Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:8020

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
200.251.380/01 en 200.251.383/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over kosten uitvaart (hoofdzaak) en dekking uitvaartverzekering (vrijwaring) nadat de in rekening gebrachte kosten van een uitvaart hoger bleken te zijn dan het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag. Karakter uitvaartverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/329
RAV 2020/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.251.380/01 en 200.251.383/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 6068639 en 6407556)

arrest van 1 oktober 2019

in de hoofdzaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Uitvaartverzorging Van der Zwaag B.V.,

gevestigd te Oranjewoud,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in de hoofdzaak,

hierna: Van der Zwaag,

advocaat: mr. J. Bos, kantoorhoudend te Heerenveen,

en in de vrijwaringszaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in vrijwaring,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

de naamloze vennootschap ASR Levensverzekering N.V.,
ook handelend onder de naam Ardanta,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in vrijwaring,
hierna: Ardanta,
advocaat: mr. L. Boersma te Utrecht.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

1.1

Het verloop van de procedure in eerste aanleg volgt uit de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter) van 19 september 2017 (vonnis in het incident tot vrijwaring) en 26 juni 2018 (vonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaring).

2
2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

in de zaak met nummer 200.251.380/01
2.1 Het verloop van de procedure volgt uit:
- de appeldagvaarding van 25 september 2018;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de rolvoeging met de zaak met nummer 200.251.383/01.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de processtukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vorderingen van [appellant] strekken ertoe dat het vonnis van de kantonrechter van 26 juni 2018 wordt vernietigd, dat de vordering van Van der Zwaag alsnog worden afgewezen en Van der Zwaag wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [appellant] op basis van het vonnis heeft betaald, een en ander met veroordeling van Van der Zwaag in de proceskosten in beide instanties.

in de zaak met nummer 200.251.383/01
2.4 Het verloop van de procedure volgt uit:
- de appeldagvaarding van 25 september 2018;
- het aan Ardanta verleende verstek en de zuivering daarvan;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de rolvoeging in de zaak met nummer 200.251.380/01.

2.5

Vervolgens heeft [appellant] de processtukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.6

De vorderingen van Van der Zwaag strekken ertoe dat het vonnis van de kantonrechter van 26 juni 2018 wordt vernietigd voor zover de vordering van [appellant] zijn afgewezen en dat diens vordering alsnog wordt toegewezen, een en ander met veroordeling van Ardanta in de proceskosten van beide instanties.

3
3. De vaststaande feiten
3.1 De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 3 (3.1 tot en met 3.15) van het vonnis van 26 juni 2018 de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook verder is niet van bezwaren tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten gebleken. Het hof zal dan ook van deze feiten uitgaan, die - aangevuld met enkele andere feiten - op het volgende neerkomen.
3.2 [appellant] heeft in 1958 een uitvaartverzekering afgesloten bij Begrafenis- en Crematieverzorgingsdienst 'De Laatste Eer' (hierna: DLE). Met ingang van 1 januari 1972 is ook zijn echtgenote ingeschreven. Het in 1972 afgegeven bewijs van inschrijving (met registratienummer [00000] ) vermeldt onder meer:
"Doel
Volgens artikel 2 van de statuten is het doel der vennootschap, het verzorgen van de uitvaart ter begraving en in het algemeen de lijkbezorging, waarvan de kosten overeenkomstig door de vennootschap te bepalen tarieven kunnen worden betaald, hetzij na het verrichten dezer handelingen, hetzij tijdens het leven van de betrokken personen, in het laatste geval in eens dan wel in de periodiek verschuldigde bedragen en verder het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande in verband staat.
Voorwaarden en bepalingen
1 Op basis van de door aanvrager(ster) op het aanmeldingsformulier gedane en ondertekende schriftelijke mededelingen en verklaringen, verplicht de N.V. zich tot de verzorging van de begrafenis van de ingeschreven persoon/sonen.
(…)
13 De waarde van de "rechten wordt bij het bereiken van de premie-vrije datum vastgesteld naar maatstaf van de dan geldende "kostende prijs".
(…)
Rechten: personen van 2 jaar en ouder.
* Begrafenisleider, voor alle werkzaamheden, vervullen van de nodige formaliteiten enz.
* Afleggen en kisten door vakkundig verpleegster.
* Solide standaard grafkist, binnen geheel bekleed en voorzien van sierkussen, 8 handgrepen en schroeven.
* Zo nodig katoenen plooikleed.
* Gebruik van verplaatsbare rouwkamerinrichting (schermen).
* Geüniformeerd dragerspersoneel.
* Gebruik van rouwwagen.
* 3 volgauto's.
* Zo nodig (bij overlijden in een ziekenhuisinrichting ter plaatse) het overbrengen van hel stoffelijk overschot naar rouwkamer of woning binnen hel gebied Leeuwarden.
* Vergoeding voor grafkosten ten dienste van begraving der hoofdgezinsleden (man of vrouw) tot een maximum van f 30,50 per gezin. Voor kinderbegrafenissen f 10,- per geval.
(…)
Afwijking van bovenstaande rechten is op verzoek van de nabestaanden steeds mogelijk, de hieruit voortvloeiende hogere kosten komen voor rekening van de opdrachtgever."


Behoudens artikel 13 komt wat hiervoor is vermeld ook voor in het in 1958 aan [appellant] afgegeven bewijs van inschrijving.

3.3

In 1982 zijn de aandelen van 'De Laatste Eer' overgegaan naar Ardanta. Ardanta heeft haar verzekerden laten weten (voor zover van belang):
"Het bedrijf blijft normaal gevestigd in het "HEER IVO HUIS"; voor u als verzekerde verandert er niets. Wel zult u binnenkort door een vertegenwoordiger van ARDANTA / DE LAATSTE EER worden bezocht om uw oude bestaande polissen te moderniseren en om te zetten in een ARDANTA-polis op INDEX-voorwaarden. Op deze manier kan een volledige uitvaart (begrafenis of krematie) worden gegarandeerd, zonder hoge extra bijbetalingen."
Het door [appellant] daarna ontvangen indexeringsaanhangsel, met als ingangsdatum

1 november 1982, vermeldt zowel voor [appellant] als voor zijn echtgenote een geïndexeerd kostenbedrag van fl. 1.470,00 en een totale gezinspremie van fl. 57,46 per half jaar.

3.4

Met ingang van 1 januari 1997 is door verloop van 25 jaar de uitvaartverzekering premievrij geworden. De polis van 22 januari 1997 vermeldt dat het gaat om een uitvaartverzekering in natura, die premievrij is (met een indexpremie van fl. 28,68 per halfjaar verschuldigd tot het overlijden van de verzekerde).

3.5

Ardanta heeft [appellant] op 3 mei 2006 een brief met bijlage gezonden, waarin zij [appellant] geïnformeerd heeft dat hij mogelijk niet voldoende verzekerd was. In een brief van 18 mei 2006 heeft Ardanta [appellant] aan haar brief van 3 mei 2016 herinnerd.

3.6

De echtgenote van [appellant] , mevrouw [B] , is [in] 2015 overleden. De dochter van [appellant] heeft hiervan melding gemaakt bij Ardanta. Ardanta heeft deze overlijdensmelding telefonisch aan Van der Zwaag doorgegeven. De uitvaartleider van Van der Zwaag is diezelfde avond bij [appellant] langs gegaan voor een bespreking van de wensen en de regeling van de uitvaart.

3.7

Ardanta heeft het door haar geboden dienstenpakket, waarvoor de door [appellant] afgesloten verzekering dekking biedt, bij Van de Zwaag ingekocht voor een bedrag van € 1.891,50.

3.8

In een e-mailbericht van 5 januari 2015 heeft Ardanta aan Van der Zwaag meegedeeld:
"Onderstaand geven wij u een overzicht van de verzekerde diensten en leveringen van de uitvaartverzekering van mevrouw [B] .

Polisnummer [00001] (ingangsdatum 01-61-1972)

- Uitvaartleider en dragers

- Rouwauto bij de begrafenis

- Eiken-fineer kist met zijden bekleding en vlak deksel

- Kisten en verzorgen van de overledene met gebruik van alle benodigde

rouwmaterialen

- Vervullen van alle formaliteiten

- Verzorging en regeling van de uitvaart

- 3 volgwagens in de gemeente waar de uitvaart plaatsvindt

- Overbrengen van overledene ter plaatse

- Grafkosten tot € 20 (2015)

Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn."
3.9 De uitvaartleider van Van der Zwaag heeft [appellant] op 5 januari 2015 bezocht. Bij die gelegenheid heeft [appellant] een “opdrachtformulier voor regeling en uitvoering van een uitvaart” ondertekend waarin zij verklaren overeenstemming te hebben bereikt over de verzorging van de uitvaart van wijlen mevrouw [B] "volgens de op dit opdrachtformulier omgeschreven gegevens, waarin opgenomen persoonlijke gegevens, plaats, dag en tijdstip van de uitvaart, afspraken met betrekking tot de opbaring van de overledene, invulling van de uitvaartplechtigheid, levering van goederen en diensten ten behoeve van de uitvaart, en de daarop betrekking hebbende kosten". Op het opdrachtformulier is vermeld dat uitkering door Ardanta aan Van der Zwaag zal worden gedaan. De bijbehorende kostenraming vermeldt (naast de kosten die vallen onder de dekking van de door [appellant] afgesloten uitvaartverzekering) een bedrag van
€ 2.652,24. Dat bedrag bestaat onder meer uit de kosten van een uitvaartkist (€ 375,-), een condoleanceregister (€ 29,-), het verzorgen van de overledene (€ 28,-), rouwbrieven, portokosten en verzendsets (€ 161,54) en verschotten (€ 2.318,70), onder meer vanwege de kosten van het mortuarium van het ziekenhuis, het gebruik van het uitvaartcentrum, advertentiekosten, grafrechten en consumpties. Op deze bedragen (in totaal € 2.912,24) zijn de posten “tegemoetkoming uit Pakket Ardanta” (€ 20,-) en “geen gebruik volgauto”
(€ 240,-) in mindering gebracht.

3.10

Ardanta heeft bij e-mailbericht van eveneens 5 januari 2015 (naar aanleiding van een eerder die dag gevoerd telefoongesprek) de dochter van [appellant] het overzicht van de verzekerde diensten en leveringen toegestuurd.

3.11

Van der Zwaag heeft de uitvaart van wijlen mevrouw [B] verzorgd. De uitvaart heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015.

3.12

Ardanta heeft aan Van der Zwaag niet alleen de verzekerde en afgenomen diensten vergoed, maar ook de met Van der Zwaag overeengekomen kosten van in totaal € 424,50 voor verzekerde maar niet afgenomen diensten, te weten:
"- Kisten en verzorgen van de overledene met gebruik van alle benodigde rouwmaterialen
- Rouwauto
- 3 Volgwagens a 4 personen
- Begraafplaats / grafonderhoud."

3.13

Van der Zwaag heeft op 14 februari 2015 [appellant] een factuur doen toekomen. De factuur bevat voor een totaalbedrag van € 4.599,63 aan kosten, een creditbedrag van € 1.891,50 vanwege de uitkering door Ardanta en creditbedragen van in totaal € 424,50 vanwege bovenstaande wel verzekerde, maar niet afgenomen diensten:

"Uitvaart op 8 januari 2015

Inhoud pakket:

- Uitvaartleider 355,00

- Dragers bij begrafenis 226,00

- Kisten en verzorgen van de overledene met gebruik van alle benodigde 57,00

rouwmaterialen

- Standaard begrafeniskist, eikenfineer 476,00

- Rouwauto 94,00

- Opslag indirecte kosten, administratiekosten en ondernemersloon 316,00

3 Volgwagen a 4 personen 253,50

- Overbrengen van de overledene ter plaats 94,00

- Begraafplaats / grafonderhoud 20,00

Diensten en leveringen buiten het pakket:

- Condoléanceregister 22,50

- Witte uitvaartkist met vlak deksel en satijnen plooibekleding, meerkosten 375,00

- Na-verzorgen overledene 28,00

20 Rouwbrieven, éénzijdig zwart-wit 140,00

Door ons voorgeschoten bedragen:

20 Portikosten rouwzegels binnenland 13,80

- Verzendset(s) Post NL 6,95

- Gebruik mortuarium ziekenhuis, incl. 1 bezoek - zie kopie nota 222,00

- Nota van DLE Bertikum, zie kopie nota 755,00

- Advertentie in de Leeuwarder Courant 394,18

- Akte van overlijden 12,70

- Nota begraafplaats, zie kopie 597,00

- Nota PKN, Huur en consumpties, zie kopie 141,00

In mindering:

- Uitkering Ardanta polis LWB.1982.469B -1891,50

Niet gebruikt uit het basispakket:
- Kisten en verzorgen van de overledene met gebruik van alle -57,00
rouwmaterialen
- Rouwauto -94,00
- 3 Volgwagen a 4 personen -253,50
- Begraafplaats / grafonderhoud -20,00
---------------------------
Totaal : € 2.283,63"

3.14

[appellant] heeft de factuur ondanks herinneringen en aanmaningen niet voldaan.

4
4. De vorderingen, het verweer en de beslissingen in eerste aanleg
4.1 Van der Zwaag heeft [appellant] gedagvaard. Zij heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 2.283,63 (het factuurbedrag), te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten.

4.2

[appellant] heeft gevorderd dat hij Ardanta in vrijwaring mag oproepen. De kantonrechter heeft deze incidentele vordering in haar vonnis van 19 september 2017 toegewezen, waarna [appellant] Ardanta in vrijwaring heeft opgeroepen.

4.3

[appellant] heeft vervolgens in de hoofdzaak inhoudelijk verweer gevoerd. Volgens hem heeft Van der Zwaag ten onrechte meer kosten in rekening gebracht voor de volgens hem sobere begrafenis van zijn echtgenote dan gedekt werd door de uitkering van Ardanta. [appellant] heeft erop gewezen dat Van der Zwaag minder diensten heeft verricht dan werden gedekt door de bij Ardanta afgesloten verzekering. Voor deze niet verrichte diensten heeft Van der Zwaag veel te lage bedragen gecrediteerd, aldus [appellant] , die ook verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.4

De kantonrechter heeft het verweer van [appellant] grotendeels verworpen en de vordering van Van der Zwaag, behoudens een bedrag van € 28,- (in rekening gebracht vanwege de na-verzorging van de overledene) en de gevorderde buitengerechtelijke kosten, toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.5

In de vrijwaringszaak heeft [appellant] gevorderd dat Ardanta wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat de afgesloten verzekering volledige dekking geeft voor de kosten van de uitvaart van zijn echtgenote. De door Van der Zwaag in rekening gebrachte werkzaamheden vallen onder de dekking van de afgesloten verzekering, aldus [appellant] . Ardanta heeft dat betoog van [appellant] bestreden.

4.6

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] toewijsbaar geoordeeld tot een bedrag van € 305,-. Volgens de kantonrechter vallen de kosten van het gebruik van de koeling (ad € 150,-) en de baarwagen en het zinktoestel (ad € 155,-), verwerkt in de verschotten, onder de dekking van de verzekering. De kantonrechter heeft Ardanta veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 305,- aan [appellant] . Zij heeft de proceskosten gecompenseerd.

5
5. De bespreking van de grieven

In de zaak met nummer 200.251.380/01
5.1 Bij de bespreking van de grieven neemt het hof tot uitgangspunt dat tussen Van der Zwaag en [appellant] een overeenkomst van opdracht is tot stand gekomen, waarbij [appellant] aan Van der Zwaag de opdracht heeft gegeven de uitvaart van zijn echtgenote te verzorgen. De overeenkomst is gevolgd op een gesprek tussen [appellant] en een uitvaartleider van Van der Zwaag en is schriftelijk vastgelegd in een door [appellant] ondertekend opdrachtformulier van 5 januari 2015. Op het opdrachtformulier is aangegeven welke werkzaamheden Van der Zwaag zou verrichten, welk deel van deze werkzaamheden begrepen was onder de door [appellant] bij Ardanta afgesloten verzekering, welk deel niet onder dat ‘pakket’ viel, dat voor de laatste categorie werkzaamheden extra betaald diende te worden en welk bedrag daarmee bij benadering gemoeid was. Ook is op het formulier aangegeven welke werkzaamheden uit het ‘pakket’ niet door Van der Zwaag zouden worden verricht en dat voor die werkzaamheden de op het formulier vermelde bedragen in mindering zouden worden gebracht.

5.2

[appellant] heeft geen beroep gedaan op de nietigheid of vernietigbaarheid van deze overeenkomst, zodat hij daaraan in beginsel gebonden is. Met (de toelichting op) grief 2 stelt [appellant] dat hij niet gehouden kan worden aan de ondertekening van het formulier. Hij voert daartoe aan - zo begrijpt het hof zijn stellingen - dat hem niet duidelijk was wat hij ondertekende. Hij wijst er in dat verband op dat zijn echtgenote net was overleden en dat de uitvaartleider van [appellant] hem niet adequaat heeft geïnformeerd over de inhoud van de overeenkomst en evenmin duidelijk heeft gemaakt dat de uitvaartpolis geen volledige dekking bood voor de kosten van de uitvaart. Om die reden kan Van der Zwaag hem niet houden aan de ondertekening van het formulier, aldus [appellant] .

5.3

Omdat [appellant] geen beroep heeft gedaan op de nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst - wat daar verder ook van zij - gaat het hof er, voor zover nodig de rechtsgronden aanvullend, vanuit dat [appellant] betoogt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Van der Zwaag hem houdt aan de overeenkomst. Het hof volgt [appellant] daarin niet. Allereerst heeft [appellant] niet onderbouwd dat hij geen helder beeld had van de overeenkomst die hij aanging. Het hof wijst er in dit verband op dat de overeenkomst niet meteen maar drie dagen na het overlijden van de echtgenote van [appellant] is gesloten en dat de dochter van [appellant] op die dag informatie heeft ingewonnen over de inhoud van het pakket dat door de verzekering werd gedekt. In het opdrachtformulier is ook inzichtelijk gemaakt dat Van der Zwaag werkzaamheden zou verrichten buiten dat pakket en [appellant] daarvoor een vergoeding diende te betalen die niet door de verzekering was gedekt. Onder deze omstandigheden heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat de uitvaartleider hem niet heeft geïnformeerd dat de verzekering geen dekking bood voor alle overeengekomen werkzaamheden. Ten slotte heeft Van der Zwaag er terecht op gewezen dat gesteld noch gebleken is dat [appellant] bij een andere uitvaartondernemer wel de door hem gewenste uitvaart had kunnen verkrijgen zonder bijbetaling, of tegen bijbetaling van een aanzienlijk lager bedrag. Onder deze omstandigheden ziet het hof niet in dat het beroep van Van der Zwaag op de overeenkomst van partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De grief faalt dan ook.

5.4

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat voor het antwoord op de vraag of de vordering van Van der Zwaag toewijsbaar is, doorslaggevend is wat partijen op 5 januari 2015 zijn overeengekomen. In het licht hiervan is niet relevant welke prijsafspraken Van de Zwaag en Ardanta hebben gemaakt. In de verhouding tussen Van der Zwaag en [appellant] is beslissend welke prijsafspraken zij met elkaar hebben gemaakt. Alleen om die reden faalt grief 1 al, die gericht is tegen het oordeel van de kantonrechter dat het [appellant] niet aangaat welke prijsafspraken Van der Zwaag en Ardanta hebben gemaakt. De in de toelichting op de grief gewraakte argumenten die de kantonrechter daaraan ten grondslag heeft gelegd, kunnen dan ook onbesproken blijven bij gebrek aan belang.

5.5

Grief 3 is gericht tegen de toewijzing van de vordering van Van der Zwaag. De toelichting op de grief bevat deels een herhaling van de al verworpen grieven en heeft in zoverre geen zelfstandige betekenis. Bovendien maakt [appellant] er een punt van dat de kostenraming verschilt van de uiteindelijke factuur. Hij wijst er in dat verband op dat de post "gebruik uitvaartcentrum derden" is geraamd op € 600,-, terwijl er € 755,- is gefactureerd. Het hof volgt [appellant] daarin niet. Het gebruik van het woord "raming" in de overeenkomst van 5 januari 2015 geeft al aan dat partijen geen vaste prijs zijn overeengekomen. Dat ligt ook niet voor de hand voor diensten die van een derde worden afgenomen. Gesteld noch gebleken is dat de derde, in dit geval DLE Berlikum, het doorberekende bedrag niet in rekening heeft gebracht (en dat van der Zwaag dus meer in rekening heeft doorberekend dan bij haarzelf in rekening is gebracht). Bovendien is geen sprake van een exorbitant verschil tussen raming en factuur. Het hof laat dan nog daar dat, tegenover enkele posten die hoger zijn uitgevallen dan geraamd, het factuurbedrag lager is dan geraamd (€ 2.283,63 tegenover € 2.652,24). Niet valt in te zien waarom de posten van de factuur die hoger zijn uitgevallen dan de raming wel gecorrigeerd zouden moeten worden en de posten die lager zijn uitgevallen niet, zoals het standpunt van [appellant] lijkt te impliceren. Ook deze grief faalt dus.

5.6

Grief 4 betreft de proceskostenveroordeling. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de kantonrechter [appellant] terecht als de overwegend in het ongelijke gestelde partij in de proceskosten heeft veroordeeld. De gerief faalt dan ook.

5.7

Het hof zal het vonnis in de hoofdzaak bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief I).
In de zaak met nummer 200.251.383/01
5.8 Met grief 1 bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat de uitvaartverzekering een polis in natura betreft. Volgens [appellant] wordt in het polisblad van 22 januari 1997 (rov. 3.4) voor het eerst melding gemaakt van een uitvaartverzekering in natura. Uit de polis van 1 januari 1972 blijkt dat niet, uit de mededeling in 1982 (rov. 3.3) evenmin. Integendeel, in deze mededeling wordt alleen gesproken van een uitkering in geld.

5.9

In de parlementaire geschiedenis op artikel 7:976 BW (Parl. Gesch. Titel 7.17, p. 264) is de natura uitvaartverzekering omschreven als een verzekering waarbij de verzekeraar op zich neemt zelf de uitvaart te verzorgen. In de praktijk wordt de uitvaart in veel gevallen niet door de verzekeraar zelf verzorgd, maar door een uitvaartverzorger met wie de verzekeraar afspraken heeft gemaakt. De kosten die de uitvaartverzekeraar maakt, worden door de uitvaartverzekeraar dan rechtstreeks aan de uitvaartverzorger betaald.

5.10

In artikel 1 van de polis uit 1972 (rov. 3.2) is bepaald dat DLE - de rechtsvoorgangster van Ardanta - zich verplicht tot "de verzorging van de begrafenis" van [appellant] en diens echtgenote. Onder het kopje "rechten: personen van 2 jaar en ouder" is omschreven op welke onderdelen van verzorging van een begrafenis de verzekeringsovereenkomst recht geeft. De verzorging van de begrafenis vindt, blijkt uit de overeenkomst, plaats door DLE zelf. Dat ligt ook voor de hand, gelet op het in de overeenkomst omschreven doel van DLE, te weten "het verzorgen van de uitvaart ter begraving (…)". De polis uit 1972 is grotendeels gelijk aan die uit 1958, met dien verstande dat artikel 13 uit de polis van 1972 in de polis van 1958 ontbreekt.
De verzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en DLE bood dan ook dekking voor het door DLE verzorgen van de uitvaart van [appellant] en diens echtgenote overeenkomstig de in de polis omschreven "rechten". De overeenkomst was daarmee een natura uitvaartverzekering. Dat is met de mededeling uit 1983 nog eens bevestigd. [appellant] heeft niet onderbouwd dat het karakter van de verzekering na die tijd is gewijzigd. Het enkele feit dat Ardanta het verzorgen van de uitvaart 'uitbesteed' is daarvoor onvoldoende.

5.11

Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen, ziet het geen reden een deskundige te benoemen om het karakter van de verzekering vast te stellen, zoals [appellant] wenst. De grief faalt.

5.12

Met grief 2 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de uitvaartverzekering geen volledige dekking biedt voor de uitvaart van
8 januari 2015. Volgens hem is met het polisblad uit 1972 de indruk gewekt dat alle handelingen rondom een uitvaart gedekt zijn door de verzekering. Die indruk is versterkt door de meergenoemde mededeling in 1983, waarin melding wordt gemaakt van het garanderen van een volledige uitvaart, zonder hoge bijbetalingen. [appellant] wijst erop dat de uitvaart zeer sober was, zodat hij zeker mocht verwachten dat de kosten ervan volledig zouden worden vergoed.

5.13

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog, dat erop neerkomt dat de polis zo moet worden uitgelegd dat alle kosten van de uitvaart onder de dekking van de verzekering vallen. In zijn arrest van 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:85 overwoog de Hoge Raad dat bij de uitleg van een beding uit de verzekeringsovereenkomst de maatstaven van het arrest DSM/Fox (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427) gelden en dat indien de verzekerde de verzekeringsovereenkomst is aangegaan als consument bij twijfel over de betekenis van het beding de voor hem gunstigste uitleg prevaleert (art. 6:238 lid 2 BW).

In de polis uit 1972 als ook die uit 1958 is nauwkeurig omschreven welke diensten onder de dekking van de verzekering vallen. In de polis wordt geen melding gemaakt van een "volledige uitvaart", maar van "rechten". Het betreft nauwkeurig omschreven diensten in verband met een uitvaart. De tekst van deze polis biedt geen aanknopingspunt voor de gedachte dat andere dan de daar onder het kopje "rechten" vermelde diensten zijn verzekerd. Aan het slot van beide polissen wordt daarbij expliciet vermeld “Afwijking van bovenstaande rechten op verzoek de nabestaanden is steeds mogelijk, de hieruit voortvloeiende hogere kosten komen voor rekening van de opdrachtgever.” Dit onderstreept dat de expliciet omschreven diensten waren verzekerd en dat meer of andere diensten voor eigen rekening zouden zijn. Naar het oordeel van het hof laat de polis geen twijfel over wat onder de dekking van de verzekering valt, te weten de in de polis met zoveel woorden omschreven diensten (of "rechten"), niet een volledige uitvaart.

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat in de mededeling in 1983 wel wordt gemeld dat met een Ardanta-polis op indexvoorwaarden een volledige uitvaart wordt gegarandeerd, zonder hoge extra bijbetalingen. [appellant] heeft echter niet gesteld dat hij vervolgens informatie heeft ontvangen, waaruit volgt dat onder deze polis meer of andere diensten verzekerd waren dan onder de bij DLE afgesloten verzekering. Het indexeringsaanhangsel (rov. 3.3) bevat die informatie in elk geval niet. Daarin wordt slechts melding gemaakt van een "geïndexeerd kostenbedrag" van fl. 1.470,- en dat "verzekerden hierdoor altijd recht houden op de in hun polis omschreven uitvaart". Gesteld noch gebleken is dat in dat verband een andere opsomming van diensten is opgegeven dan was vermeld in het bewijs van inschrijving / polis van 1972.
Onder deze omstandigheden heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat hij gelet op de van DLE / Ardanta ontvangen informatie in redelijkheid heeft mogen begrijpen dat de kosten van een volledige uitvaart verzekerd waren.

5.14

De grief faalt.

5.15

Met grief 3 voert [appellant] aan dat hij de brieven van 3 en 18 mei 2006
(rov. 3.5) niet heeft ontvangen, zodat de kantonrechter ten onrechte betekenis heeft toegekend aan deze brieven. Het hof baseert zijn oordeel niet op deze brieven. Om die reden kan in het midden blijven of [appellant] de brieven heeft ontvangen. De grief faalt om die reden bij gebrek aan belang. Het hof merkt in dit verband nog op dat [appellant] zijn vordering in hoger beroep baseert op nakoming van de verzekeringsovereenkomst, niet op een tekortschieten van Ardanta in een op haar rustende informatieplicht. In het midden kan blijven of op Ardanta een dergelijk verplichting rustte en hoe ver deze strekte, en zo ja, of Ardanta daaraan heeft voldaan. Ook om die reden is de vraag niet relevant of [appellant] de brieven van 3 en 18 mei 2016, waarin hij erop werd gewezen dat de door hem afgesloten verzekering geen dekking bood voor een volledige uitvaart, heeft ontvangen.

5.16

De kantonrechter heeft overwogen (rov. 6.13) dat niet alle door Van der Zwaag gefactureerde werkzaamheden onder de omschrijving "verzorging en regeling van de uitvaart" en dat de daarmee corresponderende kosten om die reden niet gedekt worden door de uitvaartverzekering. Grief 4 is gericht tegen dat oordeel. Volgens [appellant] vallen de volledige kosten van de uitvaart onder de dekking van de verzekering. Hiervoor heeft het hof al overwogen, dat het [appellant] daarin niet volgt, zodat de grief in zoverre faalt.

5.17

[appellant] voert ook aan dat de door hem in de toelichting vermelde gefactureerde handelingen onder de dekking van de verzekering vallen. De kantonrechter heeft daarover het volgende overwogen:

"6.12. Gelet op de tekst van de verzekeringspolis uit 1972 betekent dit dat de werkzaamheden van de begrafenisleider voor zover die betrekking hebben op het regelen van de uitvaart en het vervullen van de formaliteiten door ASR/Adanta worden vergoed. Onder 'verzorging en regeling van de uitvaart’ dient naar het oordeel van de kantonrechter dan ook te worden begrepen de werkzaamheden van de uitvaarleider teneinde de wensen van de nabestaanden met betrekking tot de uitvaart te realiseren, onder meer door daartoe afspraken te maken met derden, zoals in het onderhavige geval met de aula en met de kerk. Onder 'vervullen van alle formaliteiten’ valt naar het oordeel van de kantonrechter het zorgdragen van een aantal te verrichten formaliteiten, zoals het doen van aangifte van overlijden en het regelen van verlof tot lijkbezorging.

6.13.

Of de kosten die uit de werkzaamheden van de begrafenisleider voortvloeien onder de dekking van de verzekeringspolis vallen, is afhankelijk van de inhoud van de polis. Kosten als die voor het condoleanceregister, de rouwbrieven (inclusief portokosten), een advertentie, de akte van overlijden, de aula, de kerk en de begraafplaats (boven het bedrag van € 20,00) zijn echter geen kosten waarvoor de polis dekking biedt, althans zulks blijkt niet uit de verzekeringspolis. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de door hem genoemde kosten wel onder de dekking van de verzekeringspolis vallen, noch waarom hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat voormelde kosten onder de verzekeringsdekking zouden vallen. Dat [appellant] 'meent dat het onder de verzekeringsdekking zou moeten vallen' kan hem niet baten. Het is namelijk niet gebruikelijk dat voormelde kosten gedekt worden door een uitvaartpolis indien zulks niet uitdrukkelijk in de polis staat vermeld."

Het hof stelt vast dat [appellant] deze (uitvoerige) motivering van het oordeel van de kantonrechter in (de toelichting op) zijn grief onbesproken laat, in elk geval niet ter discussie stelt. [appellant] volstaat met een opsomming van alle posten uit de factuur van Van der Zwaag die niet door Ardanta zijn vergoed en een toelichting op deze posten in de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, maar hij licht niet toe waarom het hier weergegeven oordeel van de kantonrechter, inhoudende dat deze posten niet onder de dekking van de verzekering vallen, onjuist zou zijn. De grief is dan ook in zoverre onvoldoende onderbouwd en faalt om die reden.
5.18 Het hof volgt [appellant] niet in het betoog dat de omschrijving van de dekking in de polis onduidelijk is en dat die onduidelijkheid niet ten nadele van hem (en dus in zijn voordeel) behoort te worden uitgelegd. Naar het oordeel van het hof is het, gelet op het hiervoor weergegeven en niet bestreden, oordeel van de kantonrechter niet onduidelijk maar helder dat de posten waar [appellant] op doelt niet onder de in de polis omschreven dekking van de verzekering vallen. Dat is anders voor zover het betreft de posten koeling, gebruik baarwagen en gebruik zinktoestel, maar de vordering van [appellant] betreffende die posten is door de kantonrechter al toegewezen en dit oordeel is door Ardanta niet ter discussie gesteld. Wat betreft de post "na-verzorging overledene" overweegt het hof dat [appellant] geen belang heeft bij de bespreking van de grief, omdat de vordering van Van der Zwaag betreffende deze post in de hoofdzaak door de kantonrechter is afgewezen en [appellant] in de vrijwaringszaak betaling heeft gevorderd van wat hij aan van der Zwaag verschuldigd is. Betreffende de post na-verzorging is hij niets aan Van der Zwaag verschuldigd.

5.19

Grief 4 faalt dus in al zijn onderdelen.

5.20

Voor het oordeel van het hof over het geschil tussen Ardanta en [appellant] zijn de afspraken tussen Van der Zwaag en Ardanta niet redengevend. In de hoofdzaak heeft het hof al geoordeeld dat deze afspraken evenmin van belang zijn. Onder die omstandigheden gaat het [appellant] inderdaad niet aan dat Ardanta goederen en diensten voor een lager bedrag dan de verkoopwaarde inkoopt bij Van der Zwaag, zoals de kantonrechter heeft overwogen. De tegen deze overweging opgeworpen grief 5 faalt.

5.21

Grief 6 is gericht tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van Ardanta. De grief heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de andere grieven.

5.22

Ook grief 7, tegen de beslissing over de proceskosten, faalt. De vordering van [appellant] is slechts voor een gering deel toegewezen. Bovendien is [appellant] slechts op enkele van de verschillende geschilpunten in het gelijk gesteld. [appellant] is dan ook zeker niet als de overwegend in het gelijk gestelde partij aan te merken, zodat er geen enkele reden was voor een proceskostenveroordeling in zijn voordeel. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter hem vergaand tegemoetgekomen met de compensatie van kosten.

5.23

Als de in hoger beroep (volledig) in het ongelijk te stellen partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat, 1 punt, tarief I).

6
6. De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep

in de zaak met nummer 200.251.380/01:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in de hoofdzaak gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van Van der Zwaag gevallen, op € 726,- aan verschotten en op € 759,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af;

in de zaak met nummer 200.251.383/01:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in de hoofdzaak gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van Ardanta gevallen, op € 741,- aan verschotten en op € 759,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. W.F. Boele en mr. G. Kattenberg en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.