Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8066

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
Wahv 200.229.017/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Wahv voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te wijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid, Wahv verklaart hoofdstuk 8 van de Awb buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen terugwijzingsmogelijkheid niet van toepassing is in zaken betreffende de Wahv. Indien de kantonrechter de zaak had teruggewezen naar de officier van justitie, dan zou de kantonrechter hebben gehandeld in strijd met artikel 13, eerste lid, Wahv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.229.017/01

CJIB-nummer

: 201586327

Uitspraak d.d.

: 3 oktober 2019

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

Terugwijzen kantonrechter

1. In het hoger beroepschrift merkt de gemachtigde van de betrokkene op dat hij niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen omdat de kantonrechter niet aan een inhoudelijke behandeling van het beroep had mogen toekomen. De kantonrechter zou, zo stelt de gemachtigde, na vernietiging van de beslissing van de officier van justitie de zaak moeten terugwijzen. Anders zou de betrokkene een instantie worden ontnomen.

2. Artikel 13, eerste lid, van de Wahv bepaalt dat de kantonrechter, indien hij het beroep ontvankelijk acht en van oordeel is dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart en de daarbij bestreden beslissing vernietigt dan wel wijzigt.

3. De Wahv voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te wijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid, van de Wahv verklaart hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen terugwijzingsmogelijkheid niet van toepassing is in zaken betreffende de Wahv. Indien de kantonrechter de zaak had teruggewezen naar de officier van justitie, dan zou de kantonrechter hebben gehandeld in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wahv.

De hoorplicht

4. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten, nu de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.

5. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard en dat daarom rechtmatig voorbij is gegaan aan het horen.

6. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het beroep is niet kennelijk ongegrond. De officier van justitie heeft in de aangevoerde gronden aanleiding gezien om de stukken van het dossier te raadplegen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom dan ook vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Gelet daarop behoeven de overige bezwaren van de gemachtigde tegen die beslissingen geen bespreking meer. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

De gedraging

7. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 september 2016 om 10:19 uur op de Amsteldijk te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

8. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. Wel geeft de betrokkene toe dat het op het 'randje' was. Door extreme verkeersdrukte op de A1 dreigde hij namelijk een belangrijke afspraak te missen in het ziekenhuis.

9. Het dossier bevat twee foto's van de gedraging. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene zich nog net voor de stopstreep bevindt. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig het verkeerslicht in zijn geheel voorbij is gereden. Op beide foto's staat het verkeerslicht op rood. In de databalk bij de foto's is onder meer vermeld dat de geeltijd 3,0 seconden bedroeg en de roodtijd (op het moment van de eerste foto) 1,4 seconden.

10. Uit de foto's blijkt dat het voertuig van de betrokkene het rode verkeerslicht voorbij is gereden. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht. De namens de betrokkene aangevoerde omstandigheden geven het hof geen aanleiding om de sanctie te matigen of op nihil te stellen.

11. De gemachtigde is verder van mening dat de sanctie te hoog is omdat de door de Minister vastgestelde verhogingen alleen al in de jaren 2008-2012 hoger zouden zijn geweest dan wettelijk toegestaan. Daarnaast meent hij dat de administratiekosten niet in rekening mogen worden gebracht en dat de beschikking niet geldig is. Deze argumenten worden bij gebreke van enige onderbouwing gepasseerd.

12. De verweren tegen de inleidende beschikking falen. Het beroep daartegen wordt ongegrond verklaard.

13. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.