Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7988

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
200.252.323
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2018:4112
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling vaderschap, geen plaats voor een afweging van de belangen van het kind tegenover die van de verwekker

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5351
FJR 2020/58.29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.252.323 en 200.253.363

(zaaknummer rechtbank Overijssel 212510)

beschikking van 1 oktober 2019

in de zaak met nummer 200.252.323

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.M. Elfrink te Hengelo (O),

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.M. Bosch te Denekamp, gemeente Dinkelland.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

mr. W.H. Kesler,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van de na te noemen [kind] ,

kantoorhoudende te Enschede,

verder te noemen: de bijzondere curator.

in de zaak met nummer 200.253.363

inzake


mr. W.H. Kesler,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van de na te noemen [kind] ,

kantoorhoudende te Enschede,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de bijzondere curator,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.M. Bosch te Denekamp, gemeente Dinkelland.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.M. Elfrink te Hengelo (O).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

in de zaak met nummer 200.252.323

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de moeder, ingekomen op 8 januari 2019;

- het verweerschrift van de man;

- de reactie op het beroepschrift van de bijzondere curator.

in de zaak met nummer 200.253.363

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de bijzondere curator, ingekomen op 15 januari 2019;

- het verweerschrift van de man met een productie;
- een journaalbericht van mr. Elfrink van 5 maart 2019 met bijlage.

in beide zaken

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 18 juni 2019 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Verder is de bijzondere curator verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2012 te [plaats] [kind] (verder te noemen: [kind] ) geboren.

De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [kind] . [kind] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2

In het rapport van 11 mei 2017 van Sanquin wordt vermeld dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van [kind] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man als vader van [kind] en heeft de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man afgewezen.

in de zaak met nummer 200.252.323

4.2

De moeder is met tien grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het gerechtelijk ouderschap van de man vast te stellen.

4.3

De man voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel haar grieven af te wijzen en de bestreden beschikking, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, te bekrachtigen, kosten rechtens.

4.4

De bijzondere curator verzoekt in de reactie op het beroepschrift van de moeder het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw (het hof leest) beschikkende het gerechtelijk ouderschap van de man vast te stellen.

in de zaak met nummer 200.253.363

4.5

De bijzondere curator is met elf (met Romeinse cijfers aangeduide) grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven (grief II tot en met X neemt de bijzondere curator integraal over uit het beroepschrift van de moeder in de zaak onder nummer 200.252.323, grief XI is een “eigen” grief van de bijzondere curator) beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De bijzondere curator verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het gerechtelijk ouderschap van de man van [kind] vast te stellen, kosten rechtens.

4.6

De man voert verweer en verzoekt het hof de bijzondere curator niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel de grieven van de bijzondere curator af te wijzen en de bestreden beschikking, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden, te bekrachtigen, kosten rechtens.

4.7

In de bijlage bij het journaalbericht van mr. Elfrink van 5 maart 2019 heeft de moeder laten weten zich volledig in het beroepschrift van de bijzondere curator te kunnen vinden.

5 De motivering van de beslissing


in beide zaken

5.1

Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:207 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van:

a. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;

b. het kind.

5.2

Artikel 1:207 lid 3 BW bepaalt dat het verzoek door de moeder binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden, moet worden ingediend.

5.3

Tegen het oordeel van de rechtbank onder 7.3 van de bestreden beschikking dat partijen het erover eens zijn dat de man de biologische vader van [kind] is, heeft geen van de partijen een grief gericht, zodat ook het hof hiervan uitgaat. Ook is geen grief gericht tegen de vaststelling onder 7.4 van de bestreden beschikking dat de moeder haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling in eerste aanleg heeft ingediend buiten de in artikel 1:207 lid 3 vermelde termijn.

in de zaak met nummer 200.252.323

5.4

De moeder voert in haar eerste grief allereerst aan dat het hanteren van de vervaltermijn van vijf jaren door de rechtbank in haar situatie een ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM vormt. Het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid prevaleert boven het belang van strikte handhaving van de wet. Daarnaast is volgens de moeder sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing van de vervaltermijn van vijf jaren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit omdat de moeder aanvankelijk - voordat de termijn van vijf jaren was verstreken - met de man had afgesproken dat zij samen bij de gemeente een akte erkenning zouden laten opmaken door de ambtenaar van de burgerlijke stand en de termijn van vijf jaren haar op dat moment niet bekend was.

5.5

De man voert hiertegen verweer. Hij betwist dat sprake is van ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven van [kind] en van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van de vervaltermijn van vijf jaren. Hij ontkent dat hij een toezegging voor de erkenning heeft gedaan en met name dat partijen samen een concrete datum hebben gepland om de erkenning te laten plaatsvinden. Ook in het geval zijn ouderschap niet wordt vastgesteld, hoeft [kind] de identiteit van zijn biologische vader niet te worden onthouden. De moeder heeft ook meegedeeld dat zij [kind] een foto van hem op internet heeft laten zien. Hij stelt dat de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie ter onderbouwing van haar standpunt betrekking heeft op situaties die niet vergelijkbaar zijn, dan wel dat hierin geen oordeel is gegeven over de termijnoverschrijding. Hij heeft behoefte aan rechtszekerheid, anders is juist sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in zijn familie- en gezinsleven. De moeder heeft er voor gekozen om alvorens verder te gaan met de erkenning eerst over de kinderalimentatie te procederen.

5.6

Het hof is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man vanwege de overschrijding van de in artikel 1:207 lid 3 BW genoemde termijn van vijf jaar. Anders dan de moeder heeft betoogd en zoals de rechtbank heeft overwogen, dient volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de termijn van vijf jaren in principe gehandhaafd te worden. Blijkens de wetgeschiedenis dient deze termijn om de rechtszekerheid zo min mogelijk in het gedrang te laten komen. De moeder heeft enkel gesteld dat sprake is van schending van artikel 8 EVRM, maar zij heeft deze stelling niet voldoende onderbouwd en met name niet op welke grond sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde inmenging in haar familie-en gezinsleven. Ook het beroep van de moeder op “bijzondere omstandigheden” op grond waarvan de wettelijke vervaltermijn niet zou moeten worden toegepast, slaagt niet. Zodanige bijzondere omstandigheden zijn niet, althans onvoldoende komen vast te staan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder erkend dat er geen concrete datum tussen partijen is gepland voor de erkenning van [kind] . Zij mocht er dus niet op vertrouwen dat de man tot erkenning van [kind] zou overgaan. Een eventuele onbekendheid van de moeder met de vervaltermijn van vijf jaar komt voor haar risico. De eerste grief van de moeder faalt daarom.

5.7

Nu de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man, komt het hof niet toe aan een bespreking van de overige grieven van de moeder.

in de zaak met nummer 200.253.363

5.8

Op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt in zaken van afstamming het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist. Het verzoek van de bijzondere curator om het gerechtelijk ouderschap van de man vast te stellen betreft een zaak van afstamming. Tussen partijen is niet in geschil dat de bijzondere curator bevoegd is dit verzoek te doen. De jonge leeftijd van [kind] staat hieraan naar het oordeel van het hof ook niet in de weg aangezien artikel 1:207 lid 1 BW geen leeftijdsgrens stelt. Anders dan voor de moeder, geldt voor het kind daarnaast geen wettelijke vervaltermijn. De vraag is of het verzoek van de bijzondere curator moet worden toegewezen.

5.9

Grief XI van de bijzondere curator is het meest verstrekkend, zodat het hof deze grief eerst zal bespreken. Met deze grief komt de bijzondere curator op tegen de beslissing van de rechtbank om de belangen van de man mee te wegen. Volgens de bijzondere curator is in dit geval geen ruimte voor een afweging van de belangen van de verwekker tegenover die van het kind.

5.10

De man stelt zich op het standpunt dat wel een afweging van de belangen van hem en die van [kind] moet plaatsvinden. De uitkomst daarvan is dat het verzoek van de bijzondere curator moet worden afgewezen.

5.11

De vertegenwoordiger van de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep geadviseerd het verzoek van de bijzondere curator toe te wijzen. Het is wenselijk dat de juridische en biologische werkelijkheid met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Het is niet goed om te wachten totdat [kind] zelf in staat is een mening te vormen over het ouderschap van de man. [kind] toont interesse in zijn vader, de moeder heeft [kind] al een foto van de man laten zien en enige informatie over zijn situatie verstrekt. De moeder en de man zouden informatie kunnen inwinnen bij een ontwikkelingspsycholoog. Er moet meer duidelijkheid komen over de wijze waarop de statusvoorlichting het beste kan worden vorm gegeven. Het is belangrijk voor [kind] dat zijn ouders met een verhaal komen, het liefst gezamenlijk, voordat hij informatie via derden krijgt. Dit moet geschieden voor zijn puberteit, omdat hij dan een eigen identiteit gaat ontwikkelen en zich mogelijk zal afzetten tegen zijn ouders.

5.12

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 25 maart 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT0412), voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist. Volgens artikel 1:207 lid 1 BW is voor de vaststelling van het vaderschap van een man niet meer vereist dan dat deze de verwekker is van het kind. Daarbij is met name geen plaats voor een afweging van de belangen van het kind tegenover die van de verwekker. Dit is ook de uitdrukkelijke bedoelding van de wetgever geweest, zoals blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10 weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 24 december 1997, Stb. 773, waarbij deze bepaling is vastgesteld. De klacht dat sprake is van door artikel 14 EVRM verboden discriminatie doordat toepassing van artikel 1:207 BW zonder eerbiediging van de familie- en gezinslevens, althans zonder afweging van hun belangen, een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling oplevert ten opzichte van artikel 1:204 lid 1, onder e, en lid 3 BW faalt reeds omdat het hier niet om gelijke gevallen gaat. Bij erkenning gaat het om een rechtshandeling die ertoe strekt dat een man het vaderschap aanvaardt, waarbij, behoudens in verband met een eventuele vernietiging van de erkenning, niet ter zake doet of hij de biologische vader van het kind is. Voor gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is nodig maar ook voldoende dat de man de verwekker van het kind is. Artikel 1:204 lid 3 BW ziet op gevallen waarin het gaat om het ontbreken van toestemming van de moeder of het kind, terwijl de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap blijkens artikel 1:207 lid 1 BW juist berust op de wens van de moeder of het kind.

5.13

Gelet op de inhoud van het onder 5.12 genoemde arrest van de Hoge Raad en de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 1:207 lid 1 BW is het hof van oordeel dat voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [kind] nodig en voldoende is dat de man de verwekker is van [kind] . Zoals het hof onder 5.3 heeft overwogen staat dit vast. Voor een afweging van de belangen van de man als verwekker tegenover die van [kind] is geen plaats. Grief XI van de bijzondere curator slaagt. De overige grieven van de bijzondere curator behoeven niet meer te worden behandeld. Het verzoek van de bijzondere curator zal worden toegewezen.

6 De slotsom

in de zaak met nummer 200.252.323

6.1

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [kind] , bekrachtigen.

in de zaak met nummer 200.253.363
6.2 Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [kind] heeft afgewezen, vernietigen en het verzoek van de bijzondere curator toewijzen.

in beide zaken

6.3

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu de procedures een uit de affectieve verhouding tussen de moeder en de man geboren kind betreffen.

7 De beslissing


Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met nummer 200.252.323

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van
17 oktober 2018, voor zover de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [kind] ;

in de zaak met nummer 200.253.363
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van
17 oktober 2018, voor zover de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [kind] heeft afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast dat [de man] , geboren op [geboortedatum] , de vader is [kind] , geboren op [geboortedatum] 2012;

in beide zaken

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, R.A. Boon en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 1 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.