Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7999

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
200.180.116/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepaling legitieme massa, diverse posten: deel kosten taxatie en keuring, vordering verzorgende zoon wegens vakantie-uren, verantwoording voor c.q. uitleg over pinopnames voor erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0243
JERF 2019/333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.180.116/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/100524 / HA ZA 13-229)

arrest van 1 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.J.P. Suringar, kantoorhoudend te Assen,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [C] ,

hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde3],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. A. Mulder, kantoorhoudende te Groningen.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 november 2018 hier over.

1.2

Na dit tussenarrest zijn bij het hof binnengekomen:

- het aanvullend rapport deskundigenonderzoek van 19 maart 2019 van de deskundige E.F.J. Gortemaker;

- de memorie na aanvulling deskundigenonderzoek van 14 mei 2019 van [geïntimeerden] c.s.;

- de memorie na taxatie van 14 mei 2019 van [appellant] ;

- een mede door mr. Mulder ondertekende faxbrief van mr. Suringar van 23 mei 2019, waarin beide partijen te kennen geven af te zien van uitlating naar aanleiding van elkanders memories van 14 mei 2019.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.4

Bij brief van 18 juli 2019 heeft het hof partijen voorgelegd dat dit arrest gewezen moet worden door een andere samenstelling uit het hof dan die de eerdere arresten heeft gewezen; in verband met het defungeren van mr. Jonkman als raadsheer wordt dit arrest nu mede gewezen door mr. C. Koopman. Partijen zijn in die brief in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken nadien te laten weten of en zo ja welke consequenties dit voor de gang van zaken zou dienen te hebben, maar hebben binnen de daartoe verleende termijn niet gereageerd op deze mededeling, zodat tegen deze gang van zaken geen bezwaar blijkt te bestaan.

2 De vaststaande feiten

2.1

Voor de weergave van de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals de rechtbank die in het vonnis van 11 februari 2015 heeft vastgesteld. Nu geen van partijen tegen die vaststelling bezwaren heeft geuit zal het hof ook van die feiten uitgaan. Deze luiden als volgt.

2.2

Partijen zijn - samen met de niet in rechte betrokken [D] en [E] kinderen uit het huwelijk van [F] (hierna: moeder) en [G] , welk huwelijk door het overlijden van [G] [in] 1967 is ontbonden. Bij testament van 24 april 2001 heeft moeder [appellant] als enig erfgenaam en executeur benoemd, waarbij is opgemerkt: “zulks in verband met het feit dat hij mij goed verzorgt.“ De andere vijf kinderen zijn onterfd. [appellant] was in dienst van moeder als zorgverlener. Moeder ontving hiervoor een persoonsgebonden budget (PGB). [appellant] woonde ook op hetzelfde adres als moeder, te weten de woning aan de [a-straat 1] te [A] (verder te noemen: de woning). Moeder is [in] 2012 overleden.

2.3

De andere vijf kinderen hebben allen aanspraak gemaakt op hun legitieme portie.

[appellant] heeft aan makelaar MakeLeij te Assen opdracht verstrekt voor een taxatie van de woning. In het taxatierapport van 13 juli 2012 komt de makelaar uit op een WOZ-waarde van de woning op peildatum 24 januari 2012 van € 139.000,00 en een waarde in het economisch verkeer van € 124.000,00. Voorts heeft [appellant] opdracht verstrekt aan ADA Keur te Amersfoort voor een bouwkundig rapport van de woning. Op 8 mei 2012 heeft een inspectie plaatsgevonden.

2.4

In opdracht van [appellant] heeft notariskantoor Krijgsheld en Van Pelt notarissen te Assen op 17 juli 2012 een opstelling van de nalatenschap van moeder gemaakt ten behoeve van de berekening van de legitieme portie van de onterfde kinderen.

2.5

Voor zover van belang, luidt de opstelling als volgt:

Bezittingen

1. Waarde woning € 124.000,00

2. saldo bankrekening 1.683,58

3. waarde inboedel nihil 500,00

Totaal der bezittingen € 126.183,58

Schulden

1. Kosten begrafenis € 7.945,02

2. Schuld aan de heer [appellant] - 8.323,15

3. Kosten boedelbehandeling, bestaande uit

- technokeuring € 320,11

- kosten taxatie € 187,35 verminderd

met bijdrage gem. Assen ivm. bezwaar

tegen WOZ waarde - 93,68

- notariskosten P.M. - P.M.

-. 413,79

totaal der schulden € 16.681,96

saldo der nalatenschap (minus P.M.-post) € 109.501,62

2.6

Bij brief van 18 maart 2013, gevolgd door een rappelbrief van 25 april 2014, beide gericht aan het notariskantoor voornoemd, heeft de toenmalige raadsman van [geïntimeerden] c.s. de notaris bericht dat hij zich niet kan verenigen met (de hoogte van) een aantal posten. Partijen hebben hierover geen overeenstemming kunnen bereiken.

3 De omvang van het geschil

3.1

Voor een weergave van de omvang van het geschil in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 1 augustus 2017.

3.2

De opgeworpen grieven (in het principaal en het incidenteel appel) beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Praktisch gezien gaat het om de vaststelling van de waarde van de legitimaire massa, waarbij in geschil zijn:

- de waarde van de woning aan de [a-straat 1] te [A] ;

- de kosten van de technokeuring en de taxatie;

- de vordering van [appellant] op de nalatenschap;

- de kosten van de notaris;

- de begrafeniskosten en de grafrechten;

- de kosten van vervanging van een raamkozijn;

- de pinopnames van de bankrekening van moeder.

Tevens zijn de proceskosten onderwerp van geschil.

3.3

Ten aanzien van de pinopnames van de bankrekening van moeder geldt dat dit onderwerp door [geïntimeerden] c.s. voor het eerst in hoger beroep aan de orde is gesteld, bij wege van aanvulling (het hof leest: vermeerdering) van eis. [appellant] heeft zich tegen eiswijziging verzet op de grond dat deze in strijd is met een goede procesorde omdat de verdediging onredelijk wordt bemoeilijkt c.q. het geding in hoger beroep hierdoor wordt vertraagd. Het hof is van oordeel dat de eiswijziging niet in strijd is met een goede procesorde, aangezien [appellant] de gelegenheid heeft gehad om zich tegen de vermeerderde eis te verweren en dat ook gedaan heeft. Tot (al dan niet onredelijke) vertraging van de procedure heeft dat niet geleid. Het hof zal dan ook recht doen op de vermeerderde eis.

3.4

Het hof zal bovengenoemde posten achtereenvolgens behandelen.

4 De motivering van de beslissing

de waarde van de woning aan de [a-straat 1] te [A]

4.1

Partijen zijn er ter comparitie van 7 juni 2017 mee akkoord gegaan dat de woning opnieuw getaxeerd zou worden door een door het hof als deskundige te benoemen makelaar. Dit heeft geresulteerd in het taxatierapport van de heer E.F.J. Gortemaker van

5 december 2017, waarin de marktwaarde van de woning per peildatum 8 januari 2012 is getaxeerd op € 127.500,-, en in het aanvullend rapport van de deskundige van 19 maart 2019, waarin hij op de door partijen geuite kritiek op eerdergenoemd rapport is ingegaan. De getaxeerde waarde is daarbij niet gewijzigd.

4.2

Partijen hebben zich wederom kritisch uitgelaten over het aanvullend rapport van de deskundige van 19 maart 2019. Het hof ziet daarin echter onvoldoende concrete aanleiding om af te wijken van de bevindingen van de deskundige en dat niet als uitgangpunt bij zijn oordeel te nemen. Taxaties zijn uit hun aard in enige mate subjectief, hetgeen betekent dat getaxeerde waarden onderling enigszins kunnen afwijken. De door de deskundige vastgestelde taxatiewaarde wijkt niet substantieel af van eerder door partijen bepleite waarden en de voorhanden zijnde WOZ-beschikkingen. Het is correct dat de taxateur geen rekening heeft gehouden met tekortkomingen die pas na de peildatum aan het licht zijn gekomen, omdat die immers de waarde op de peildatum niet beïnvloedden. Daarnaast is een taxatierapport geen bouwkundig rapport en kunnen er dus ook geen vergaande eisen op bouwkundig gebied aan worden gesteld.

4.3

Het hof zal daarom een waarde van € 127.500,- voor de woning hanteren bij de verdere beoordeling van deze zaak.

de kosten van de technokeuring en de taxatie

4.4

Het betreft hier posten van € 320,11 resp. € 93,68, waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat zij niet kunnen worden aangemerkt als schuld die bij de bepaling van de omvang van de legitimaire massa in mindering kan worden gebracht, omdat de rechtbank uitging van de tussen partijen overeengekomen WOZ-waarde.

4.5

[appellant] heeft aangevoerd dat deze kosten na het overlijden van moeder in overleg met de notaris zijn gemaakt. [geïntimeerden] c.s. betwisten dat en stellen dat deze kosten voor een ander doel zijn gemaakt, te weten in het kader van de bezwaarprocedure tegen de gemeente betreffende de WOZ-waarde van de woning.

4.6

Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] c.s. de hoogte van deze posten op zichzelf niet betwisten; daarbij gaat het hof er van uit dat het bedrag van € 93,68 ter zake van de taxatie de resterende helft van die kosten betreft, nu de gemeente [A] de andere helft voor haar rekening heeft genomen, zoals ook blijkt uit de feiten (zie onder r.o. 2.5).

4.7

Uit de stukken - waaronder de brief van notaris mr. Krijgsheld aan mr. Meijerink van 3 mei 2013, productie 4 bij de incidentele conclusie van [appellant] van 3 oktober 2013 - blijkt dat de technokeuring en taxatie in eerste instantie zijn verricht ter onderbouwing van het bezwaar van [appellant] tegen de vaststelling van de WOZ-waarde door de gemeente. Dat pleit er tegen om met deze kosten rekening te houden bij de bepaling van de omvang van de legitimaire massa. Daar staat tegenover dat partijen lange tijd zijn uitgegaan van de WOZ-waarde als grondslag van de in aanmerking te nemen waarde van de woning in dit kader, en vanuit die optiek was een correcte bepaling van die waarde relevant, ook in het kader van de afwikkeling tussen partijen. Daaraan hebben de technokeuring en de taxatie redelijkerwijs bijgedragen. Het komt het hof daarom juist voor om met de helft van deze kosten rekening te houden als schuld (als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder c jo. 4:65 BW) bij de bepaling van de omvang van de legitimaire massa, dus met een bedrag van € 206,90.

de vordering van [appellant] op de nalatenschap

4.8

[appellant] stelt dat hij over de periode 1 februari 2008 tot 8 januari 2012 nimmer vakantie-uren heeft opgenomen, terwijl hij op basis van een PGB in die periode als zorgverlener bij moeder in dienst was en recht had op vakantie-uren. In de zorgovereenkomsten is (veelal) opgenomen dat het overeengekomen bedrag exclusief vakantie-uren was. [appellant] heeft de waarde van die uren becijferd op een bedrag van € 7.960,- en wenst dat bedrag nog te ontvangen zodat er als schuld rekening mee moet worden gehouden bij de bepaling van de legitimaire massa.

[geïntimeerden] c.s. betwisten dat [appellant] geen vakantie(-uren) zou hebben opgenomen. Ook betwisten zij dat hij recht zou hebben op uitbetaling van die uren, nu het gehele PGB-budget dat voor zijn werkzaamheden bestemd was al aan hem ten goede is gekomen en het niet de bedoeling kan zijn geweest dat vakantie-uren daar bovenop nog uit andere middelen van moeder zouden worden betaald. Ook is in hun visie onduidelijk in hoeverre de doorhaling van de clausule over de uitsluiting van vakantie-uren in het loon mede door moeder gewenst was.

4.9

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de overgelegde zorgovereenkomsten niet eenduidig naar voren komt of het loon dat tussen moeder en [appellant] was overeengekomen al dan niet inclusief vakantie-uren was. Daarnaast ligt het zeker niet voor de hand - mede gezien het bijzondere karakter van deze zorgovereenkomsten, afgesloten tussen moeder en (feitelijk) inwonende zoon - dat het de bedoeling is geweest dat de moeder vakantie-uren zou uitbetalen uit eigen middelen, naast het voor de werkzaamheden van [appellant] beschikbare PGB-budget, zoals de rechtbank eveneens in aanmerking heeft genomen. In dit verband is niet geheel zonder betekenis de verklaring die [appellant] ter comparitie bij de rechtbank heeft afgelegd, namelijk dat hij de doorhaling op het eerste contract bij punt 8 zelf heeft gedaan: "dat leek hem wel handig" (waarna de moeder heeft getekend). Hier komt bij dat niet duidelijk is wat de status is van de brief van de SVB van

25 april 2012 waarin de waarde van de vakantie-uren is berekend; [appellant] heeft de suggestie van [geïntimeerden] c.s. niet weersproken dat dit een opgave is op basis van een verzoek van [appellant] om een dergelijke berekening af te geven, zonder dat daarmee gezegd is dat de betreffende vakantie-uren daadwerkelijk niet genoten zijn en/of uitbetaald behoren te worden. Wel blijkt uit die brief dat [appellant] eerst na het overlijden van de moeder dit onderwerp aan de orde heeft gesteld, terwijl het voor de hand had gelegen - mede gezien de toentertijd nog onomstreden snelle verjaring van dergelijke aanspraken - dat hij daar tijdig werk van had gemaakt of in elk geval zijn rechten dienaangaande onbetwistbaar had vastgelegd.

Nu [appellant] geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd dan hij bij de rechtbank heeft gedaan komt het hof aan een bewijsopdracht niet toe.

4.10

Het hof zal daarom met de vordering van € 7.960,- geen rekening houden bij de bepaling van de legitimaire massa.

de kosten van de notaris

4.11

Ter comparitie van partijen is afgesproken dat het hof kan uitgaan van een kostenpost van € 1.815,73 op dit punt. Met dat bedrag zal het hof dan ook rekening houden bij de bepaling van de legitimaire massa.

de begrafeniskosten en de grafrechten

4.12

Ten aanzien van de begrafeniskosten hebben [geïntimeerden] c.s. aangevoerd dat er sprake was van een begrafenisverzekering en dat zij zich daarom niet kunnen vinden in de berekening van de rechtbank, die sluit op een bedrag van € 5.315,02. Daarnaast achten zij de kosten van verlenging van de grafrechten tot 20 jaar niet redelijk en niet in overeenstemming met de Successiewet.

[appellant] heeft verwezen naar de overwegingen van de rechtbank (4.7 in het vonnis van 11 februari 2015) en heeft bewijsstukken van diverse posten overgelegd.

4.13

Ter comparitie zijn partijen akkoord gegaan met een bedrag van € 2.405,- ter zake van de verlenging van de grafrechten, zodat de stellingen omtrent de noodzaak daarvan geen bespreking meer behoeven. Naast dit bedrag dient rekening gehouden te worden met de bedragen waarmee ook de rechtbank rekening heeft gehouden:

- nota Geerts € 2.983,30

- af: uitkering DLE Assen (zie productie 15 bij conclusie van antwoord) € 2.200,00 -

- saldo € 783,30

- nota Engberts € 1.105,00

- bloemen, porto etc. € 56,72

- subtotaal € 1.945,02

te vermeerderen met het bedrag m.b.t. de grafrechten: € 2.405,00

zodat het hof op dit punt rekening zal houden met een schuld

ten laste van de legitimaire massa van € 4.350,02.

de kosten van vervanging van een raamkozijn

4.14

[geïntimeerden] c.s. stellen dat de kosten van vervanging van een raamkozijn à € 362,70 ten onrechte zijn meegenomen in de berekening van de rechtbank omdat deze post niet door [appellant] is onderbouwd.

[appellant] wijst erop dat [geïntimeerden] c.s. ter comparitie van partijen bij de rechtbank op 2 juli 2014 hebben verklaard dat deze post wat hen betreft geen geschilpunt meer was en verwijst naar de passage daarover in het proces-verbaal van die zitting.

4.15

Van de kant van het hof is ter comparitie van partijen op 7 juni 2017 meegedeeld dat [geïntimeerden] c.s. in hoger beroep niet op hun standpunt bij de rechtbank konden terugkomen. Het hof heeft hiermee tot uitdrukking willen brengen dat het in hoger beroep enkel opnieuw opvoeren van deze post, zonder nadere toelichting waarom het eerdere standpunt ter comparitie van de rechtbank weer werd verlaten, in strijd is met de stelplicht die in een dergelijke situatie op [geïntimeerden] c.s. rust, alsmede met een goede procesorde. Het hof zal met deze post dus wel rekening houden bij de bepaling van de legitimaire massa.

de pinopnames van de bankrekening van moeder

4.16

[geïntimeerden] c.s. stellen, dat in de periode januari 2008 tot en met december 2011 maandelijks forse bedragen zijn gepind van de bankrekening van de moeder, in totaal € 35.450,-. Zij achten het onmogelijk dat dit bedrag enkel voor huishoudgeld bestemd was, gelet op de spaarzame levensstandaard van de moeder en het eigen inkomen van [appellant] . [geïntimeerden] c.s. stellen zich op het standpunt dat deze bedragen feitelijk gezien moeten worden als vooruitbetalingen aan [appellant] ter zake de erfenis en menen derhalve een vordering te hebben op [appellant] .

[appellant] heeft gesteld dat het gemiddelde bedrag van € 738,- per maand door de moeder werd gebruikt voor haar kosten van levensonderhoud. Ter comparitie van 7 juni 2017 heeft hij aanvullend gesteld dat de moeder kosten betaalde van haar scootmobiel, verf, behang en vloerbedekking, en dat hij de uitgaven van de moeder niet kan concretiseren omdat hij daar geen zicht op had. Het geld nam hij voor de moeder op. Zij heeft ook wel een bedrag aan haar kleinkinderen gegeven, is op vakantie geweest naar Australië (wat contant betaald is) en deed haar eigen huishouding. De verzorging van de moeder hield in dat [appellant] haar naar bed bracht, hielp met de steunkousen en dat zij samen kookten. De moeder was vanaf 2011 halfzijdig verlamd. Aan boodschappen was zij sowieso € 250,- per maand kwijt.

4.17

Het hof leidt uit de gang van zaken bij de pinopnames af dat [appellant] bij het doen van die opnames als (stilzwijgend) gevolmachtigde van moeder optrad. In zoverre was hij dan ook gehouden rekening en verantwoording jegens haar af te leggen. Of [appellant] ook jegens [geïntimeerden] c.s. gehouden is deze rekening en verantwoording af te leggen kan in het midden blijven, nu hij, ook wanneer hij daartoe niet gehouden zou zijn, wel aan de mede-erfgenamen uitleg dient te kunnen geven over door hem verrichte financiële handelingen die niet binnen het normale uitgavenpatroon van de moeder vielen. Van dergelijke handelingen is naar het oordeel van het hof sprake. Het hof neemt hiertoe de volgende omstandigheden in aanmerking:

- [geïntimeerden] c.s. hebben ter comparitie van het hof een beeld van de moeder geschetst - gebaseerd op de periode waarin zij nog contact met haar hadden - waaruit een vrouw naar voren kwam die weinig uitgaf, nooit impulsaankopen deed en nooit een cent over de balk gooide. Dat beeld heeft [appellant] niet (expliciet) weersproken en er is geen reden om te veronderstellen dat de moeder in de laatste jaren van haar leven een ander uitgavenbeleid is gaan voeren.

- Zoals het hof ter comparitie van 7 juni 2017 heeft opgemerkt blijkt uit de bankafschriften over de betreffende periode dat de vaste lasten zijn voldaan middels banktransacties, zodat de contante opnamen bestemd moeten zijn geweest voor andere uitgaven. [appellant] heeft aangegeven dat de moeder een bedrag van € 250,- per maand nodig had voor boodschappen, maar onduidelijk is gebleven waaraan dan de rest van de opnames is besteed. [appellant] heeft genoemd de kosten van een vakantie naar Australië, maar die blijkt ver voor de betreffende periode te zijn geweest. Ook heeft hij verf, behang en vloerbedekking genoemd, maar dit zijn geen regelmatig terugkerende kosten terwijl de matige staat van onderhoud van het huis - die tussen partijen vast staat - niet de veronderstelling rechtvaardigt dat hiermee grote bedragen gemoeid kunnen zijn geweest. Ook de kosten van een scootmobiel verklaren het verschil tussen € 738,- en € 250,- per maand slechts zeer ten dele.

- [appellant] heeft erkend dat hij de pinopnames voor de moeder deed. Hij had dus wel enig zicht op de geldstromen. De intensieve band die tussen [appellant] en de moeder bestond brengt naar het oordeel van het hof mee dat [appellant] niet kan volstaan met de blote stelling dat hij geen zicht had op de uitgaven van de moeder. De wijze van handelen met betrekking tot de eerste zorgovereenkomst (zie hierboven, r.o. 4.9, 3e volzin) duidt ook op een zelfstandiger en actiever optreden van [appellant] ten aanzien van financieel relevante zaken dan hij suggereert.

- Hoewel de moeder vanaf 2011 aanzienlijk minder mobiel moet zijn geweest doordat zij halfzijdig verlamd was zijn de contante opnamen in dat jaar niet substantieel gedaald ten opzichte van de daaraan voorafgaande jaren. Ook dit duidt erop dat de opnames niet in rechtstreeks verband staan met activiteiten van de moeder, en die omstandigheid brengt mee dat [appellant] - als degene die de opnames deed en de moeder verzorgde - meer uitleg had moeten geven over de bestemming daarvan dan hij gedaan heeft.

Nu [appellant] , gelet op deze omstandigheden, onvoldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan komt het hof aan een bewijsopdracht niet toe.

4.18

Het bovenstaande betekent echter niet dat het gehele bedrag van € 35.450,- moet worden beschouwd als een vordering van de boedel op [appellant] . Zoals het hof ter comparitie van 7 juni 2017 heeft opgemerkt blijkt immers uit de bankafschriften dat de opnames ten dele moeten zijn gebruikt voor het doen van boodschappen door of ten behoeve van moeder (zie ook het tweede gedachtestreepje in r.o. 4.17 hierboven). Het komt het hof redelijk voor om aan dat doel een bedrag van € 438,- per maand toe te rekenen, zodat een bedrag van € 300,- per maand moet worden beschouwd als door [appellant] zonder rechtsgrond ten eigen nutte opgenomen. Voor de goede orde stelt het hof vast dat [appellant] niet gesteld heeft dat de moeder hem enig bedrag geschonken heeft (wat er overigens toe zou leiden dat ook die bedragen tot de legitimaire massa zouden moeten worden gerekend, en verrekend zouden moeten worden).

4.19

Gelet op het bovenstaande zal het hof bij de bepaling van de legitimaire massa rekening houden met een bedrag van (48 x € 300,- =) € 14.400,- als vordering van de boedel op [appellant] .

samenvatting

4.20

Uitgaande van de opsomming van de rechtbank in r.o. 2.9 van het vonnis van 17 juni 2015, die het hof overneemt voor zover uit het bovenstaande geen aanpassingen voortvloeien, wordt de legitimaire massa berekend als volgt:

- woning [a-straat 1] [A] € 127.500,--

- saldo bankrekening € 1.907,01

- inboedel € 500,--

- vordering op [appellant] € 14.400,--

subtotaal activa € 144.307,01

- kosten begrafenis en grafrechten € 4.350,02

- kosten notaris € 1.815,73

- kosten technokeuring en taxatie € 206,90

- kosten vervangen raamkozijn € 362,70

subtotaal passiva € 6.735,35

saldo legitimaire massa € 137.571,66.

4.21

Met deze omvang van de legitimaire massa correspondeert een legitieme portie per kind van 1/12 daarvan ofwel € 11.464,31.

4.22

Nadere invullingen van verrekeningen zijn door partijen niet gevorderd, zodat het hof met deze vaststellingen zal volstaan.

proceskosten

4.23

Nu partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, en bovendien in familieverhouding tot elkaar staan, ziet het hof aanleiding om de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te compenseren. Ook de kosten van de deskundige zullen voor de helft aan elk van de procespartijen in rekening worden gebracht. De afwikkeling daarvan is in de begrotingsbeschikking van 22 augustus 2018 vervat.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 17 juni 2015;

en opnieuw rechtdoende in principaal en in incidenteel appel:

stelt de omvang van de legitimaire massa van de nalatenschap van de moeder vast op € 137.571,66 en de aan [geïntimeerden] c.s. toekomende legitieme portie voor ieder van hen op € 11.464,31;

compenseert de kosten van de procedure in beide instanties aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. C. Koopman en mr. J.G. Knot en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.