Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:802

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
200.184.718
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Verzekerde heeft onjuiste inlichtingen verstrekt met het opzet de verzekeraar te misleiden. Artikel 7:941 lid 5 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2019, afl. 4, p. 213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.718/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen)

Arrest van 29 januari 2019

in de zaak van

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S. Burger.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 28 oktober 2015 dat de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van Achmea,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens wijziging/vermeerdering van eis (met producties),

- de antwoordakte wijziging/vermeerdering van eis (memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep),

- een akte van [geïntimeerde] (met één productie) / en een akte uitlaten productie.

2.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Op 13 maart 2014 is een tweedehands auto gekocht, merk Mercedes Benz, type S-420 L CDl Prestige Plus, bouwjaar [jaartal] met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto), die op naam van [geïntimeerde] is gezet.

3.2.

[geïntimeerde] heeft op 12 oktober 2014 bij de politie - telefonisch - aangifte van diefstal van de auto gedaan. Van de aangifte is proces-verbaal opgemaakt (productie 1 bij dagvaarding).

3.3.

De auto is op 12 oktober 2014 door de politie in Polen teruggevonden. Met de auto kon niet worden gereden omdat een belangrijk onderdeel van de elektronica (de CDI-unit) uit de auto was verwijderd.

3.4.

[geïntimeerde] heeft de diefstal gemeld bij Achmea, waar de auto all-risk was verzekerd. In de toepasselijke algemene voorwaarden (producties 1 (de polis), 2 (de algemene voorwaarden) en 3 (de productvoorwaarden) bij conclusie van antwoord) is onder meer bepaald:

“(…) 4. Voor welke schade betalen we niet

(…)

c. Als u zich niet aan de verzekeringsvoorwaarden houdt

Houdt u zich niet of niet helemaal aan de verzekeringsvoorwaarden en is dat nadelig voor ons? Dan betalen we niet. Dat geldt ook als u te laat aan de voorwaarden voldoet.

d. Als u bij een melding niet de juiste informatie geeft

Als u gebruik wilt maken van de verzekering, moet u dit bij ons melden. U moet ons dan alle en de juiste informatie geven. Bijvoorbeeld over hoe de pech of schade is ontstaan, welke schade u precies heeft, hoeveel schade u heeft en wat de schade kost. Meldt u een schade en geeft u daarbij met opzet de verkeerde gegevens om ons te misleiden? Of geeft u ons met opzet geen gegevens of niet alle gegevens? Dan hoeven wij niet te betalen. U heeft dan geen recht op alles wat we in de voorwaarden hebben afgesproken. Wij mogen dan ook de volgende dingen doen:

- We mogen de bedragen opeisen die we al betaald hebben naar aanleiding van uw melding.

- We mogen de kosten opeisen die we maken om uw schade te onderzoeken.

- We mogen registreren dat u ons met opzet de verkeerde of niet alle informatie heeft gegeven. Dit laten we u van tevoren weten. We laten u dan ook weten waar we dit registreren.

- We mogen aangifte doen bij de politie.

(...)

In welke situaties kunnen wij de verzekering beëindigen?

Wij kunnen de verzekering beëindigen in de situaties hieronder.

(…)

- Als we vinden dat de behandeling van de schade daartoe aanleiding geeft. Wij mogen de verzekering dan beëindigen binnen een maand nadat wij de laatste schade hebben behandeld. De verzekering eindigt 2 maanden nadat we de verzekeringnemer dit hebben laten weten.

- Als u of de verzekeringnemer ons met opzet verkeerde of niet alle informatie heeft gegeven. De verzekering eindigt dan op de datum die wij in ons bericht aan de verzekeringnemer noemen.

(...)

8 Het gebruik van persoonlijke gegevens

Wij behandelen de persoonlijke gegevens van de verzekeringnemer zorgvuldig. Als de verzekeringnemer deze overeenkomst sluit, geeft hij ons toestemming om zijn gegevens te verwerken. Wij gebruiken de gegevens binnen de Achmea Groep voor het volgende:

(...)

- Om fraude te voorkomen en te bestrijden.

(...)

Wij mogen de gegevens van de verzekeringnemer opvragen bij de [naam stichting] in [vestigingsplaats] . Wij kunnen de gegevens ook laten opnemen in de database van de [naam stichting] , bijvoorbeeld als de verzekeringnemer belangrijke informatie niet heeft doorgegeven en wij de verzekering beëindigen. Hierdoor willen we fraude voorkomen en risico's beheersen. (…)”

In de eveneens van toepassing zijnde PAV-RV-50-131 (productvoorwaarden diefstal en inbraak) is het volgende bepaald:

5. Voor welke schade betalen wij?

We betalen als de auto is gestolen. (...)

Daarnaast betalen we alleen in de volgende gevallen voor de schade aan de auto, de accessoires en de bagage.

(...)

Schade terwijl de auto gestolen was.

(...)

Wat is nog meer verzekerd?

Kunt u de auto niet gebruiken omdat hij gestolen of verduisterd is? Dan krijgt u € 15,= voor elke dag dat u de auto niet kunt gebruiken.

(...)

9. Wanneer betalen wij voor schade als de auto weg is?

(...)

Is de auto binnen die 20 dagen terecht? Dan betalen wij niet en moet u de auto terugnemen. Als hij dan beschadigd is, betalen wij wel voor de schade.”

3.5.

Achmea heeft de auto gerepatrieerd waarvoor zij € 3.124,34 aan kosten heeft gemaakt.

3.6.

[geïntimeerde] heeft op verzoek van Achmea een formulier “Verklaring inzake diefstal object” ingevuld (productie 2 bij dagvaarding). In die verklaring is op de vraag over de aankoop van de auto door [geïntimeerde] geantwoord dat zij de auto zelf heeft gekocht van een particulier voor een bedrag van € 54.950,00. De vraag of de auto volledig schadevrij is aangekocht, heeft zij onbeantwoord gelaten. De vraag of zij bezig was met inruil of verkoop van de auto, heeft [geïntimeerde] beantwoord met “nee”. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van overige schade (waaronder de in de auto aanwezige koelbox, kinderstoeltjes etc.) een factuur overgelegd van Fahrzeugdienst Nortorf GmbH & Co. KG te Schulp, Duitsland. Op de factuur staat een totaalbedrag van € 2.724,32, waaronder een bedrag van € 524,00 voor een koelbox. De factuur staat op naam van [naam zwager] (zie productie 6 conclusie van antwoord). Ook heeft [geïntimeerde] een offerte overhandigd aan Achmea, gedateerd op 28 februari 2014, waarin een totaalsom van € 28.621,00 aan herstelwerk van de auto is opgenomen, waaronder een bedrag van € 6.750,00 in verband met vervanging van de versnellingsbak (productie 8 bij conclusie van antwoord). Ook deze offerte staat op naam van [naam zwager] .

3.7.

Op 7 november 2014 heeft [geïntimeerde] een door Achmea opgestelde “Akkoordverklaring” (productie 3 bij dagvaarding) ondertekend. Hierin verklaart [geïntimeerde] dat zij akkoord gaat met de poliswaarde van € 34.000,00 (inclusief btw) voor de auto. Dit bedrag is inclusief de vergoeding voor de in het expertiserapport gespecificeerde en meeverzekerde accessoires. In deze verklaring komt aan het slot de volgende passage voor: "De in deze akkoordverklaring vermelde waardebepaling houdt voor de verzekeraar geen verplichting tot vergoeding in”.

3.8.

Achmea heeft een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de door [geïntimeerde] gemelde diefstal van de auto. In dit kader heeft haar toedrachtonderzoeker, [naam onderzoeker] (hierna: [naam onderzoeker] ) op 5 december 2014 [geïntimeerde] , in aanwezigheid van haar toenmalige echtgenoot [naam echtgenoot] (hierna: de echtgenoot), gehoord. Van dit interview is een verslag opgesteld (productie 4 bij dagvaarding) waarin onder meer is opgenomen (waarbij V: = vraag en A: = antwoord) (De hierna volgende citaten zijn overgenomen inclusief spel- en taalfouten):

“(…) Aankoop voertuig

V: Wat kunt u mij vertellen over de aankoop van de Mercedes met kenteken (…)?

A: Omdat wij allebei geen verstand hebben van auto’s hebben we de aankoop van de Mercedes aan mijn zwager, de heer [naam zwager] , overgelaten.

We hebben zelf ook wel naar zo’n auto gezocht maar deze Mercedes is door mijn zwager op Marktplaats gevonden. Ik heb de advertentie van de auto aan de heer [onderzoeker Achmea] [hof: eveneens toedrachtonderzoeker in dienst van Achmea] gegeven. De vraagprijs was € 55.950,00. De onderhandelingen over de prijs zijn door mijn zwager gedaan. Ik heb € 55.000,00 van mijn rekening afgehaald en dat aan mijn zwager gegeven. (…) We hebben zelf niet met de auto proefgereden en hadden de auto ook niet eerder in het echt gezien. [naam zwager] heeft zelf foto’s gemaakt en deze aan ons getoond. (…)

V: U heeft een advertentie van Marktplaats van de Mercedes aan de expert overhandigd. Heeft u zelf deze advertentie gevonden en ook zelf uitgeprint?

A: We hebben zelf de advertentie van Marktplaats niet gezien. Dit is allemaal door mijn zwager geregeld.

V: Wat heeft u voor deze auto betaald?

A: Ik heb mijn zwager € 55.000,00 contant gegeven. Ik heb € 500,00 van hem teruggekregen.

V: Heeft u destijds een aankoopnota ontvangen?

A: In eerste instantie dachten wij dat wij een auto van een particulier gekocht hadden. Toen de heer [onderzoeker Achmea] ons na zijn bezoek belde en aangaf dat de vorige eigenaar een bedrijf was hebben we contact opgenomen met het bedrijf en ik ben daar zelf naar toe gegaan om een factuur op te vragen. (…) heb ik twee facturen ontvangen van garage MFT. De ene nota is de aankoopnota van de Mercedes, hierop staat een bedrag van € 20.000,00. De andere nota is een inruil nota van een Mercedes Vito (…) dit was de auto van mijn zwager. Het inruil bedrag was € 3.000,00. Ik schat dat we deze nota’s nu ongeveer twee weken in ons bezit hebben. Ik heb u ook een overzicht van een schadetaxatie gegeven die we later bij de papieren van de auto teruggevonden hebben. Die hebben we onlangs pas gevonden. U ziet dat de naam [naam zwager] op de offerte staat vermeld. Dit is dus mijn zwager die nu niet meer in Nederland is maar terug is gegaan naar Turkije. (…)

A: Ik heb op maandag gebeld met Centraal Beheer met de mededeling dat de auto gestolen was en ook al weer was teruggevonden. Centraal Beheer wist ook al dat de auto terug was. Ik kon kiezen voor een leenauto maar dat was niet nodig. Later hoorde ik dat het langer ging duren en dat er een expert langs zou komen om de boel te regelen. Deze zou de waarde van de auto bepalen. Als de auto terug zou komen in Nederland konden we dan altijd kiezen om de auto terug te nemen. De heer [onderzoeker Achmea] heeft uiteindelijke een waarde bepaald van € 34.000. Dit was veel lager dan het bedrag dat ik er voor betaald had. Ik kan niet anders dan er mee akkoord gaan. Ik was heel boos op mijn zwager en ook wel op mijn man.

(…)

Samenvatting

V: U vertelde dat uw zwager de auto via Marktplaats heeft gevonden en gekocht van een particulier voor € 54.500,00. De advertentie die u mij getoond heeft de originele advertentie is met de auto zoals u deze heeft gekocht. Deze advertentie heeft u van uw zwager ontvangen. De vraagprijs was

€ 55.950,00. U verklaart dat u na aankoop van de auto diverse spullen voor de auto heeft gekocht bij een bedrijf in Duitsland, Fahrzeugdienst Nortorf in Schulp en dat de aankoopnota aan de expert heeft overhandigd. U heeft ook aangegeven dat u deze goederen zelf bent op gaan halen met de Mercedes in Duitsland. Klopt dit?

A: Dat klopt.

Aanvullende vragen

Nadat de expert bij u is geweest heeft hij nog telefonisch contact met u gehad over de aankoop van de auto. Uit zijn onderzoek bleek dat de auto kennelijk niet particulier maar bij een bedrijf is gekocht. U heeft aangegeven dat u € 54.500,00 voor de auto heeft betaald en dat u dit contant heeft afgerekend.

Kunt u mij antwoord geven op de volgende vraag:

V: Ik vraag u nogmaals of de door u aan de expert verstrekte advertentie de originele advertentie is?

A: Dit is de advertentie die wij van mijn zwager hebben ontvangen die de aankoop van de auto heeft geregeld.

V: Uit onderzoek is gebleken dat dit niet de originele advertentie betreft maar een aangepaste. In de advertentie van Marktplaats wordt de prijs altijd twee keer vermeld, eenmaal boven aan de advertentie en eenmaal in de samenvatting. In uw geval is bovenaan de advertentie een bedrag vermeld van

€ 55.950,00 maar in de samenvatting een bedrag van € 39.050,00. Wat kunt u hierover verklaren?

A: Zoals eerder verklaard hebben we deze advertentie van mijn zwager ontvangen en we hebben niet gezien dat er twee verschillende bedragen opstaan. Ik weet hier niets van. Ik krijg steeds meer het idee dat we belazerd zijn door mijn zwager.

V: Wat is er daadwerkelijk voor de Mercedes betaald?

A: Ik heb € 55.000,00 aan mijn zwager betaald en nog € 500,00 van hem teruggekregen.

V: Er is ook onderzoek gedaan naar de door aan de expert verstrekte nota van de na de aankoop aangekocht extra’s. U heeft verklaard dat deze bij het op de nota vermelde bedrijf zijn gekocht. Navraag bij dit bedrijf leerde dat dit niet klopt. Ik zal u aangeven wat er uit het onderzoek naar de factuur is gebleken: de rekening is niet door dit bedrijf opgesteld, u bent daar niet bekend als klant, de auto is daar niet bekend, het bankrekeningnummer is fout, het internetadres klopt niet en ook telefoonnummer is fout. Bovendien werkt er geen heer Jungeringer bij dit bedrijf. Wat is hierop uw reactie?

A: Ik begrijp er helemaal niets van. Ook de factuur van de garage in Duitsland is kennelijk ook vervalst. Ik ben erbij geweest dat we de spullen in Duitsland kochten. Ik ben met mijn man naar buiten gelopen en heb buiten de factuur van de spullen gezien van mijn zwager. Kennelijk heeft een vals nota getoond. Ik vermoed dat mijn zwager onder één hoedje speelde met de garage in Duitsland.

V: U heeft ook aangegeven dat de Mercedes, in de periode dat de auto in uw bezit was, niet de koop heeft gestaan. Ik toon u een advertentie van Marktplaats waarin de Mercedes inclusief een aantal foto’s op 3 oktober 2014 te koop werd aangeboden voor € 32.450,00. In de advertentie staat bovendien uw telefoonnummer vermeld, (…). Hieruit blijkt de auto wel degelijk te koop stond. Wat is hierop uw reactie?

A: Ik heb de advertentie gezien. Ik herken de foto’s en ik zie ook dat mijn telefoonnummer erbij vermeld staat. Ik weet niets van deze advertentie af. Ik en mijn man hebben deze advertentie niet op Markplaats gezet. Ik ben ook niet gebeld naar aanleiding van deze advertentie.

V: Kunt u zich voorstellen dat Centraal Beheer grote vraagtekens zet bij deze schadeclaim?

A: Ik kan me dit zeker voorstellen. Ik kan u niet anders verklaren dan dat ik kennelijk enorm ben opgelicht door mijn zwager [naam zwager] . Ik zal er ook alles aan doen om hem te vinden en duidelijkheid te krijgen. Wij weten echt niets van de diefstal af en ook niets van de valse nota en aangepast advertentie van Marktplaats.” (…)

3.9.

Op 8 december 2014 heeft [geïntimeerde] een e-mail doorgezonden aan [naam onderzoeker] waarin zij schrijft dat ze een e-mail van haar zwager ( [naam zwager] ) heeft vertaald en heeft bijgevoegd. In die e-mail staat onder meer (productie 5 dagv):

“(…) De auto had ik gevonden en was eigenlijk een goed deal, jullie weten immers waar het is. Ik heb mijn eigen zakelijke bestelbus ingeruild en op de naam van [naam echtgenoot] de Mercedes gekocht. Ik dacht dat ik de btw kon verrekenen, daarom op mijn eigen naam. Ik wilde jullie absoluut niet belazeren of winst hebben anders kon ik ook wel anders doen. Enige wat ik jullie vertelde is dat ik de auto van een particulier heb gevonden maar het was een bedrijf. De auto was ook ingevoerd en het bedrijf had lage bpm betaald, en voor een Nederlandse kenteken gezorgd.

Aan de voorkant had de auto enkele schades maar wel rijdbaar, ik had het makkelijker verwacht, maar het duurde langer dan ik dacht. De kosten bleven oplopen en werden meer. [naam echtgenoot] bleef maar vragen waar de auto nou bleef, en toen had ik problemen van de automaat bak ontdekt, die heb ik ook nog gekocht en de auto was helemaal in orde en netjes. Ik had de bewijs van de onderdelen in de auto map gedaan. Ik heb plus minus 28-29 duizend uitgegeven voor de onderdelen. (…)

De auto was uiteindelijk helemaal klaar en omdat [naam echtgenoot] zo bleef vragen was ik eigenlijk bang dat jullie de auto niet meer wilde hebben. Om jullie te overhalen wat betreft de prijs en omdat de auto nog gemaakt moest worden, heb ik via marktplaats een andere advertentie gevonden en de foto’s van deze bijgevoegd zodat jullie echt in de prijs geloven. Nadat [naam echtgenoot] de advertentie had gezien vond hij het ook wel goed. De auto heeft wel uiteindelijk 54-55 gekost, want de onderdelen waren heel duur. Uiteindelijk kwam het op hetzelfde bedrag neer wat ik van hem kreeg € 54.500. (…)

Over de spullen die we in Duitsland hadden gekocht, [naam echtgenoot] de advertentie op internet gezien. Hij vroeg mij of ik mee wilde komen om te praten (…) Waar we naar toe gingen was niet eens een betrouwbaar plek om spullen te kopen, want elke keer gaf hij een ander bedrag door als ik wat vroeg, hij was gewoon een idioot. Ik heb [naam echtgenoot] verteld dat de onderdelen en dat hij zelf ook niet zo betrouwbaar is, maar hij vond de prijzen wel ideaal en daarom hebben we de spullen daar gekocht.. Toen hij naar buiten ging met [naam zwager] heb ik nog om een nota gevraagd en hij zei op dit moment kan ik geen nota geven, maar ik zal je een bewijs geven, en de nota stuur ik dan wel op via de post, toen had ik al meteen mijn twijfels over hem. Ik gaf mijn eigen adres aan hem, na 3 a 4 weken kreeg ik een nota opgestuurd zonder btw en kvk nummer en al, ik kon het dus niet gebruiken voor mijn zaak, ik had zelf de nota in de service boekjes van de auto gelegd. (…)

Omdat ik zelf geen toegang tot marktplaats had, heb ik [naam echtgenoot] gevraagd of ik zijn account mag gebruiken. Na de vakantie vond hij het goed, en heb ik met de hulp van mijn vriend mijn auto op marktplaats gezet. Omdat die van mij een Duitse kenteken had wilde het niet lukken, en heb ik jouw kenteken ingevoerd, want dan krijg je automatisch alle gegevens uitgeschreven en hoefde ik niet nogmaals alles schrijven. Inmiddels had niemand gebeld, ik vraag me af of ik de advertentie goed had geplaatst natuurlijk. Toen heb ik nog een paar laatste dingen in Duitsland gedaan en ben weer terug gekomen naar Nederland. De auto heb ik meegenomen omdat ik hem waarschijnlijk in Nederland niet kon verkopen. De auto heb ik voor een hele lage prijs weggegeven omdat ik Nederland moest verlaten. Op de advertentie die ik had geplaatst heb ik de foto’s van jullie Mercedes geplaatst om te proberen, ik had de foto’s toch. Wat er daarna is gebeurd begreep ik ook niet echt en heb mijn vriend gevraagd om de advertentie te verwijderen. Waarom en hoezo zou ik jullie auto proberen te verkopen ??? Hij is toch niet van mij. Ik was gewoon pist omdat marktplaats zo duur was en wilde ik voor de gein foto’s daar plaatsen en toen het niet lukte gewoon verwijderd. (…)”

3.10.

In een e-mail van 12 februari 2015 van [naam onderzoeker] staat dat uit onderzoek is gebleken dat onomstotelijk de originele versnellingsbak in de auto aanwezig is. Deze is dus niet vervangen.

3.11.

In een e-mail van 19 maart 2015 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [geïntimeerde] aan Achmea onder meer geschreven:

(…) “Wat betreft de accessoires nota van Duitsland, we hebben de zaak via Ebay gevonden, en omdat de prijzen aanzienlijk goedkoper was dan in Nederland, zijn wij daarna toe gereden. Dat de nota niet klopt, kan ik niets aan doen, want uiteindelijk kan er geen rechten aan worden ontleend als je via internet zaken doet, mijn werk was gedaan. Ik had de accessoires betaald en was tevreden. De verkoper heeft achteraf een nota naar mijn zwager zijn zaak opgestuurd met zijn naam waar ik zelf toch niks aan had. Wij hebben de heer [naam onderzoeker] niks anders verteld dan hier genoemd, hetzelfde verteld mijn zwager ook in zijn verklarende e-mail.”

3.12.

Bij brief van 18 maart 2015 (productie 6 bij dagvaarding) heeft Achmea aan [geïntimeerde] medegedeeld dat zij op grond van de polisvoorwaarden niet tot schadevergoeding zal overgaan omdat [geïntimeerde] volgens Achmea opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Achmea heeft daarbij aangegeven dat de all-risk autoverzekering alsmede de bij haar lopende woongarantverzekering en rechtsbijstandsverzekering zullen worden beëindigd. Achmea heeft voorts jegens [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op vergoeding van de door Achmea gemaakte onderzoekskosten ad € 4.895,15 alsmede de kosten van repatriëring van de auto ad € 3.124,34. Tot slot heeft Achmea medegedeeld dat zij de gegevens van [geïntimeerde] heeft opgenomen in het interne incidentenregister alsmede in het extern verwijzingsregister. Laatstgenoemd register wordt gehouden door de [naam stichting] voor in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen (hierna: [naam stichting] ). [naam stichting] bewaart verzekeringsgegevens voor verzekeringsmaatschappijen en gevolmachtigde agenten.

3.13.

Achmea heeft in verband met de uitgevoerde onderzoeken kosten gemaakt. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft zij haar kosten met stukken onderbouwd, waaruit blijkt dat deze in totaal € 4.869,94 bedragen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd Achmea te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 34.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente, tot betaling van de dagvergoeding, de registraties met betrekking tot [geïntimeerde] in het interne incidentenregister van Achmea en het externe verwijzingsregister bij de [naam stichting] te verwijderen, de verzekeringsovereenkomst met [geïntimeerde] als voortgezet te bepalen en Achmea te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

4.2.

Achmea heeft in eerste aanleg (in reconventie) – samengevat – gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de onderzoeks- en repatriëringskosten van in totaal € 8.019,49, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

4.3.

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 oktober 2015 geoordeeld dat de door [geïntimeerde] aan Achmea verstrekte verklaringen en mededelingen (zowel die ten aanzien van de aankoop van de auto als de geoffreerde reparaties, waaronder de niet vervangen versnellingsbak) zijn gebaseerd op door [geïntimeerde] verkregen informatie van haar zwager welke informatie in strijd met de waarheid was. Dit blijkt uit de e-mail van de zwager van 8 december 2014. De rechtbank is van oordeel dat het [geïntimeerde] niet kan worden toegerekend dat aldus onjuiste informatie is verstrekt ten aanzien van de omvang van de schade, daar waar het de waarde van de auto betreft. Evenmin kan het [geïntimeerde] worden verweten dat zij een valse factuur heeft overgelegd ten aanzien van de in Duitsland gekochte zaken. Ook deze factuur is afkomstig van haar zwager. Het enkele feit dat [geïntimeerde] in eerste instantie tegenover Achmea heeft verklaard dat zij, nadat zij en haar echtgenoot weer buiten kwamen, de nota heeft gezien, betekent nog niet dat [geïntimeerde] die mededeling heeft gedaan met het oogmerk om Achmea te misleiden over de omvang van de schade. Ten aanzien van de koelbox, die volgens het bedrijf waar de zwager van [geïntimeerde] de auto heeft gekocht reeds aanwezig was ten tijde van de aankoop van de auto door de zwager, is volgens de rechtbank – zonder schriftelijke verklaring van dat bedrijf – niet aangetoond dat [geïntimeerde] in strijd met de waarheid tegen Achmea heeft gezegd dat zij deze in Duitsland heeft gekocht. Aldus concludeert de rechtbank dat Achmea onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat [geïntimeerde] welbewust heeft getracht om Achmea te misleiden over de omvang van de schade.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat Achmea onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel zouden moeten leiden dat het bewijs van de diefstal (nog) niet (voldoende) is geleverd, zodat Achmea gehouden is dekking te verlenen. Ten aanzien van de omvang van de schade heeft de rechtbank geoordeeld dat nu de auto kort na de diefstal is teruggevonden, Achmea op grond van de toepasselijke voorwaarden niet uitkeert en de verzekerde gehouden is de auto terug te nemen en [geïntimeerde] slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de door de diefstal veroorzaakte schade, op vergoeding waarvan zij geen aanspraak heeft gemaakt. Gelet op de vervalste factuur ten aanzien van de in Duitsland aangeschafte zaken heeft Achmea met recht geweigerd deze schade te vergoeden. Aldus heeft de rechtbank het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van € 34.000,00 afgewezen. Ten aanzien van de gevorderde dagvergoeding heeft de rechtbank overwogen dat het voor rekening en risico van [geïntimeerde] komt dat zij in afwachting van de uitslag van de procedure heeft geweigerd om de auto in ontvangst te nemen. Omdat de auto op de dag van de diefstal weer is teruggevonden en onduidelijk is hoeveel dagen er waren gemoeid met het repatriëren van de auto, is de vordering van [geïntimeerde] op dit punt afgewezen.

Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat Achmea [geïntimeerde] ten onrechte als onbetrouwbare verzekerde heeft gekwalificeerd en dat de all-risk autoverzekering van [geïntimeerde] ten onrechte is beëindigd. Evenmin is er een deugdelijke grond om [geïntimeerde] op te nemen in de interne- en externe incidentenregisters. Achmea is dan ook veroordeeld om deze registraties ongedaan te maken. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de all-risk autoverzekeringsovereenkomst van [geïntimeerde] nimmer is geëindigd en aldus voortgezet wordt onder dezelfde voorwaarden. Achmea is veroordeeld in de proceskosten waaronder de nakosten, de buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen.

De vordering in reconventie tot veroordeling van [geïntimeerde] in de onderzoeks- en repatriëringskosten is afgewezen, nu [geïntimeerde] niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het feit dat de handelwijze van haar zwager voor Achmea aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen naar mogelijk opzettelijke misleiding door [geïntimeerde] , hetgeen niet is komen vast te staan. Achmea is veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

Tegen het vonnis van de rechtbank is Achmea in hoger beroep gekomen met negen grieven. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord haar eis gewijzigd en vordert nu niet langer schadeuitkering onder de verzekering maar veroordeling van Achmea tot teruggave van de auto, veroordeling van Achmea tot het repareren van de schade aan de auto en veroordeling van Achmea tot betaling van alle door [geïntimeerde] geleden schade, groot € 78.174,20 (te vermeerderen met rente), bestaande uit:

a. stallingskosten van de auto bij de dealer;

b. stallingskosten van de auto bij het bedrijf in Apeldoorn waar de auto momenteel staat;

c. waardeverlies van de auto;

d. premiekosten voor de verzekering bij Rialto;

e. betaalde kosten voor wegenbelasting;

f. kosten wegenwacht;

g. dagvergoeding van € 15,00 per dat dat [geïntimeerde] de auto niet terug heeft;

h. diefstalschade van de auto;

i. gemaakte advocaatkosten.

5.2.

De grieven van Achmea leggen het geschil in volle omvang voor. Dat betekent dat allereerst de vraag voorligt of er sprake is van diefstal nu Achmea dit heeft betwist (zie ook grief 6).

5.3.

De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 7.7. tot en met 7.10. overwogen dat Achmea onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel zouden moeten leiden dat het bewijs van de diefstal (nog) niet (voldoende) is geleverd. Dit oordeel onderschrijft het hof. Dit betekent dat grief 6 faalt en dat Achmea in beginsel gehouden is om dekking te verlenen voor de diefstal van de auto. Dit wordt echter anders wanneer [geïntimeerde] kan worden verweten onjuiste inlichtingen aan Achmea te hebben verstrekt met het opzet de verzekeraar te misleiden (art. 7:941 lid 5 BW).

5.4.

Voorop staat dat de verzekeraar niet alleen bij het sluiten maar ook bij de uitvoering van een verzekeringsovereenkomst in sterke mate afhankelijk is van de betrouwbaarheid van de verzekerde; de verzekeringsovereenkomst heeft daardoor een bijzonder vertrouwenskarakter. De verzekeraar moet, in het bijzonder in het geval van diefstal, ter beoordeling van een desbetreffende schadeclaim erop kunnen vertrouwen dat de verzekerde juiste en zo volledig mogelijke informatie ter zake verstrekt. Dit is een zwaarwegende verplichting van de verzekerde tegenover de verzekeraar, die ook een rigoureuze sanctie in de zin van verval van het recht op uitkering rechtvaardigt. De vaststelling van de schade berust immers bijna geheel op eigen verklaringen van de verzekerde zodat deze geen niet te verontschuldigen fouten mag maken die aan de juistheid van die verklaringen doen twijfelen. Is dat het geval, dan ontvalt bij een verzekering de basis aan een schaderegeling. Voorts heeft te gelden dat opzet in de zin van artikel 7:941 lid 5 BW moet worden gezien als opzet in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW: bedrog, een handelen of nalaten met het oogmerk een ander te misleiden. De verzekeringnemer moet onjuist hebben voorgelicht met het oogmerk een hogere schadevergoeding te verkrijgen, respectievelijk een uitkering te verkrijgen waarop hij bij kennis van de ware stand van zaken geen recht zou hebben gehad. De verzekeraar moet bedrog stellen en bewijzen.

Opzet tot overtreding van de polisvoorwaarden in die gevallen waarin de verzekeringnemer of de verzekerde dit zelf niet erkent, kan alleen worden aangetoond met behulp van vermoedens, te putten uit de omstandigheden van het geval. Van de verzekeraar mag daarbij worden verwacht dat hij in ruime mate voldoet aan zijn stelplicht en dat hij ingaat op het standpunt van de verzekerde en inzicht geeft in het (nauwgezet) onderzoek dat hij heeft uitgevoerd en, zo deze aanwezig zijn, de stukken daarvan overlegt. Het bewijs van de stelling dat algeheel verval niet gerechtvaardigd zou zijn, rust op de verzekerde.

5.5.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] kan worden verweten onjuiste inlichtingen aan Achmea te hebben verstrekt met het opzet de verzekeraar te misleiden (art. 7:941 lid 5 BW). Dit leidt het hof af aan de hand van de volgende drie omstandigheden.

5.6.

Ten eerste heeft [geïntimeerde] op verzoek van Achmea het formulier “Verklaring inzake diefstal object” ingevuld (productie 2 bij dagvaarding). In die verklaring heeft zij op de vraag over de aankoop van de auto geantwoord dat zij de auto zelf heeft gekocht van een particulier voor een bedrag van € 54.950,00 (zie ook hiervoor onder 3.6.). Tegenover [naam onderzoeker] heeft zij echter verklaard dat nu zij en haar (toenmalige) echtgenoot geen verstand hebben van auto’s, de aankoop van de auto aan haar zwager, [naam zwager] , is overgelaten (zie ook hiervoor onder 3.8). Dit betekent dat de ”Verklaring inzake diefstal object” op dit punt door [geïntimeerde] in strijd met de waarheid is ingevuld.

5.7.

Ten tweede heeft [geïntimeerde] ter onderbouwing van haar schade een factuur van Fahrzeugdienst Nortorf GmbH & CO KG te Schulp Duitsland (hierna: de factuur) aan Achmea overhandigd. Nadat zij door [naam onderzoeker] was geconfronteerd met de mededeling dat de factuur vals was (de rekening is niet door het bedrijf opgesteld, [geïntimeerde] is daar niet bekend als klant, de auto is daar niet bekend, het bankrekeningnummer is fout, het internetadres klopt niet en ook het telefoonnummer is fout en de verkoper die op de factuur staat vermeld, Jungeringer, werkt niet bij het bedrijf) heeft zij aan [naam onderzoeker] verklaard (zie ook hiervoor onder 3.8.) dat zij de factuur heeft gezien toen zij, nadat de spullen waren gekocht, met haar man naar buiten liep. Haar zwager zou de factuur hebben getoond. Vervolgens stuurt [geïntimeerde] op 8 december 2014 een door haar vertaalde e-mail die afkomstig zou zijn van Tasdemir aan Achmea (zie hiervoor onder 3.9.) waarin staat dat [naam zwager] , toen [geïntimeerde] en haar echtgenoot uit het bedrijf in Duitsland naar buiten gingen, nog om een nota heeft gevraagd, en dat de mededeling toen was dat deze werd opgestuurd via de post. Deze nota zou [naam zwager] na drie à vier weken hebben ontvangen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] per e-mail van 19 maart 2015 (zie hiervoor onder 3.11) aan Achmea bericht dat de verkoper van de accessoires de factuur achteraf aan haar zwager zijn zaak heeft opgestuurd. Uitgaande van deze laatste mail van [geïntimeerde] betekent dit dat zij in strijd met de waarheid tegen [naam onderzoeker] heeft verklaard dat zij de nota direct na de aankoop in Duitsland heeft ontvangen/gezien.

5.8.

Ten derde heeft [geïntimeerde] tegenover [naam onderzoeker] verklaard dat zij in Duitsland een koelbox heeft gekocht voor de auto. Ook deze verklaring kan niet juist zijn nu uit de “Datenkarte” (productie 2 memorie van antwoord) blijkt dat de koelbox al aanwezig was in de auto ten tijde van de verkoop aan [naam zwager] . Hiervoor geeft [geïntimeerde] geen enkele verklaring.

5.9.

Gelet op het hiervoor onder 5.3. vermelde uitgangspunt moet een verzekeraar kunnen vertrouwen op de juistheid van de informatie van de verzekerde. Het opzet tot misleiding van de verzekeraar (art. 7:941 lid 5 BW) kan in dit geval worden geput uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] aantoonbaar tot drie keer toe Achmea onjuist heeft ingelicht.

5.10.

Hier komt nog bij dat in dit geval ook sprake is van de volgende bijkomende omstandigheden die het hof sterken in de overtuiging dat er sprake is van opzet tot misleiden van Achmea door [geïntimeerde] . De door [geïntimeerde] aan [naam onderzoeker] overhandigde advertentie van Marktplaats op basis waarvan de auto zou zijn gekocht, is gemanipuleerd. In de aanhef staat immers een vraagprijs van € 55.900,00 terwijl in de tekst een prijs staat van € 39.050,00 en de auto is gekocht voor € 20.000,00. Tegenover [naam onderzoeker] heeft [geïntimeerde] verklaard hiermee geen enkele bemoeienis te hebben gehad; het is [naam zwager] geweest die haar onjuist heeft ingelicht welke informatie [geïntimeerde] heeft doorgegeven aan Achmea. Ter comparitie in eerste aanleg geeft [geïntimeerde] voor het prijsverschil in de advertentie weer een andere uitleg: het bedrag van € 39.050,00 zou zonder BTW en BPM zijn en als je die erbij optelt komt je uit op een bedrag van € 55.000,00. De verklaring voor het prijsverschil die in de e-mail van 8 december 2014 van [naam zwager] wordt gegeven, is ongeloofwaardig. Immers is de offerte met herstelwerkzaamheden die hij aan de auto zou hebben laten uitvoeren, gedateerd van voor de datum aankoop auto. Ook is de in de auto aanwezige versnellingsbak, die zou zijn vervangen, de originele versnellingsbak van de auto. Bovendien herkent het bedrijf dat de auto aan [naam zwager] heeft verkocht, het door hem geschetste schadebeeld van de auto niet en staat vast dat [naam zwager] de auto voor € 20.000,00 heeft gekocht van een bedrijf. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Achmea door [geïntimeerde] (die op haar beurt is voorzien van informatie door [naam zwager] ) onjuist is ingelicht ten aanzien van de waarde van de auto.

5.11.

Ook heeft [geïntimeerde] verklaard dat de auto niet te koop heeft gestaan gedurende de tijd dat zij de auto in bezit had. Dit is echter onjuist gelet op de door Achmea gevonden advertentie op Marktplaats van kort voor de diefstal. De verklaring die zowel [geïntimeerde] als [naam zwager] daarvoor geeft, komt het hof ongeloofwaardig voor. Indien het de bedoeling was dat [naam zwager] zijn auto zou verkopen – wat daar verder overigens van zij – is het onbegrijpelijk dat het telefoonnummer van [geïntimeerde] bij de advertentie is geplaatst en dat [geïntimeerde] hiervan dan geen weet zou hebben. Wat moest [geïntimeerde] dan zeggen tegen potentiële kopers? Al deze omstandigheden sterken het hof in zijn overtuiging dat [geïntimeerde] met het opzet tot misleiden Achmea verkeerd heeft ingelicht met het oogmerk een hogere schadevergoeding te verkrijgen, respectievelijk een uitkering te verkrijgen waarop zij bij kennis van de ware stand van zaken geen recht zou hebben gehad. Dat de uitzondering van artikel 7:941 lid 5 BW zich hier voor zou doen, is gesteld noch gebleken.

5.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt grief 5 (die kort gezegd is gericht tegen het oordeel dat geen sprake zou zijn van onjuiste verklaringen van [geïntimeerde] ) en kan het bestreden vonnis reeds daarom niet in stand blijven. De overige grieven behoeven geen bespreking meer, omdat Achmea daarbij geen belang meer heeft.

5.13.

Nu het recht op uitkering van [geïntimeerde] onder de polis is komen te vervallen, zal haar hiermee in verband staande vordering om te bepalen dat Achmea dient over te gaan tot uitkering van de schadevergoeding van € 34.000,00 en haar vordering om de dagvergoeding van de auto te betalen, worden afgewezen.

5.14.

[geïntimeerde] heeft zich verder verzet tegen opname door Achmea in het interne register van Achmea en het externe incidentenregister ( [naam stichting] ). Voor zover sprake zou zijn van onjuiste inlichtingen stelt [geïntimeerde] dat zulks opname in die registers niet rechtvaardigt. Voorop staat dat opname in het incidentenregister, en met name in het externe incidentenregister, verstrekkende consequenties heeft. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers dit register raadplegen. Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent opname kunnen vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de grond(en) van Achmea voor opname van [geïntimeerde] in de registers. In dit geval is aan die hoge eisen voldaan. Achmea heeft in haar conclusie van antwoord in conventie onder punt 24 tot en met 30 uiteengezet dat zij alvorens over te gaan tot registratie haar toepasselijke protocollen heeft gevolgd en een belangenafweging heeft gemaakt. Nu sprake is van opzettelijke misleiding door [geïntimeerde] heeft Achmea terecht besloten dat opname in de registers in dit geval is gerechtvaardigd. Het belang van registratie prevaleert in dit geval boven eventuele nadelige gevolgen voor [geïntimeerde] als gevolg van de opname van haar gegevens in de registers.

Ook heeft Achmea gelet op de toepasselijke algemene voorwaarden de verzekeringsovereenkomst met [geïntimeerde] mogen beëindigen. De conclusie is dan ook dat de hierop betrekking hebbende vordering van [geïntimeerde] in eerste aanleg alsnog zal worden afgewezen.

5.15.

De vordering in reconventie van Achmea zal alsnog worden toegewezen nu de toepasselijke algemene voorwaarden (zie eveneens 3.4) bepalen dat de kosten die door Achmea zijn gemaakt om de schade te onderzoeken alsmede de bedragen die Achmea al heeft betaald naar aanleiding van de melding, op [geïntimeerde] mogen worden verhaald. Dit betreft de onderzoekskosten van € 4.869,94 (zie 3.13) alsmede de repatriëringskosten van de auto om deze uit Polen terug te halen van € 3.124,34, derhalve in totaal € 7.994,28. De omvang van deze kosten is op zichzelf niet dan wel onvoldoende betwist.

5.16.

De vermeerdering van eis in hoger beroep van [geïntimeerde] dient, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, te worden afgewezen.

5.17.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief 452)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 96,16

- griffierecht € 718,00

totaal verschotten € 814,16

- salaris advocaat € 2.782,00 (2 punten x tarief 1.391,00)

5.18.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1.

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Gelderland (locatie Zutphen) van 28 oktober 2015 en doet opnieuw recht;

6.2.

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

6.3.

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Achmea tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 7.994,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2015 tot aan de voldoening;

6.4.

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan genoemd vonnis aan de zijde van Achmea wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.909,00 voor verschotten en op € 904,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan dit arrest wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 814,16 voor verschotten en op € 2.782,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

6.5.

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,00 met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

6.6.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, P.P.M. Rousseau en R.F. Groos is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.