Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8175

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
200.254.489
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. IPR, Iraans recht van toepassing op huwelijksvermogensregime. 4 HHV 1978.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.254.489

(zaaknummer rechtbank Gelderland 343292)

beschikking van 8 oktober 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. drs. J.L. Zegelink te Elst, gemeente Overbetuwe,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in het hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Jawaheri te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de rechtbank), van 13 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 februari 2019;

- het verweerschrift, tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroepschrift, met producties;

- een journaalbericht van mr. drs. J.L. Zegelink, met producties, van 20 juni 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 juli 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Ter zitting heeft het hof geoordeeld dat de vrouw heeft nagelaten om incidenteel appel in te stellen tegen de bestreden beschikking zodat niet beslist zal worden op haar verzoek tot betaling van de bruidsgave en tot verdeling van de vermogensbestanddelen van de man bij helfte. Bij de beraadslaging na de zitting is het hof gebleken dat deze beslissing mogelijk berust op een onjuiste grondslag. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich schriftelijk uit te laten over het voornemen van het hof om terug te komen op deze beslissing.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2012 gehuwd in [B] . Partijen hebben daarbij een huwelijksakte ondertekend waarin onder meer is opgenomen dat de vrouw als bruidsgave recht heeft op betaling door de man van 110 Bahar-e-Azadi gouden munten en dat de vrouw recht heeft op de helft van alle vermogensbestanddelen van de man, in het geval op initiatief van de man de echtscheiding plaatsvindt.

3.2

Zowel de man als de vrouw hadden ten tijde van de huwelijkssluiting de Iraanse nationaliteit. De man had naast de Iraanse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit.

3.3

Ten tijde van het huwelijk woonde de man in Nederland. De vrouw woonde in Iran. De vrouw heeft zich omstreeks medio maart 2013 bij de man gevoegd in [C] .

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw heeft op 26 september 2018 het echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken ingediend. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en, voor zover hier van belang, als volgt beslist op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw:

“ 2. beveelt dat de partijen met elkaar overgaan tot verdeling van de gemeenschap ten overstaan van een (door hen zelf te kiezen) notaris;

benoemt – echter alleen voor het geval dat zij over de keuze van een notaris niet tot overeenstemming kunnen komen – tot notaris mr. M. van de Geer, notaris te Nijmegen, of diens waarnemer of opvolger en bepaalt dat

  • -

    als de vrouw niet meewerkt aan de verdeling, mr. L. van Sommeren, advocaat te Nijmegen, als haar vertegenwoordiger zal optreden;

  • -

    als de man niet meewerkt aan de verdeling, mr. S. van Oers, advocaat te Nijmegen, als zijn vertegenwoordiger zal optreden;

(…)”

4.2

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de overweging van de rechtbank dat bij gebreke van een destijds gemaakte rechtskeuze het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlands recht. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing dat het Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing is en opnieuw beschikkende, zo begrijpt het hof, te verklaren voor recht dat het Iraans huwelijksvermogensrecht van toepassing is.

4.3

De vrouw voert verweer. Zij verzoekt, zo verstaat het hof, de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voorts begrijpt het hof dat de vrouw bedoelt in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep te verzoeken de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen het bedrag van € 31.350,- (de bruidsgave) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van de te geven beschikking en zijn vermogensbestanddelen te delen in gelijke helften met de vrouw, met veroordeling van de man in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht

5.1

Op grond van artikel 3 van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel IIbis) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding. Uit artikel 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in combinatie met artikel 3 Brussel IIbis volgt dat de Nederlandse rechter dan tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van het geschil over het huwelijksvermogen van partijen. Gelet op het voorgaande was naar het oordeel van het hof, de rechtbank bevoegd om van het op 26 september 2018 ingediende echtscheidingsverzoek met nevenverzoek kennis te nemen, aangezien de partijen ten tijde van de indiening van het verzoek hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland, te weten in [A] .

Toepasselijk recht

5.2

Tussen partijen is in geschil welk recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensregime. Daarmee samenhangend is in geschil of de diverse vermogensbestanddelen moeten worden verdeeld en of de man de vrouw de bruidsgave dient te betalen.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn gehuwd [in] 2012. Gelet op de datum van de huwelijksvoltrekking, is het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, of wel het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HHV1978) van toepassing.

5.4

Ingevolge artikel 3 HHV 1978 wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór hun huwelijk hebben aangewezen. Volgens artikel 11 HHV1978 moet een rechtskeuze uitdrukkelijk tussen de echtgenoten zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voortvloeien uit de door hen gemaakte huwelijkse voorwaarden. Van belang is dat de echtgenoten de rechtskeuze gezamenlijk maken. Nu de vrouw de stelling van de man, dat uit de huwelijksakte de rechtskeuze zou blijken, gemotiveerd heeft betwist en uit de huwelijksakte geen uitdrukkelijke rechtskeuze noch een impliciete rechtskeuze blijkt, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een rechtskeuze. Gelet hierop zal het hof onderzoeken of ingevolge artikel 4 lid 1 HHV1978 in dit geval het recht van het eerste huwelijksdomicilie van toepassing is.

Het hof stelt vast dat partijen niet direct na hun huwelijk zijn gaan samenleven. Uit het verhandelde ter terechtzitting van 4 juli 2019 is gebleken dat de vrouw na de huwelijksvoltrekking in Iran is gebleven en dat de man weer naar Nederland is vertrokken. Partijen zijn het er over eens dat de vrouw zich omstreeks medio maart 2013 bij de man in Nederland heeft gevoegd. Dat is bijna een jaar later dan de datum van de huwelijksvoltrekking. Naar het oordeel van het hof ontbreekt in dit geval een eerste huwelijksdomicilie (zie ook ECLI:NL:GHARL:2019:2397).

Nu er geen sprake is van een rechtskeuze, noch van een eerste huwelijksdomicilie volgt uit artikel 4 lid 2 HHV 1978 dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het recht van de Staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting. Het hof overweegt dat beide partijen ten tijde van hun huwelijk de Iraanse nationaliteit hadden. Hieruit volgt dat het Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Gelet hierop, slaagt de grief van de man in zijn hoger beroep en faalt het verweer van de vrouw. Dat betekent dat de door de man verzochte verklaring voor recht dat Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen kan worden toegewezen.

5.5

Nu de grief van de man slaagt, komt het hof toe aan de beoordeling of het verweer van de vrouw in hoger beroep dient te worden opgevat als een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Zoals hiervoor vermeld onder 2.3 zal het hof partijen in de gelegenheid stellen zich schriftelijk uit te laten over de voorgenomen beslissing van het hof ten aanzien van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vrouw. Tevens dienen partijen dan aan te geven of zij, in het geval het hof terugkomt op haar beslissing dat de vrouw geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, een mondelinge behandeling wensen of de voorkeur geven aan een schriftelijke afdoening door het hof. In het laatste geval dienen partijen aan te geven of zij een nadere schriftelijke ronde wensen, dan wel of het hof de zaak kan afdoen op de aanwezige stukken.

Het hof geeft partijen in overweging om - nu met deze beschikking duidelijkheid wordt gegeven over welk recht van toepassing is - te onderzoeken of zij een minnelijke regeling kunnen treffen ter beëindiging van dit geschil, zoals ter zitting ter sprake is gekomen.

5.6

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende

stelt partijen in de gelegenheid zich uiterlijk op dinsdag 22 oktober 2019 bij brief aan de griffie en de wederpartij uit te laten als bedoeld in 5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, I.G.T.M. Weijers - van der Marck en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 8 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.