezen voor de meerderheid van de maatschap zonder eigen onderzoek in te stellen waaruit objectiveerbaar zou kunnen komen vast te staan of [geïntimeerde] al dan niet intercollegiaal goed zou functioneren. In de memorie heeft [geïntimeerde] dit verwijt verder uitgewerkt. In zijn pleitaantekeningen voor de zitting van het Scheidsgerecht heeft hij zijn standpunt als volgt samengevat: “1.5 De slotsom voor [geïntimeerde] is dat de Raad van Bestuur de ernstige gronden niet heeft aangetoond (i) en daarnaast niets heeft gedaan om [geïntimeerde] binnenboord te houden (ii). Alle activiteiten van de Raad van Bestuur zijn gebaseerd op een exittraject en daarbij heeft de Raad van Bestuur blindelings de meerderheid van de maatschap gevolgd. Dat zijn de verwijten die [geïntimeerde] de Raad van Bestuur maakt en dat maakt het ziekenhuis schadeplichtig.
Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelde dat de opzegging niet rechtsgeldig is en daarom primair vernietiging van de opzegging vorderde, maar niet dat hij zijn vordering tot schadevergoeding uitsluitend daarvan afhankelijk stelde. In tegendeel. Zowel in de arbitrale processtukken als ten tijde van de mondelinge behandeling door het Scheidsgerecht heeft [geïntimeerde] toegelicht dat hij de Raad van Bestuur verwijt onvoldoende te hebben gedaan om de opzegging te voorkomen. [geïntimeerde] vermeldde dit zelfs als "kern van de zaak". Voorts is de vordering (tot vernietiging en schadevergoeding) gebaseerd op wanprestatie dan wel onrechtmatige daad. Het is vervolgens primair aan het Scheidsgerecht om de vorderingen en verweren van partijen uit te leggen. Daarbij is dus niet alleen de letterlijke tekst van het petitum relevant. Gezien het bovenstaande is dan ook niet onbegrijpelijk dat het Scheidsgerecht de verwijten aan de Raad van Bestuur van Amphia als zelfstandige grond voor de gevorderde schadevergoeding heeft opgevat. Dat de primair gevorderde vergoeding zag op de schade die [geïntimeerde] stelde te lijden als gevolg van de opzegging, doet daaraan niet af, omdat dit ook past bij het hiervoor genoemde verwijt. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat het Scheidsgerecht buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door op basis van deze feiten schadevergoeding toe te kennen. Voor de stelling dat het Scheidsgerecht zich niet aan de opdracht heeft gehouden, ziet het hof dan ook geen grond. Een grond voor vernietiging van het arbitrale vonnis levert dit dus niet op.
Arbitraal vonnis niet met redenen omkleed (artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv)?

4.6

Amphia stelt vervolgens dat de uitleg van de vordering door het Scheidsgerecht, zoals hiervoor vermeld, onbegrijpelijk is en niet met redenen is omkleed. Op de gronden als hiervoor vermeld, volgt het hof haar daarin echter niet.

4.7

Verder maakt Amphia een aantal bezwaren tegen de inhoudelijke beoordeling door het Scheidsgerecht. Zij betoogt dat het Scheidsgerecht de stelling van [geïntimeerde] dat de Raad van Bestuur niets heeft gedaan aan de onrust binnen de maatschap ten onrechte heeft gepromoveerd tot een zodanig verweer dat dit alle tekortkomingen van [geïntimeerde] terzijde stelt. Het oordeel dat Amphia niet zou hebben gereageerd op de grote onderlinge problemen in de maatschap en het gevaar van het uiteenvallen van de maatschap is volgens haar aantoonbaar onjuist. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat er geen mogelijkheden zijn onderzocht om te komen tot een oplossing in der minne. Het oordeel dat Amphia heeft laten gebeuren dat de maatschap niet de procedure ‘mogelijk disfunctioneren medisch specialist’ in gang heeft gezet of heeft voortgezet, acht zij onbegrijpelijk. Eveneens onbegrijpelijk vindt zij de overweging dat het Scheidsgerecht er niet van overtuigd is dat [geïntimeerde] niet zou openstaan voor kritiek of zelfinzicht. Ook vindt zij het onbegrijpelijk dat het Scheidsgerecht wat betreft de inzage in de patiëntendossiers en het doorsturen van die gegevens naar het privéadres van [geïntimeerde] heeft kunnen vaststellen dat er verontschuldigingen aan de zijde van [geïntimeerde] bestaan die zijn gedrag ten dele zouden rechtvaardigen. Ten slotte noemt Amphia het onbegrijpelijk dat het Scheidsgerecht een schadevergoeding aan [geïntimeerde] heeft toegekend die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is bepaald op eenmaal de gemiddelde jaarwinst ter hoogte van € 100.000. Zij betoogt dat, nu het Scheidsgerecht bij de bepaling van de schade niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan het tot dit bedrag is gekomen, noch heeft aangegeven welke overwegingen het Scheidsgerecht hebben voorgestaan bij deze wijze van bepalen van de schade, ook om die reden het arbitrale vonnis niet met redenen is omkleed.

4.8

Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat volgens artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv vernietiging van een arbitraal vonnis slechts kan plaatsvinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. Vernietiging op deze grond is slechts mogelijk wanneer de motivering ontbreekt, en is niet mogelijk in gevallen van ondeugdelijke motivering. Het hof is niet bevoegd om op deze vernietigingsgrond het arbitrale vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Wel moet met het ontbreken van een motivering op één lijn worden gesteld het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen. Deze grond moet met terughoudendheid worden toegepast, in die zin dat het hof slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in een arbitrale beslissing.1

4.9

Het Scheidsgerecht heeft vastgesteld dat in de eerste maanden van 2016 in en rondom de maatschap en [maatschap 1] een onhoudbare situatie was ontstaan en heeft geoordeeld dat van de Raad van Bestuur niet kon worden gevergd dat deze een dergelijke geëscaleerde situatie liet voortbestaan. Het Scheidsgerecht heeft daaruit geconcludeerd dat de opzegging als zodanig gerechtvaardigd was, alleen al op grond van artikel 23 lid 1, en onder f van de toelatingsovereenkomst, en dat de primaire vordering tot vernietiging van de opzegging dus niet slaagde. Met deze motivering kon het Scheidsgerecht voor deze beslissing volstaan. Beoordeling van de overige in de opzeggingsbrief genoemde gronden was in zoverre niet nodig, omdat dit niet kon leiden tot een andere beslissing op dit punt.

4.10

Het Scheidsgerecht heeft vervolgens het tweede deel van de primaire vordering, strekkende tot schadevergoeding ter zake van het einde van de toelating, beoordeeld. Het Scheidsgerecht heeft in dat kader het verwijt van [geïntimeerde] onderzocht dat de Raad van Bestuur veel te weinig heeft gedaan om de onrust binnen de maatschap tot een oplossing te brengen en uiteindelijk blindelings de kant van de andere maten heeft gekozen. Volgens [geïntimeerde] is Amphia in deze opzichten tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van de toelatingsovereenkomst. Zoals het Scheidsgerecht heeft overwogen, vereiste dit een onderzoek naar de mate waarin elk van partijen verantwoordelijk kan worden gehouden voor de uiteindelijk onhoudbare situatie waarin opzegging van de toelatingsovereenkomst onontkoombaar was geworden. Het Scheidsgerecht heeft in dit kader eerst de aan de opzegging ten grondslag gelegde verwijten aan het adres van [geïntimeerde] besproken. Het heeft geconcludeerd dat er grond was voor ernstige verwijten aan [geïntimeerde] van uiteenlopende aard. Kort gezegd betrof dit: gedrag van [geïntimeerde] dat bij velen - directe collega’s, personeel en patiënten - ergernis heeft opgewekt, onvolkomen dossiervoering over afspraken met verwijzende tandartsen, die met klachten over ongevraagde behandelingen kwamen, en onrechtmatige inzage door [geïntimeerde] van patiëntendossiers van een ander lid van de maatschap en het doorsturen van gegevens uit deze dossiers naar zijn privémail. Bij laatstgenoemd verwijt heeft het Scheidsgerecht wel enige nuancering aangebracht, namelijk dat [geïntimeerde] de inzage heeft genomen om zich te kunnen verdedigen tegen de verwijten die Amphia ontleende aan het onderzoek naar de dossiers van zijn eigen patiënten, waarbij hij eerst vergeefs had gevraagd om inzage in de dossiers van zijn directe collega’s om te kunnen aantonen dat de aard van zijn behandelingen niet wezenlijk afweek van die van anderen binnen het [maatschap 1] , dat het binnen het [maatschap 1] niet ongebruikelijk was dat men elkaars patiëntendossiers inzag, ook al geschiedde dat veelal met het oog op de behandeling van patiënten, en dat door de inzage geen schade aan patiëntenbelangen is toegebracht.
Het Scheidsgerecht heeft vervolgens de handelwijze van de Raad van Bestuur ten aanzien van het ontstane conflict onder de loep genomen. Het heeft geoordeeld dat de Raad van Bestuur de problemen binnen de maatschap (en betreffende de persoon en positie van [geïntimeerde] ) te lang op hun beloop heeft gelaten, onder vermelding van de redenen waarop dat oordeel berust. Vervolgens heeft het Scheidsgerecht overwogen dat het onzeker is of een eerder en meer adequaat optreden van de Raad van Bestuur de verdere escalatie zou hebben kunnen voorkomen, maar dat dit zeker niet onaannemelijk is. In dat verband heeft het Scheidsgerecht opgemerkt dat, als [geïntimeerde] gehoor had gevonden voor zijn zakelijke kritiek, er een gerede kans is dat hij eerder en in meerdere mate de bereidheid had getoond te laten zien dat hij kritiek op zijn gedrag ter harte nam. Het Scheidsgerecht is tot de slotsom gekomen dat ook aan Amphia een verwijt van betekenis viel te maken, dat zij in dit opzicht van haar kant is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen op grond van de toelatingsovereenkomst en dat dit reden gaf voor een op te leggen schadevergoeding naar billijkheid.

4.11

Zoals Amphia tijdens de comparitie bij het hof heeft erkend, heeft het Scheidsgerecht in dit kader alle door Amphia aan de opzegging ten grondslag gelegde verwijten aan het adres van [geïntimeerde] onderzocht en in de beoordeling van de door [geïntimeerde] gestelde eigen tekortkoming van Amphia betrokken. Voor zover Amphia er in haar brief van 29 november 2018 voor de comparitie van partijen over klaagt dat het Scheidsgerecht niet alle opzeggingsgronden heeft getoetst, kan zij daarin dus niet worden gevolgd. Het Scheidsgerecht heeft verder een gemotiveerd oordeel gegeven over de diverse over en weer gemaakte verwijten. Dat geldt ook voor het oordeel dat Amphia te weinig heeft gedaan om een oplossing mogelijk te maken, wat gezien de eindverantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur voor de goede gang van zaken binnen het ziekenhuis naar het oordeel van het Scheidsgerecht wel van haar had mogen worden verwacht. Van een ongemotiveerde beslissing is daarbij geen sprake. Ook kan niet worden gezegd dat de motivering zo gebrekkig is dat daarin geen enkele steekhoudende verklaring voor de beslissing over de tekortkoming van Amphia en het recht op schadevergoeding van [geïntimeerde] valt te onderkennen. Dat het Scheidsgerecht heeft nagelaten in te gaan op een essentiële stelling van Amphia hierover is verder niet gesteld of gebleken.

4.12

De door Amphia te betalen schadevergoeding heeft het Scheidsgerecht, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en rekening houdend met de ‘eigen schuld’ aan de zijde van [geïntimeerde] , bepaald op een bedrag gelijk aan eenmaal de gemiddelde jaarwinst van [geïntimeerde] als lid van de maatschap. Bij het bepalen van de jaarwinst van [geïntimeerde] uit de maatschap heeft het Scheidsgerecht de door [geïntimeerde] als gemiddelde jaarlijkse winst over de jaren 2012-2014 opgegeven winst tot uitgangspunt genomen. Deze winst bedroeg volgens de opgave van [geïntimeerde] (exclusief de winst uit zijn werkzaamheden voor [maatschap 2] ) € 100.000 per jaar. Het Scheidsgerecht heeft overwogen dat Amphia de juistheid van de opgave van [geïntimeerde] van zijn inkomen uit de maatschap in algemene zin heeft betwist, maar is daaraan voorbijgegaan omdat Amphia haar betwisting onvoldoende met redenen had omkleed.
Naar het oordeel van het hof heeft het Scheidsgerecht met het voorgaande, mede gelet op de vrijheid die de wet (artikel 6:97 BW) de rechter (en ook de arbiter) geeft bij begroting van schade, voldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de schade op deze wijze is bepaald en hoe het schadebedrag is vastgesteld. Van het ontbreken van een motivering of een motivering waarin geen enkele steekhoudende verklaring voor de beslissing valt te onderkennen, is ook hierbij geen sprake.

4.13

De conclusie is dat het arbitrale vonnis ook op deze grond niet voor vernietiging in aanmerking komt.
Strijd met de openbare orde (artikel 1065 lid 1 aanhef en onder e Rv)?

4.14

Amphia klaagt er onder deze noemer in de eerste plaats over dat het Scheidsgerecht een verrassingsbeslissing heeft genomen door schadevergoeding toe te kennen op grond van de vermeende tekortkoming in het voortraject. Amphia stelt dat hierdoor een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden, namelijk het recht om gericht en afdoende verweer te voeren, en dat het arbitrale vonnis daarom in strijd is met de openbare orde. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof echter van oordeel dat Amphia bedacht had kunnen en moeten zijn op de uitleg die het Scheidsgerecht aan de vordering heeft gegeven. Zij heeft zich dan ook kunnen verdedigen tegen de door [geïntimeerde] gemaakte verwijten aan het adres van de Raad van Bestuur en de daarop gebaseerde schadevergoedingsvordering. Het hof ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het Scheidsgerecht in strijd met het recht op hoor en wederhoor heeft gehandeld.

4.15

Amphia voert verder aan dat hetgeen het Scheidsgerecht ten aanzien van de inzage en verzending van patiëntgegevens heeft vastgesteld in strijd is met de openbare orde, omdat het Scheidsgerecht met zijn oordeel fundamentele regels van dwingend recht (patiëntenrechten, beschermd onder andere door de Wet bescherming persoonsgegevens) heeft miskend. Ook in dat standpunt volgt het hof Amphia echter niet. Het Scheidsgerecht heeft met zoveel woorden geoordeeld dat het [geïntimeerde] niet vrijstond de patiëntendossiers van zijn collega in te zien, laat staan om gegevens daaruit over te brengen naar zijn privémail en heeft dit ook aan [geïntimeerde] verweten. Het heeft dit verwijt echter in het kader van de beantwoording van de vraag in welke mate ieder van partijen verantwoordelijk is voor de ontstane onhoudbare situatie genuanceerd en daaraan minder gewicht toegekend dan Amphia doet. Van een oordeel dat strijdig is met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd, is hierbij geen sprake.
De samenstelling van het Scheidsgerecht

4.16

Ten slotte voert Amphia aan dat gebleken is van partijdigheid van één van de drie arbiters, namelijk [persoon 1] . Amphia wijst erop dat zij deze partijdigheid aan de orde heeft gesteld direct nadat de samenstelling van het Scheidsgerecht bekend was gemaakt en verwijst daartoe naar correspondentie met de voorzitter van het Scheidsgerecht. Het gaat daarbij met name om betrokkenheid van [persoon 1] bij [geïntimeerde] en/of de vrouw van [geïntimeerde] en/of een door [geïntimeerde] gepresenteerde belangrijke getuige. Amphia voert verder aan dat arbiter [persoon 1] zich tijdens de mondelinge behandeling onjuist heeft opgesteld met de vraag/opmerking in de richting van Amphia dat hij zich afvroeg waarom Amphia niet de moeite had genomen om “een biertje te drinken met [geïntimeerde] om er op die wijze - met beide benen op tafel - gezamenlijk uit te komen”. De vertegenwoordigers van Amphia hebben zich tijdens en ook na de mondelinge behandeling op 6 december 2016 ernstig afgevraagd of zij door arbiter [persoon 1] in dit kader serieus werden genomen; zij hebben zijn optreden als insinuerend en badinerend ervaren. Volgens Amphia heeft arbiter [persoon 1] daarmee de schijn van partijdigheid gewekt.

4.17

Voorop staat dat bij de beantwoording van de vraag of een arbitraal vonnis vernietigbaar is wegens strijd met de openbare orde in verband met een beroep op het niet onpartijdig of onafhankelijk zijn van een arbiter een strengere maatstaf moet worden aangelegd dan wanneer het gaat om wraking of verschoning. Voor vernietiging van het arbitrale vonnis op deze grond is alleen plaats wanneer feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op grond waarvan moet worden aangenomen dat hetzij een arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig dan wel niet onafhankelijk was, hetzij omtrent diens toenmalig onpartijdig of onafhankelijk zijn in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het, de overige omstandigheden van het geval mede in aanmerking genomen, onaanvaardbaar zou zijn van de partij die in de arbitrage in het ongelijk is gesteld te vergen dat zij zich bij de uitspraak neerlegt. Verder geldt dat een partij in een zodanige vordering tot vernietiging slechts kan slagen, indien de door hem aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden hem gedurende de arbitrale procedure niet bekend zijn geweest en het hem niet valt toe te rekenen dat hij daarmee in dat stadium niet bekend was. Valt dit hem wel toe te rekenen of was hij daarmee al vóór het arbitrale vonnis bekend, dan heeft voor hem de weg van wraking van de betreffende arbiter opengestaan, hetgeen een vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis op grond van deze feiten en omstandigheden uitsluit.2

4.18

Duidelijk is dat de feiten en omstandigheden over de veronderstelde betrokkenheid van arbiter [persoon 1] bij [geïntimeerde] en/of zijn vrouw en/of een getuige aan zijn kant al tijdens de arbitrageprocedure bekend waren bij Amphia. Zoals zij vermeldt en zoals ook uit de overgelegde correspondentie blijkt, heeft zij deze feiten en omstandigheden immers al direct na de bekendmaking van de samenstelling van het Scheidsgerecht aan de voorzitter gemeld en verzocht om vervanging van deze arbiter. Amphia heeft, nadat dit verzoek was afgewezen, de arbiter niet gewraakt. Nu voor Amphia de weg van wraking op de voet van het Arbitragereglement van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg heeft opengestaan, maar zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, is vernietiging van het arbitrale vonnis op deze grond niet meer mogelijk. Hetzelfde geldt voor de gewraakte uitlating van de arbiter tijdens de mondelinge behandeling: ook daarmee was Amphia al vóór het arbitrale vonnis (immers: tijdens de mondelinge behandeling) bekend. Als de bedoelde vraag of opmerking twijfel bij haar wekte over de onpartijdigheid van de arbiter, had zij dit op dat moment aan de orde kunnen stellen en eventueel van de mogelijkheid van wraking conform het genoemde Arbitragereglement binnen een week na de mondelinge behandeling gebruik kunnen maken. Nu zij dat niet heeft gedaan, is vernietiging van het arbitrale vonnis op deze grond niet meer aan de orde. Daarnaast merkt het hof nog op dat de bedoelde opmerking van de arbiter kennelijk apaiserend was bedoeld, om de mogelijkheden van een schikking te verkennen. Een blijk van vooringenomenheid ziet het hof er niet in. Van een situatie waarin zo ernstige twijfel aan de onpartijdigheid van de arbiter mogelijk is dat van Amphia niet kan worden gevergd dat zij zich bij het arbitrale vonnis neerlegt, is geen sprake.

4.19

Gelet op het voorgaande is het arbitrale vonnis ook niet vernietigbaar wegens strijd met de openbare orde.

5 De slotsom

5.1

De vordering tot vernietiging zal worden afgewezen. Dit brengt mee dat de vordering tot terugbetaling van hetgeen Amphia op grond van het arbitrale vonnis heeft voldaan - daargelaten of deze in een geding tot vernietiging van een arbitraal vonnis kan worden ingesteld - ook niet toewijsbaar is.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Amphia veroordelen in de kosten van de procedure. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 1.628 voor verschotten (griffierecht) en op € 6.322 voor salaris advocaat (2 punten x tarief V, € 3.161 per punt).

6 De beslissing

Het hof, recht doende:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Amphia in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.628 voor verschotten en op € 6.322- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, H.E. de Boer en M. van Hooijdonk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.

1 HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4947, HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380 en HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1593.

2 HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1266.