Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8053

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
002008-18 (21-002309-16 en 21-005736-16)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex artikel 94a, tweede en derde lid, Sv. Voortduren beslag in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit? Het hof houdt in deze zaak rekening met het bedrag van de ontnemingsvordering, dan wel de nog niet onherroepelijke ontnemingsmaatregel en een aannemelijk geachte vordering van belanghebbenden in een nog te voeren strafprocedure. Beklag gedeeltelijk gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002309-16 (strafzaak) en 21-005736-16 (ontnemingszaak)

AV-nummer: 002008-18

Uitspraak d.d.: 2 oktober 2019

Beschikking van de meervoudige kamer op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [adres 1] ,

hierna te noemen klager.

De tussenbeschikking en het verdere verloop

Bij tussenbeschikking van 1 april 2019 heeft het hof de behandeling van het klaagschrift heropend, het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en bepaald dat [betrokkene 1] , wonende te [adres 2] , die als mogelijk belanghebbende kan worden aangemerkt, wordt opgeroepen teneinde haar in de gelegenheid te stellen tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord en desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen.

Bij brief, ingekomen op 20 mei 2019, hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verzocht ook laatstgenoemde als mogelijk belanghebbende aan te merken.

In raadkamer van 10 juli 2019 is de behandeling van het klaagschrift voor onbepaalde tijd aangehouden in verband met een beletsel van de zijde van de advocaat-generaal.

In raadkamer van 18 september 2019 heeft het hof gehoord de advocaat-generaal,

[betrokkene 1] voormeld en [betrokkene 2] . Klager en zijn advocaat zijn niet verschenen, zoals tevoren was bericht.

Beoordeling van het klaagschrift

Klager verzoekt bij klaagschrift d.d. 20 december 2018 het beslag op te heffen, primair tot het bedrag van € 224.087,53, subsidiair tot een bedrag van € 112.043,07 en meer subsidiair tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en te gelasten dat het openbaar ministerie het bedrag aan klager en zijn echtgenote overmaakt. Klager voert daartoe aan dat hij en zijn echtgenote, mede ten gevolge van de publiciteit van de onderliggende strafzaak, in een financieel bijzonder slechte situatie verkeren. Er zijn voldoende vermogensbestanddelen om tegemoet te komen aan het incassorisico voor het openbaar ministerie. Het niet opheffen van het beslag tot het bedrag van het geschatte wederrechtelijk voordeel, althans het niet ten dele opheffen van dit beslag, is in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus klager.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer op 18 september 2019 het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie van 25 februari 2018, ertoe strekkende dat het beklag ongegrond moet worden verklaard, gehandhaafd. De advocaat-generaal heeft desgevraagd meegedeeld dat voor zover hem bekend ingevolge de op 1 juli 2019 verleende machtiging beslag is gelegd. Hij kan dit echter niet met stukken staven.

De dames [naam 1] hebben in raadkamer op 18 september 2019 verzocht het beslag niet op te heffen. Hun oom en tante, wijlen dhr. [naam 2] en zijn echtgenote mw. [betrokkene 3] , zijn slachtoffer geworden van verduistering door klager en zijn echtgenote. Als erfgenamen hebben de dames [naam 1] zich met succes sterkt gemaakt voor vervolging van klager en zijn echtgenote voor die verduistering en zij zouden graag zien dat het geld waarop thans beslag rust, wordt gereserveerd totdat de rechter in de nog te voeren strafzaak tegen klager en zijn echtgenote zal hebben bepaald aan wie dat toekomt.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde in raadkamer staat het volgende vast.

De rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland heeft op 21 februari 2014 op vordering van de officier van justitie machtiging ex artikel 103 Sv verleend tot het leggen van conservatoir beslag onder klager tot een maximum van € 152.949,47. Dit beslag kan worden gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal voor een door de rechter op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel en een op te leggen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr voor de in de vordering genoemde misdrijven waarvan klager wordt verdacht (artikel 94a, tweede en derde lid, Sv).

In 2014 (in Nederland) en in 2015 (in Italië) is conservatoir beslag ex artikel 94a, tweede en derde lid, Sv gelegd tot zekerheid van verhaal op:

- De woning aan de [adres 3] . Het bedrag dat na verkoop van deze woning resteerde, € 479.488,53, is als zekerheidstelling overgemaakt naar het openbaar ministerie.

- Twee auto’s met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] . Klager en zijn echtgenote hebben zekerheid gesteld voor deze auto’s tot een bedrag van in totaal € 20.000,-.

- Een auto met kenteken [kenteken 3] . De verkoopopbrengst daarvan bedraagt € 5.500,-.

- Een perceel met daarop een (vakantie)woning in Italië. De huidige waarde hiervan is onbekend.

Het hof heeft klager bij arrest van 11 maart 2019 veroordeeld wegens het medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd. In de ontnemingszaak heeft het hof bij arrest van 1 april 2019 aan klager de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 247.717,40, waarvan een bedrag van € 243.755,15 met toepassing van de hoofdelijkheidsconstructie van artikel 36e, zevende lid, Sr. Klager heeft cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest, zodat dit nog niet onherroepelijk is.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, tweede of derde lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel of een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr zal opleggen.

Gegeven de arresten van het hof van 11 maart 2019 en 1 april 2019 is aan deze voorwaarden voldaan.

Met betrekking tot de vraag of het voortduren van het beslag voor een hoger bedrag dan de hoogte van de opgelegde ontnemingsmaatregel in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit overweegt het hof het volgende.

Namens de belanghebbenden is betoogd dat het beslag, voor zover dat het bedrag van de ontnemingsmaatregel overstijgt, niet aan klager mag worden teruggegeven aangezien belanghebbenden daarop aanspraak maken. Belanghebbenden pretenderen een vordering te hebben groot € 160.168,19 op klager in een (nog te voeren) strafrechtelijke procedure. Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt dat de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland op 1 juli 2019, op vordering van de officier van justitie, machtiging heeft verleend om conservatoir beslag te leggen dat mede strekt tot verhaal van een door de rechter in die strafprocedure op te leggen schadevergoedingsmaatregel. In raadkamer heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat de officier van justitie op basis van deze machtiging conservatoir beslag zou hebben gelegd op de reeds onder klager in beslag genomen vermogensbestanddelen waarop de klacht betrekking heeft. De daarop betrekking hebbende stukken zijn niet overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld dat de officier van justitie zodanig beslag ook heeft gelegd. Dit neemt niet weg dat op grond van de beslissing van de rechter-commissaris de vordering van de belanghebbenden aannemelijk kan worden geacht. Het bestaan van deze vordering dient derhalve te worden betrokken bij de beoordeling of de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zich verzetten tegen opheffing van het conservatoir beslag.

De waarde van het totale conservatoir beslag gaat het bedrag van de ontnemingsmaatregel en de vordering van de belanghebbenden te boven. Naar het oordeel van het hof is het voortduren van het beslag op het geld (met inbegrip van de zekerheidstelling voor de teruggegeven auto's), gezien de bedragen van de ontnemingsvordering, dan wel van de nog niet onherroepelijke ontnemingsmaatregel en de vordering van de belanghebbenden, niet in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te achten. Dit ligt echter anders voor het voortduren van het conservatoir beslag op de woning en de grond in Italië. Dit betekent dat het beslag daarop moet worden opgeheven. Het beklag is derhalve gedeeltelijk gegrond.

BESLISSING

Het hof:

verklaart het beklag gedeeltelijk gegrond;

gelast de opheffing van het onder [klager] gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaken staande en gelegen in [plaats] te Italië;

verklaart het beklag voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door

mr. E. de Witt, voorzitter, en

mr. O. Anjewierden en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink, griffier,

door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 2 oktober 2019 ter openbare zitting uitgesproken.