Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8119

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.233.297/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet de rijbaan gebruiken (parkeren op trottoir). De locatie waar het voertuig van de betrokkene stond, stond feitelijk voor het openbaar verkeer open en is daarmee een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden. In het midden kan worden gelaten of sprake is van eigen terrein van het desbetreffende bedrijf. Dat het bedrijf toestemming zou hebben gegeven om daar te parkeren, geeft geen aanleiding een sanctie achterwege te laten of matigen. Aan die toezegging kan niet het vertrouwen worden ontleend dat niet handhavend zou worden opgetreden. Alleen personen die in artikel 82 RVV 1990 zijn genoemd kunnen aan

weggebruikers bindende aanwijzingen geven die prevaleren boven verkeersregels en verkeerstekens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.233.297/01

CJIB-nummer

: 203203861

Uitspraak d.d.

: 7 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de officier van justitie niet tijdig de zaakstukken heeft overgelegd. Bij het instellen van administratief beroep is verzocht om toezending van het zaakoverzicht en de foto's van de gedraging, maar deze zijn pas toegestuurd door de kantonrechter nadat beroep was ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

2. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep verzocht heeft om kopieën toe te sturen van het zaakoverzicht en foto's. Uit de stukken van het dossier kan niet worden afgeleid dat de officier van justitie aan dit verzoek gevolg heeft gegeven. Weliswaar wordt in een brief van de CVOM aan de gemachtigde van 18 april 2017, inzake het inplannen van een (telefonische) hoorzitting, aangegeven dat de gemachtigde daarbij voor de zaken genoemd in de bijlage de gegevens ontvangt die de CVOM op dat moment in bezit heeft, maar uit deze brief blijkt niet welke informatie dat is en evenmin kan op basis van de stukken in het dossier worden vastgesteld of die informatie daadwerkelijk aan de gemachtigde is verzonden.

4. Voorgaande houdt in dat niet is gebleken dat de officier van justitie heeft voldaan aan zijn informatieverplichting, zodat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook deze beslissing vernietigen. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde bezwaren behoeven daarmee geen bespreking meer.

5. Thans staan ter beoordeling van het hof de namens de betrokkene aangevoerde bezwaren tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 90,- is opgelegd ter zake van "met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 7 november 2016 om 14:26 uur op de Terborgseweg te Doetinchem met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

6. De gemachtigde voert aan dat het voertuig in het kader van uitvoering van werkzaamheden op eigen terrein stond. De betrokkene was bezig zware bedrijfsspullen te lossen en hij mocht daartoe zijn bus onder de overkapping van het bedrijf neerzetten. Op de foto is te zien dat de stoep dermate groot is dat hierbij niemand werd gehinderd.

7. De onder 5. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is bepaald, voor zover hier van belang, dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

8. In het geding is allereerst de vraag of de plaats waar het betreffende voertuig zich bevond als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dient te worden aangemerkt, en zodoende of de bepalingen bij of krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn en de verbalisant bevoegd was de onderhavige sanctie op te leggen.

9. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet onder "wegen" worden verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.”

10. Beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is echter de vraag of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1997, LJN ZD0686 gepubliceerd in VR 1998, 2).

11. De verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt voor zover hier van belang in dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een voor het openbaar verkeer openstaande weg en dat dit een trottoir betrof.

12. In het midden latend of sprake is van eigen terrein van het desbetreffende bedrijf, overweegt het hof dat hetgeen is aangevoerd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond, feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Gesteld noch gebleken is dat de rechthebbende zich op kenbare wijze, bijvoorbeeld door de borden "verboden toegang" en "eigen weg", het recht heeft voorbehouden en de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494). Het voorgaande in aanmerking genomen moet de plaats waar de betrokkene zijn voertuig had staan, worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden.

13. Vervolgens is de vraag aan de orde of het gedeelte waar het voertuig stond, dient te worden aangemerkt als een trottoir en of aldus sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990. Het hof merkt hierbij allereerst op dat niet van belang is of de betrokkene op het moment van de gedraging bezig was met laden en lossen van goederen. Artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990 is hierin duidelijk; bestuurders van motorvoertuigen gebruiken de rijbaan.

14. De wet kent geen definitie van de begrippen trottoir en voetpad, zodat bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, uit wordt gegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.

15. In het dossier bevindt zich een foto van de gedraging. De situatie zoals deze op de foto is te zien, is namens de betrokkene niet betwist. De foto laat een groot kantoorpand zien waarvan de ingang is gesitueerd onder een overkapping met twee zuilen. Tussen deze zuilen, voor de ingang, staat een grijze bus. Het gedeelte onder de overkapping, uitstekend tot ongeveer een meter buiten de zuilen en doorlopend om het kantoorpand heen, is betegeld met zwarte klinkers. Daar omheen liggen grijze klinkers en er is een gedeelte van de rijbaan te zien dat hieraan grenst.

16. Naar het oordeel van het hof moet het gedeelte waar het voertuig van de betrokkene stond, worden aangemerkt als een trottoir in de zin van artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990. Het met zwarte klinkers bestraatte gedeelte onder de overkapping loopt over in het grijze gedeelte dat daarnaast ligt en dat zich onmiskenbaar voordoet als een trottoir. Het gedeelte voor de ingang van het bedrijfspand is ingericht voor het bereiken van de ingang voor voetgangers. De gemachtigde geeft zelf ook aan dat sprake is van een stoep. Hiermee staat vast dat de gedraging is verricht.

17. Dat de betrokkene toestemming heeft gekregen van medewerkers van het bedrijf om daar te parkeren, geeft - nog daargelaten dat hiervan niet is gebleken - geen aanleiding tot het achterwege laten of matigen van de opgelegde sanctie. Aan die toezegging kon niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat niet handhavend zou worden opgetreden. Alleen de personen die in artikel 82 van het RVV 1990 zijn genoemd kunnen aan weggebruikers bindende aanwijzingen geven die prevaleren boven verkeersregels en verkeerstekens.

18. De omstandigheid dat de betrokkene geen hinder zou hebben veroorzaakt, levert, wat hier verder ook van zij, evenmin een omstandigheid op die meebrengt dat aan de betrokkene geen sanctie moet worden opgelegd. De wetgever heeft de mogelijkheid tot oplegging van een sanctie als de onderhavige niet afhankelijk gesteld van hinder. De enkele omstandigheid dat de gedraging is verricht kan al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen.

19. De gemachtigde stelt zich voorts op het standpunt dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) die de sanctie heeft uitgeschreven hiertoe niet bevoegd was. Uit de akte van opsporingsbevoegdheid blijkt dat de betrokken ambtenaar is aangesteld als boa in Domein I Openbare Ruimte en dat hij is belast met in de akte van opsporingsbevoegdheid genoemde (gelimiteerde) opsporingsbevoegdheden. De opsporingsbevoegdheid van de ambtenaar ziet niet op de onderhavige gedraging met feitcode R315B, die valt onder artikel 10 van het RVV 1990. Dit artikel is uitdrukkelijk in de Circulaire boa uitgesloten van de bevoegdheden die vallen onder het domein openbare ruimte. Evenmin is uit de akte van opsporingsbevoegdheid enige bevoegdheid op te merken ten aanzien van een overtreding als de onderhavige. Verwezen wordt naar een uitspraak van het hof van 19 april 2017 (vindplaats rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:3330).

20. De akte van opsporingsbevoegdheid waaraan de gemachtigde refereert, bevindt zich niet tussen de stukken van het dossier. Uit de gegevens in het zaakoverzicht volgt dat de onderhavige sanctie is opgelegd door ambtenaar [D] . Deze ambtenaar is volgens dezelfde gegevens boa in het domein Openbare Ruimte, hetgeen kennelijk overeenkomt met wat daarover in de akte van opsporingsbevoegdheid staat.

21. Onder verwijzing naar de Circulaire boa meent de gemachtigde vervolgens dat de ambtenaar niet bevoegd is om te handhaven op overtreding van artikel 10 van het RVV 1990, omdat dit artikel is uitgesloten in de Circulaire boa. Het hof overweegt dat de Circulaire boa ten tijde van oplegging van de onderhavige sanctie echter reeds was vervallen (per 1 juli 2015) en vervangen door de Beleidsregels boa (vgl. het arrest van dit hof van 19 april 2018, vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:3726). De verwijzing naar de Circulaire boa faalt reeds hierom.

22. Artikel 6.4 onder 16 van deze Beleidsregels houdt in dat de boa Openbare Ruimte bevoegd is tot handhaving ter zake van:

"Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, maar alleen voor zover het stilstaand verkeer betreft. De artikelen 4, 5, 6, 10, 60, 82 en 62 juncto bijlage I hoofdstuk C (geslotenverklaring) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer. Op 12 april 2011 is door het College van procureurs-generaal (brief met kenmerk Pag/B&S/15674) nadere invulling gegeven in het kader van gemeentelijke handhaving van de WVW. Handhaving op negatie van C borden (RVV 1990) is in relatie tot de openbare orde toegestaan."

23. Uit voorgaande volgt genoegzaam dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd, hiertoe bevoegd was. De boa Openbare Ruimte is krachtens voornoemd artikel immers bevoegd tot handhaving ter zake van artikel 10 van het RVV 1990. De verwijzing naar het arrest van het hof van 19 april 2017 gaat niet op. Bij de boa in die zaak kon het hof op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen of hij was aangesteld in het domein Openbare Ruimte.

24. De gemachtigde verzoekt het hof verder om te bepalen dat de officier van justitie een dwangsom van € 1260,- verbeurt, omdat hij te laat op het beroep heeft beslist, er een rechtsgeldige ingebrekestelling is verzonden en de beslistermijn niet is verdaagd.

25. Het hof stelt vast dat van een schriftelijke ingebrekestelling, zoals omschreven in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, geen sprake is. Het hof heeft reeds in meerdere zaken, waarin de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandsverlener optrad, overwogen dat de -ook in dit dossier aanwezige- brief die de gemachtigde als ingebrekestelling kwalificeert, niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

26. Nu de officier van justitie niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:17, derde lid, van de Awb in gebreke is gesteld voor het niet tijdig nemen van een beslissing op het administratief beroep, is hij geen dwangsom verschuldigd aan de betrokkene. Het verzoek om toewijzing van een dwangsom zal dan ook worden afgewezen.

27. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

28. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om een dwangsom vast te stellen af;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.