Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8138

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
200.246.731/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Beperkte beschikbaarheid deskundigen leidt tot vertraging ouderschapsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.246.731/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/160178 / FJ RK 18-268)

beschikking van 1 oktober 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende(n) zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader.

[de pleegouders] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige] .

1
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 3 januari 2019 en 28 maart 2019 tussenbeschikkingen gegeven.

1.2

Na de tussenbeschikking van 28 maart 2019 zijn ter griffie van het hof binnengekomen:

- een brief van de tot deskundige benoemde psycholoog mevrouw [E] van 2 mei 2019;

- een brief van mr. De Boer van 7 augustus 2019 met bijlage;

- een brief van mevrouw [D] , psychiater, namens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna NIFP) van 9 september 2019 met bijlage.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 3 januari 2019 en 28 maart 2019, voor zover uit het hierna volgende niet anders blijkt.

2.2

In de tussenbeschikking van 3 januari 2019 heeft het hof geoordeeld dat, voor de beoordeling van de vraag of een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder verantwoord is, alsnog onderzoek dient plaats te vinden naar de vraag of de moeder, zo nodig met hulp, over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt om [de minderjarige] uiteindelijk zelf te verzorgen en op te voeden, waarbij de belangen van [de minderjarige] en in het bijzonder haar recht om zich volledig en harmonieus te ontwikkelen, uiteraard voorop dienen te staan.

2.3

In de tussenbeschikking van 28 maart 2019 zijn vervolgens mevrouw [E] (GZ-psycholoog) en de heer [F] (psychiater) benoemd tot deskundigen en zijn voor ieder van de deskundigen de (deel)vragen van het te verrichten onderzoek vastgesteld.

2.4

De tot deskundige benoemde psychiater is in mei 2019 met (zijn deel van) het onderzoek begonnen en heeft dit inmiddels afgerond. De tot deskundige benoemde psycholoog heeft de opdracht in mei 2019 teruggegeven waarna het hof, zelfstandig en met een herhaald bemiddelingsverzoek aan het NIFP, op zoek is gegaan naar een vervangende deskundige. Dit heeft enige tijd in beslag genomen onder meer door de omvang en complexiteit van het gewenste onderzoek en de beperkte beschikbaarheid van deskundigen.

2.5

Het NIFP heeft, na een telefonische vooraankondiging in augustus, bij brief van 9 september 2019 een vervangende deskundige voorgedragen, te weten mevrouw [G] , GZ-psycholoog. Zoals eerder in de tussenbeschikking van 28 maart 2019 overwogen hebben partijen en belanghebbenden op voorhand ingestemd met de persoon van de deskundige. Voorafgaand aan onderhavige benoeming heeft het hof in zijn brief van 19 augustus 2019 deze instemming naar de moeder nogmaals benoemd.

2.6

Het hof zal daarom overgaan tot benoeming van genoemde mevrouw [G] tot deskundige met gelijktijdige intrekking van de eerdere benoeming van mevrouw [E] . Daarbij zal het hof voor de duidelijkheid de door de deskundige te beantwoorden vragen herhalen en opnieuw vaststellen als volgt:

1. Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van [de minderjarige] worden beschreven, in zijn algemeenheid en ten aanzien van de gehechtheid in het bijzonder?

2. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven

- op basis van klinische impressies, en

- op basis van psychologisch testonderzoek?

3. Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de moeder, mede bezien in relatie tot de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] ? Zijn er (contra-)indicaties voor opvoeding en verzorging in de thuissituatie, gelet op eventuele psychische en/of psychiatrische problematiek bij de moeder?

4. In hoeverre is terugplaatsing (op korte of lange termijn) in het belang van [de minderjarige] , waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de verwachte gevolgen van die terugplaatsing op de ontwikkeling van [de minderjarige] ?

5. Is er een risico voor (de ontwikkeling van) [de minderjarige] bij (terug)plaatsing bij de moeder? Zo ja, waaruit bestaat dat risico naar verwachting en hoe groot is dat risico? Hierbij dient zowel het risico op de korte termijn als op de lange termijn aan de orde te komen.

6. Kan dit risico mogelijkerwijs worden beperkt en zo ja, op welke wijze? Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de termijn waarop en de voorwaarden waaronder een eventuele (terug)plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder kan plaatsvinden.

7. Is hulpverlening aangewezen voor [de minderjarige] en/of de moeder om terugplaatsing naar huis te verwezenlijken? Zo ja, welke? Wat kan er gezegd worden over de haalbaarheid en effectiviteit van deze hulpverlening?

8. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige] en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

2.7

Het hof laat de inrichting van het onderzoek over aan de deskundige, met dien verstande dat zij daarbij de "Leidraad deskundigen in civiele zaken" in acht dient te nemen, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, waarbij ook wordt gewezen op het daarin gestelde met betrekking tot de eigen beroepsregels.

2.8

De deskundige dient, tezamen met de eerder tot deskundige benoemde psychiater, uiterlijk op 31 december 2019 schriftelijk aan het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek.

2.9

In dit geval zal het aan de deskundige toekomende bedrag bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor geldende regelingen ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald worden. Daarbij merkt het hof op dat de kosten van het onderzoek zonder toestemming van de hierna te benoemen raadsheer-commissaris het bedrag van de offerte van 5 september 2019, die is overgelegd bij de brief van het NIFP van 9 september 2019, niet mogen overstijgen. Genoemd bedrag komt voor het psychologisch onderzoek neer op een totaalbedrag van afgerond € 8.870,- inclusief btw en reiskosten.

2.10

Het hof wijst betrokkenen er nogmaals op dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door een deskundige. Wanneer de medewerking wordt geweigerd, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het geraden acht en zal het hof op basis van de huidige stukken een beslissing op het verzoek in hoger beroep nemen.

2.11

Het hof zal de behandeling van de zaak (opnieuw) aanhouden tot een nader te bepalen zitting, tenzij partijen kenbaar maken dat of door het hof ambtshalve wordt besloten dat de zaak verder op de stukken kan/zal worden afgedaan.

2.12

Een kopie van deze beschikking zal ook aan de tot deskundige benoemde psychiater toegezonden worden zodat hij weet dat mevrouw [G] tot deskundige is benoemd voor het psychologisch (deel van het) onderzoek en weet dat het deskundigenbericht thans vóór 31 december 2019 aan het hof moet worden toegezonden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

handhaaft het bevel tot onderzoek door een deskundige teneinde aan het hof bericht uit te brengen omtrent de onder overweging 2.6 genoemde vragen (die gelijk zijn aan de eerder, in de beschikking van 28 maart 2019, onder overweging 2.10 genoemde vragen);

benoemt tot deskundige voor het onderzoek naar deze vragen:

- mevrouw [G] , GZ-psycholoog, domicilie kiezende te Utrecht, kantoor NIFP, Postbus 870, 8000 AW Zwolle;

onder intrekking van de benoeming tot deskundige van mevrouw [E] , GZ-psycholoog en Registerpsycholoog Kind en Jeugd, en de aan haar gegeven opdracht in de beschikking van 28 maart 2019;

verzoekt de deskundige zo spoedig mogelijk het onderzoek aan te vangen;

bepaalt dat de deskundige tijdens het onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;

bepaalt dat de deskundige een concept-deskundigenbericht aan partijen zal toesturen en partijen in de gelegenheid zullen stellen op dat concept te reageren alvorens een definitief bericht uit te brengen; in het definitieve deskundigenbericht zullen de deskundigen de reacties van partijen op het concept bespreken;

bepaalt dat (de advocaat van) de moeder als verzoekster in hoger beroep aan de deskundige een kopie van het volledige procesdossier ter beschikking zal stellen;

beveelt partijen om aan de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken;

bepaalt dat de deskundige, tezamen met de eerder tot deskundige benoemde psychiater, het ondertekende deskundigenbericht vóór 31 december 2019 zal toesturen aan de griffie van dit hof (Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden);

bepaalt dat de kosten van de deskundige - volgens de opgave in de offerte van 5 september 2019 - ten laste van 's Rijks kas zal komen;

bepaalt dat de deskundige zich - door tussenkomst van de griffie - met vragen en opmerkingen kan wenden tot mr. G.M. van de Meer, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;

bepaalt dat partijen en (overige) belanghebbenden na ontvangst van de resultaten van het deskundigenonderzoek in de gelegenheid zullen worden gesteld om zich binnen twee weken na ontvangst van het deskundigenbericht schriftelijk uit te laten over de resultaten van het onderzoek;

bepaalt dat de zaak zal worden behandeld op een nader te bepalen zitting, tenzij door partijen kenbaar wordt gemaakt dan wel door het hof ambtshalve wordt besloten dat de zaak verder op de stukken kan/zal worden afgedaan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. G.M. van der Meer en mr. A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 1 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.