Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:813

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
200.206.832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatie- en zorgplicht verzekeraar bij beleggingsverzekeringen, afgesloten in de periode 1988-1998. Hoger beroep van ECLI:NL:RBGEL:2016:5476

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/21 met annotatie van W.M.A. Kalkman
JOR 2019/136 met annotatie van dr. mr. F.M.A. 't Hart
RF 2019/51
NTHR 2019, afl. 4, p. 184
JONDR 2019/920
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.206.832

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 295782)

arrest van 29 januari 2019

in de zaak van

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) [appellanten] ,

advocaat: mr. R.H.J.M. Silvertand,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

Aegon Levensverzekering N.V.,

2. de naamloze vennootschap

Aegon Nederland N.V.,

beiden gevestigd te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: (in vrouwelijk enkelvoud) Aegon,

advocaat: mr. B.W.G. van der Velden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 april 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit de meervoudige comparitie van partijen van 7 november 2018, waarbij de advocaten van beide partijen aan de hand van spreekaantekeningen het woord hebben gevoerd en waarbij akte is verleend van in het geding brengen van de door [appellanten] ingediende producties 60, 63 tot en met 66, 68 en 69 en de bij dezelfde akte aangekondigde vermeerdering van eis is toegestaan.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen (r.o.) 2.1 tot en met 2.23 van het bestreden vonnis van 12 oktober 2016 (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBGEL:2016:5476), met dien verstande dat van r.o. 2.4 slechts de eerste zin wordt overgenomen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende.

Het echtpaar [appellanten] heeft drie beleggingsverzekeringen gesloten bij Aegon.

De eerste betrof een door [appellant sub 2] gesloten kapitaalverzekering gekoppeld aan de hypotheek, afgesloten op 15 juli 1988 voor een periode van 30 jaar met een premie van f 1.640,95 per jaar en een verzekerd kapitaal van f 80.000 bij overlijden. Bij in leven zijn van de verzekerde op 15 juli 1988 zou het verzekerd kapitaal door een overrentewinstdeling tenminste f 88.000 bedragen. Deze verzekering is op 15 december 1997 (ten tijde van het afsluiten van een nieuwe hypothecaire geldlening) gewijzigd in een Safe Rendement Plan met een premie van f 2.410,43 per jaar en een verzekerd kapitaal van f 90.333. Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid was steeds meeverzekerd. Na afloop van de verzekering is circa € 46.000 uitgekeerd. Deze verzekering zal hierna worden aangeduid als Safe Rendement Plan I.

De tweede betrof een door [appellant sub 1] ten behoeve van een aanvullend pensioen op 28 december 1990 afgesloten lijfrenteverzekering voor een periode van 30 jaar, waarmee werd deelgenomen in het Aegon Fundplan. De premie bedroeg in eerste instantie f 3.000 per jaar en het verzekerd kapitaal bij overlijden (en bij leven op de einddatum voor zover gedurende 10 jaar tevoren werd deelgenomen in Fundplanfondsen met een garantiebepaling) f 144.635. Ook hier was premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid meeverzekerd. Deze verzekering zal hierna worden aangeduid als Fundplan. Op grond van toetsing van het Fundplan aan het Stichtingsakkoord (gebaseerd op de Aanbeveling Ombudsman Financiële Dienstverlening van 4 maart 2008) heeft Aegon Leven een compensatie van € 2.149,69 in het Fundplan gestort. De belegde waarde bedroeg ten tijde van de comparitie in hoger beroep circa € 80.000.

De derde betrof een op 25 mei 1998 door [appellant sub 1] gesloten kapitaalverzekering gekoppeld aan de hypotheek (Aegon Safe Hypotheek, waarbij de spaarpremie werd belegd in het Aegon Equity Fund) voor een periode van 20 jaar met een premie van f 175,89 per maand en een verzekerd kapitaal bij overlijden van f 43.000. Als kapitaal bij leven gold de totale belegde waarde met een minimum kapitaal van f 43.000. Vanwege het vervallen van de (verplichte) verpanding is deze verzekering in 2010 omgezet in een Safe Rendement Plan. Na afloop van de verzekering is circa € 26.000 uitgekeerd (nadat op grond van toetsing aan het Stichtingsakkoord € 1.864,64 ter compensatie in het Safe Rendement Plan was gestort). Deze verzekering zal hierna worden aangeduid als Safe Rendement Plan II.

Bij de eerste twee verzekeringen gold, totdat [appellant sub 2] met ingang van 1996 bij Aegon uit dienst trad, een personeelskorting van 28% op de te betalen premie (verdisconteerd in de hierboven genoemde premiebedragen). [appellanten] is bij het afsluiten van de beleggingsverzekeringen geadviseerd door [naam medewerker 1] en later [naam medewerker 2] , beiden als personeelsadviseur in dienst bij Aegon.

[appellanten] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat Aegon hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de significante afslag van risicopremies en kosten op de betaalde premies, waardoor veel minder geld is belegd dan hij dacht en de kans op aflossing van de hypotheekschuld en op vergaring van een pensioen veel kleiner was dan voorgespiegeld.

3.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. De grieven, gericht tegen die afwijzing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.3

Na vermeerdering van eis vordert [appellanten] in hoger beroep – samengevat weergegeven – Aegon hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 104.802, Aegon Leven te veroordelen geen inhoudingen op de te betalen premie te onttrekken, althans Aegon te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de nog te betalen premie vanaf 1 oktober 2018 in de lopende verzekering en de premie die blijkens de door Aegon Leven te versturen waardeoverzichten beschikbaar was om te beleggen, met veroordeling van Aegon in de kosten van beide instanties.

3.4

Tussen partijen staat vast dat in de documentatie en de polissen ten aanzien van de drie beleggingsverzekeringen (hierna de verzekeringen) niet is vermeld dat op de door [appellanten] betaalde premie eerst kosten (eerste kosten en doorlopende kosten), risicopremie en premie arbeidsongeschiktheidsdekking in rekening worden gebracht en dat slechts het bedrag dat dan resteert (door Aegon de spaarpremie genoemd) wordt belegd in de verschillende fondsen. Wel is in de verstrekte documentatie aan de hand van voorbeeldkapitalen getoond welk kapitaal zou kunnen worden opgebouwd, uitgaande van een voorbeeld maandpremie, looptijd en fondsrendement. Niet betwist is dat bij die voorbeeldkapitalen rekening is gehouden met alle kosten en premies.

3.5

Tussen partijen staat voorts vast dat de ten tijde van het afsluiten van de verzekeringen toepasselijke wet- en regelgeving Aegon niet (specifiek) verplichtte om inzicht te geven in (de hoogte) van voormelde kosten en premies. Vanaf 1 juli 1994 is, op grond van artikel 51 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, ter implementatie van de Derde Levensrichtlijn (Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992), de Regeling informatieverschaffing aan verzekeringnemers 1994 (Riav 1994) in werking getreden. Die regeling voorzag niet in de verplichting om inzage te geven in de kosten(structuur). In juni 1996 heeft het Verbond van Verzekeraars de Code Rendement en Risico 1996 (CRR 1996) opgesteld (een gedragscode), die op 1 januari 1997 in werking is getreden, op basis waarvan verzekeraars zich er toe hebben verplicht voorbeeldkapitalen te geven in plaats van prognosekapitalen. Daaraan heeft Aegon voor de onderhavige verzekeringen voldaan.

3.6

[appellanten] betoogt echter dat niet alleen moet worden bezien of Aegon voldeed aan de publiekrechtelijke normen, maar ook of zij de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die jegens haar toekomstige contractspartij betaamde. Op basis van haar bijzondere zorgplicht diende Aegon voldoende en juiste informatie te verschaffen, teneinde te voorkomen dat [appellanten] vanwege gebrekkig inzicht of eigen lichtvaardigheid beslissingen zou nemen die voor hem nadelig zouden zijn. Daarbij hoort volgens [appellanten] ook het geven van inzicht in de (eerste en doorlopende) kosten en de hoogte van de spaarpremie waarmee belegd zal worden, opdat hij zijn kansen op een bepaald rendement kan inschatten. Ter onderbouwing van zijn stelling dat open (zorgvuldigheids)normen ook ten tijde van het afsluiten van de aan de orde zijnde verzekeringen al inhielden dat informatie over de kosten moest worden gegeven, voert [appellanten] aan dat er destijds verschillende verzekeraars waren die hun klanten wel gedetailleerd informeerden.

Aegon stelt zich allereerst op het standpunt dat tot 1 juli 1994 geen regels bestonden die zagen op de wijze waarop een verzekeraar haar klanten diende te informeren. Ten aanzien van de periode na implementatie van de Derde Levensrichtlijn blijkt volgens Aegon uit de uitspraak van het HvJ EU 29 april 2015 (ECLI:EU:C:2015:286) dat op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals “open en/of ongeschreven regels”, alleen een aanvullende informatieverplichting kan bestaan voor zover – kort gezegd – voor de verzekeraar met een voldoende mate van voorspelbaarheid vast te stellen is welke informatie hij moet verstrekken en voor zover de informatie noodzakelijk is voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en duidelijk en nauwkeurig is. Aan deze voorwaarden is volgens Aegon niet voldaan. Voorts stelt Aegon dat op basis van destijds heersende opvattingen geen verplichting bestond om meer inzicht te geven in de kosten (en risicopremie) dan zij destijds deed.

3.7

Om met dat laatste punt te beginnen, het hof volgt Aegon in haar stelling dat de ten tijde van het afsluiten van de verzekeringen (in de periode 1988-1998) heersende rechtsopvattingen (de open normen) niet meebrachten dat Aegon [appellanten] ten aanzien van deze verzekeringen had moeten informeren over het inhouden van risicopremie en kosten op de te betalen premie. Anders dan [appellanten] stelt, rustte op verzekeraars in die tijd niet (zonder meer) een plicht om informatie te geven over de inhouding van kosten (dan wel risicopremie) en/of om duidelijk te maken welk nettobedrag werd belegd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Als gezegd legden de Riav 1994 noch de CRR 1996 de verplichting op om inzage te geven in de kosten. Bij brief ontvangen op 26 mei 1997 (Aanhangsel Handelingen II 1996/97, nr. 1265, p. 2585-2586) antwoordt de minister van Financiën op een Kamervraag over de inzichtelijkheid van de door verzekeraars in rekening gebrachte kosten dat het kostenaspect in de CRR 1996 buiten beschouwing is gelaten en dat de Verzekeringskamer in nauw overleg met zijn ministerie een onderzoek is gestart naar de naleving van de Riav 1994, waarbij tevens wordt geïnventariseerd welke informatie ten aanzien van voorbeeldrendementen, risicobandbreedtes en productkosten aan de consument wordt verstrekt.

Het door de minister van Justitie genoemde onderzoek heeft geresulteerd in een onderzoeksrapport Informatieverstrekking aan verzekeringnemers, opgemaakt door de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) en op 17 maart 1998, nadat de Ombudsman Levensverzekering en de Consumentenbond positief hadden gereageerd op de (concept) rapportage, aan de minister aangeboden (zie Kamerstukken II 1997/98, 25 600 IXB, nr. 19). Uit het onderzoek bleek dat in 56% van de 95 onderzochte beleggingsverzekeringen (van 32 verzekeringsmaatschappijen) administratie- en poliskosten niet werden vermeld. De PVK adviseerde de minister om de Riav 1994 aan te passen, maar wat betreft de weergave van in rekening te brengen kosten, luidde het advies dat slechts kosten die niet in de voorbeeldkapitalen zijn verwerkt, apart zouden moeten worden vermeld.

Vervolgens is met ingang van 1 oktober 1998 (en met instemming van de Consumentenbond) de CRR 1998 in werking getreden. Om de verzekeringnemer beter inzicht te geven in het risico en de kosten van een beleggingsverzekering, worden daarin strengere eisen gesteld aan rekenvoorbeelden (kosten en inhoudingen moesten daarin worden verwerkt), waarmee ook de vergelijkbaarheid van die beleggingsverzekeringen wordt bevorderd (zie voormelde Kamerstukken – een brief van de minister van Financiën van 2 april 1998). Afzonderlijke vermelding van de (hoogte van) kosten maakte van die door de minister beoogde wijziging geen deel uit. Immers de op 1 januari 1999 in werking getreden Riav 1998 (ter uitvoering van artikel 31 en bijlage II van de inmiddels gewijzigde Derde Levensrichtlijn 2002/83/EG) verplichtte niet tot afzonderlijke vermelding van in het voorbeeldkapitaal verwerkte kosten. In de toelichting op artikel 2 lid 2 sub q, r en s van de Riav 1998 komt duidelijk naar voren dat de minister van mening was dat aan die (geïmplementeerde) normen invulling werd gegeven door de CRR 1998. Door het geven van rekenvoorbeelden waarin de kosten en inhoudingen zijn verwerkt, werd invulling gegeven aan de verplichting de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering kunnen beïnvloeden en tevens van het beleggingsrisico en in hoeverre dat voor zijn rekening komt (zie voor de Riav 1998 en bijbehorende toelichting: Staatscourant 1998, nr. 134).

De indirecte weergave van de kosten en risicopremies is daarmee door de nationale wetgever (met het oog op de vergelijkbaarheid tussen beleggingsverzekeringen van verschillende verzekeraars) ook in 1998 nog als een juiste wijze van informatie over de hoogte van de kosten en risicopremies van beleggingsverzekeringen aanvaard (met uitzondering van naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten). Gesteld noch gebleken is dat de nationale wetgever daarmee in strijd met het geldende communautaire recht heeft gehandeld.

Uit voormelde (EG- en nationale) regelgeving, de toelichting op de Riav 1998, de goedkeuring van de adviesrapportage die heeft geleid tot vaststelling van de Riav 1998 door de Ombudsman Levensverzekering en de Consumentenbond en het feit dat bij het in 1997 in overleg met de Minister van Financiën uitgevoerde onderzoek door de PVK is gebleken dat in de meerderheid van de onderzochte beleggingsverzekeringen geen melding is gemaakt van administratie- en poliskosten, leidt het hof af dat in de periode 1988-1998 op grond van algemene opvattingen in het maatschappelijk verkeer nog geen (algemene) verplichting bestond om (toekomstige) verzekeringsnemers inzicht te geven in de kosten en risicopremie wanneer (zoals in het onderhavige geval) voorbeeldkapitalen zijn getoond, waarin rekening is gehouden met alle kosten en premies.

[appellanten] heeft ook onvoldoende andere feiten en omstandigheden genoemd die de conclusie kunnen dragen dat open normen meebrachten dat op Aegon ten tijde van het afsluiten van de onderhavige verzekeringen voor deze verzekeringen, waarbij de verstrekte voorbeeldkapitalen ook al rekening hielden met kosten en premies, een verdergaande informatie- en/of waarschuwingsplicht rustte dan uit de destijds geldende regelgeving voortvloeide. Daarbij speelt voor het hof een belangrijke rol dat de betreffende verzekeringen een duidelijk aanwezige verzekeringsrechtelijke component kenden, met een gegarandeerde minimumuitkering bij overlijden en bij leven. De stelling van [appellanten] dat deze verzekeringen slechts in naam verzekeringen waren en materieel beleggingsproducten volgt het hof niet.

3.8

Voor zover [appellanten] heeft willen stellen dat de hoogte van de afslagen (volgens hem zo’n 30 à 50%) maakte dat er in dit geval wel een verdergaande informatieplicht bestond, passeert het hof die stelling. Ook in die tijd werd immers al onder ogen gezien dat de in rekening gebrachte kosten soms zeer hoog waren, zo blijkt uit het antwoord van de minister van Financiën van 9 januari 1996 op Kamervragen of hij het rapport kende dat verzekeraars bij koopsompolissen gemiddeld 20% van het ingelegde geld als kosten in rekening brengen en of hij van plan is een convenant met de branche te sluiten inzake maximum kostenpercentages of anderszins. Zijn antwoord luidde als volgt:

“Ja. Aan elk produkt, ook aan een levensverzekering, zijn kosten verbonden. (…) Bij elk produkt worden de kosten uit de eindprijs betaald. Bij een levensverzekering is de eindprijs de te betalen premie(s). [...] In een markt met een zo hoge mate van concurrentie bestaat geen reden te komen tot een convenant met de branche over maximum kostenpercentages of anderszins” (zie Aanhangsel Handelingen II ,1995/96, nr. 430).

Datzelfde geldt voor de stelling dat kosten en risicopremies door een ingebouwde ‘hefboom’ sterk resultaatsafhankelijk is. Voor zover [appellanten] dit ten grondslag heeft willen leggen aan zijn betoog dat er in dit geval een verdergaande informatieplicht bestond, overweegt het hof allereerst dat [appellanten] , in het licht van de gemotiveerde betwisting door Aegon, de brief van Aegon Leven van 4 december 2007 (productie 5 bij conclusie van antwoord) en het met betrekking tot die brief gevoerde debat ter comparitie, onvoldoende heeft onderbouwd dat er in de betreffende verzekeringen sprake is van een hefboom, en voorts dat [appellanten] niet heeft gesteld dat en waarom het inbouwen van een hefboom een verdergaande informatieplicht deed ontstaan.

Ook het gegeven dat sommige verzekeraars destijds wel al (meer) inzicht boden in de kosten(structuur), is onvoldoende om een daartoe bestaande verplichting aan te nemen.

3.9

Daarmee komt het hof toe aan de stelling dat Aegon een verdergaande zorgplicht had doordat haar medewerkers (personeels-/assurantieadviseurs) deze producten aan [appellanten] hebben geadviseerd. Volgens [appellanten] had Aegon zich om die reden zijn belangen meer moeten aantrekken en hem moeten informeren dat slechts een beperkt gedeelte van de door hem betaalde inleg beschikbaar was om te beleggen. Een redelijk handelend bekwaam adviseur had [appellanten] dienen te wijzen op mogelijkheden, zo nodig buiten Aegon om, om op een meer lucratieve wijze te voorzien in zijn pensioen. Aegon had ook na het sluiten van de verzekering nog moeten ingrijpen, maar heeft in plaats daarvan geadviseerd niets te doen, aldus [appellanten] . Aegon betwist dat het een formele adviesrelatie betrof; het betrof enkel een extra service voor medewerkers. Verder stelt Aegon zich op het standpunt dat het destijds een passend advies betrof, dat [appellanten] zijn eigen verantwoordelijkheid bij het afsluiten van de verzekeringen miskent en dat [appellanten] de voorstellen (vanaf 2008) om zijn belangen door een (andere) adviseur te laten behartigen in de wind heeft geslagen.

3.10

Nu Aegon als verzekeraar voor deze verzekeringen destijds geen informatie behoefde te geven over de kostenstructuur, ziet het hof niet waarom onderhavige bijstand door interne adviseurs van Aegon een verdergaande zorgplicht zou creëren. Daarbij kan in het midden blijven of [naam medewerker 1] en [naam medewerker 2] als assurantieadviseurs optraden, nu ook in dat geval gold dat indirecte transparantie voor deze verzekeringen destijds afdoende was. Bovendien wist [appellanten] , althans had hij moeten begrijpen, dat het geen ongebonden adviseurs betrof die voor hem hadden moeten uitzoeken waar (ook buiten Aegon) hij de beste financiële producten kon afsluiten. Tot slot overweegt het hof dat [appellanten] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke producten hij in die periode had kunnen afsluiten die dezelfde mate van zekerheid boden (onder meer als onderpand voor de hypothecaire geldlening), tegemoet kwamen aan de eis van Aegon van twee overlijdensrisicoverzekeringen (nodig voor het verkrijgen van de hypothecaire leningen) en desondanks meer kans op een beter beleggingsresultaat had geboden. Ook de stelling dat na het sluiten van de verzekering nog had moeten worden ingegrepen is onvoldoende geconcretiseerd in die zin dat niet is gesteld welk product aan [appellanten] had moeten worden voorgesteld (en op welk moment) dat tegemoet kwam aan voormelde kenmerken.

3.11

[appellanten] beroep op schending van een (bijzondere) zorgplicht strandt reeds op het voorgaande. Het hof zal derhalve in het midden laten of aan de voorwaarden is voldaan waaronder volgens het HvJ EU ondanks het bepaalde in artikel 31 lid 3 juncto bijlage II van Richtlijn 92/96/EEG een aanvullende informatieverplichting kon bestaan (zie het verweer van Aegon onder 3.6).

3.12

[appellanten] heeft zich voorts op dwaling beroepen. Nog daargelaten dat hij zijn daaraan ten grondslag liggende stelling dat hij onjuist en onvolledig is geïnformeerd in het licht van hetgeen onder 3.7 is overwogen onvoldoende heeft onderbouwd, geldt dat hij aan deze stelling geen rechtsgevolg heeft verbonden. Hij heeft niet de vernietiging van de overeenkomsten ingeroepen. Het hof gaat aan dit beroep dan ook voorbij.

3.13

Omdat [appellanten] geen voldoende concrete feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, passeert het hof het door hem gedane bewijsaanbod.

4 De slotsom

4.1

Het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Aegon zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.957

- salaris advocaat € 6.322 (2 punten x appeltarief V)

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 12 oktober 2016;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Aegon vastgesteld op € 1.957 voor griffierecht en op € 6.322 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellanten] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M. Evers, L.J. de Kerpel-van de Poel en M.S.A. van Dam en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.