Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8188

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.223.657/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op artikel 9 Wahv behandelt de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en beslist daarop. Dat is hier niet gebeurd. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard. Uit de overwegingen van de kantonrechter volgt dat hij tot het oordeel was gekomen dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond moest worden verklaard en die beslissing vernietigd. De kantonrechter heeft daarbij verwezen naar de overwegingen in de tussenbeslissing en die als uitgangspunt

genomen. Bedoeld is het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter verbeterd lezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.223.657/01

CJIB-nummer

: 195277336

Uitspraak d.d.

: 8 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 september 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 18 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde klaagt er over dat de kantonrechter zijn tussenbeslissing van 3 mei 2017 heeft miskend.

2. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in de overwegingen van de tussenbeslissing van 3 mei 2017 heeft geoordeeld dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond is en dat hij zal beslissen op het beroep tegen de initiële beschikking. Vervolgens heeft de kantonrechter de officier van justitie de gelegenheid geboden om nadere stukken over te leggen die betrekking hebben op de gronden van dat beroep en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard. Gelet op de overwegingen van de kantonrechter betreft dit uitsluitend het beroep tegen de inleidende beschikking.

3. Gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wahv behandelt de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en beslist daarop. Dat is hier niet gebeurd. De kantonrechter, die in de overwegingen van zijn tussenbeslissing van 3 mei 2017 tot het oordeel was gekomen dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond moest worden verklaard en in zijn bestreden beslissing verwezen heeft naar de overwegingen in die tussenbeslissing en die overwegingen als uitgangspunt heeft genomen voor de daarop volgende overwegingen, had, in het dictum van de bestreden beslissing, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond moeten verklaren en die beslissing moeten vernietigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter verbeterd lezen in die zin dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, die beslissing heeft vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard. De betrokkene is hierdoor niet in zijn rechtens te erkennen belangen geschaad.

4. Het hoger beroep is verder gericht tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover deze het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard.

5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Verbod stil te staan (bord E2)”, welke gedraging zou zijn verricht op 22 januari 2016 om 19:13 uur op de Conradstraat te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

6. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de ambtenaar niet bevoegd was om de sanctie op te leggen, nu niet is gebleken dat de sanctie is gerelateerd aan de openbare orde en bovendien niet is voldaan aan de in Bijlage L van die Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar gestelde voorwaarden.

7. Het hof kan het betoog van de gemachtigde niet volgen. Ten tijde van het opleggen van de sanctie golden de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO). Het optreden van de ambtenaar valt binnen de in artikel 6.4 van de BBO toegekende bevoegdheden. Voor de handhaving van de negatie van de hier in geding zijnde bebording geldt niet de eis van relatie tot de openbare orde. Evenmin geldt daarvoor de door de gemachtigde genoemde eis uit Bijlage L.

8. Voorts voert de gemachtigde aan dat de verbalisant geen foto's heeft gemaakt. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van het hof van 4 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6721.

9. Dit verweer treft ook geen doel. Het dossier bevat met de aankondiging van beschikking en het aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar voldoende gegevens op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In dit geval zijn daartoe geen foto's nodig. De ambtenaar, heeft overigens, anders dan de gemachtigde kennelijk meent, niet verklaard dat er foto's zijn gemaakt.

10. Ook voert de gemachtigde aan dat de situatie ter plaatse zeer onduidelijk is. Er staan weliswaar borden E2 maar er zijn ook specifieke parkeerhaventjes teneinde de auto te plaatsen, die met een P-bord worden aangeduid. De gedraging kan de betrokkene derhalve niet worden verweten, aldus de gemachtigde. Ter onderbouwing van het verweer heeft hij een foto van de Conradstraat ingebracht.

11, Niet is aannemelijk geworden dat sprake was van een dermate onduidelijke situatie dat de betrokkene niet kan worden verweten de gedraging te hebben verricht. De enkele omstandigheid dat (op de door de gemachtigde overgelegde foto's is te zien dat) in de Conradstraat parkeervakken aanwezig zijn, is daartoe onvoldoende.

12. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.

13. Tenslotte klaagt de gemachtigde erover dat kantonrechter niet heeft beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, terwijl er, gelet op de schending van de hoorplicht, wel aanleiding was voor de toekenning daarvan.

14. Het hof stelt vast dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding. Aangezien de inleidende beschikking niet is vernietigd, kon de kantonrechter dit verzoek slechts afwijzen (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Gelet hierop bestaat geen belang bij vernietiging van de bestreden beslissing op dit punt.

15. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

16. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wordt afgewezen onder verwijzing naar het in overweging 14. genoemde arrest.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.