Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7967

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
200.240.956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nakoming provisieovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.240.956

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 298735)

arrest van 1 oktober 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ozone Resources BV,

gevestigd te Zaltbommel,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Resources,

advocaat: mr. W.P. Keulers,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ozone Consulting BV,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Consulting,

advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf] BV,

gevestigd te [vestiginsplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [bedrijf] ,

advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer,

3 [geïntimeerde 3] ,

wonende te [vestiginsplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde 3] ,

advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 15 juni 2016, 9 november 2016, 13 september 2017 en 7 maart 2018 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 6 juni 2018,

- de memorie van grieven (met productie 26),

- de memorie van antwoord (met productie 1),

- een akte aan de zijde van appellante (met productie 27),

- een antwoordakte (met productie 2).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Resources vordert, na wijziging van eis, in hoger beroep onder aanvoering van zeven grieven vernietiging van het vonnis van 7 maart 2018 en opnieuw rechtdoende:

I te verklaren voor recht dat Consulting toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van haar verplichtingen jegens Resources, doordat zij op eigen initiatief en zonder directe betrokkenheid van Resources opvolgende verkoopinspanningen heeft gericht aan Goldfish;

II te verklaren voor recht dat Consulting gehouden is de uit artikel 7 volgende provisie volgens het hoogst gestaffelde provisie percentage van 15% voor Resources, zoals uiteengezet in artikel 3 lid 4 van de provisieovereenkomst, te betalen aan Resources;

III te verklaren voor recht dat [bedrijf] al dan niet tezamen met [geïntimeerde 3] , hoofdelijk voor het geheel, tezamen met Consulting aansprakelijk is voor de nakoming door Consulting van artikel 7 van de provisieovereenkomst, te weten betaling van € 31.642,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ad

€ 1.323,16 tot 31 januari 2016 en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 32.965,51 vanaf 1 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met incassokosten ad 15% of een in goede justitie te bepalen bedrag aan incassokosten en te verminderen met het op basis van het vonnis in eerste aanleg betaalde bedrag ad € 4.362,53;

III.a. te verklaren voor recht dat Consulting en/of [bedrijf] en/of [geïntimeerde 3] tegenover Resources onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor door Resources geleden schade en hen te veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat;

IV Consulting te veroordelen tot nakoming van de tussen Resources en Consulting gesloten provisieovereenkomst, meer in het bijzonder tot nakoming van de uit artikel 7 “Relatiebeding” voortvloeiende betalingsverplichting, in het bijzonder de betaling van provisie van het hoogst gestaffelde provisie percentage van 15%, zoals is uiteengezet in artikel 3 onder lid 4 van de provisieovereenkomst;

Va Consulting te veroordelen tot betaling van € 31.642,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente tot 31 januari 2016 ad € 1.323,16, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 32.965,51 vanaf 1 februari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening en vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten, begroot op € 4.896,00 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag aan incassokosten en te verminderen met het op basis van het vonnis in eerste aanleg betaalde bedrag ad € 4.362,53;

Vb [bedrijf] en [geïntimeerde 3] , indien en voor zover het sub III en/of III.a. gevorderde toewijsbaar is en Consulting haar verplichtingen jegens Resources niet, althans niet volledig nakomt, hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen tot betaling van € 31.642,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente tot 31 januari 2016 ad € 1.323,16, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 32.965,51 vanaf 1 februari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening en vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, begroot op 4.896,00 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag aan incassokosten en te verminderen met het op basis van het vonnis in eerste aanleg betaalde bedrag ad € 4.362,53.

Subsidiair

VI te verklaren voor recht dat de provisieovereenkomst wegens wanprestatie door Consulting is ontbonden, althans beëindigd en geïntimeerden krachtens het bepaalde in artikel 2:8 BW jo 6:162BW jo 6:166 BW te veroordelen tot betalen van de schade, nader op te maken bij staat met verwijzing naar de schadestaatprocedure;

VII de geïntimeerden hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten van rechtskundige bijstand aan de zijde van Resources, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest en voor het geval voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest plaats vindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van dit arrest tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede geïntimeerden, hoofdelijk, te veroordelen in de na kosten met een bedrag van € 157,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, met een bedrag van € 239,00 en de eventuele verdere executiekosten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het (bestreden) vonnis van 9 november 2016, met uitzondering van rechtsoverweging 2.10. De bezwaren die Resources hiertegen in grief I heeft gemaakt zullen onder 5. worden behandeld.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Resources heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, – samengevat – gevorderd conform haar vorderingen in hoger beroep met dien verstande dat;

  • -

    het onder III, Va en Vb gevorderde niet moet worden verminderd met het op basis van het vonnis in eerste aanleg betaalde bedrag ad € 4.362,53;

  • -

    het onder IIIa gevorderde in eerste aanleg niet is geëist;

  • -

    onder VI is gevorderd voor recht te verklaren dat de provisieovereenkomst wegens wanprestatie door Consulting is ontbonden, nader op te maken bij staat met verwijzing naar de schadestaatprocedure;

  • -

    Onder V is gevorderd geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg, de kosten van beslaglegging hieronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover alsmede in de nakosten en de eventuele verdere executiekosten.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 7 maart 2018 Consulting veroordeeld tot betaling van € 1.524,60 (te vermeerderen met de wettelijke rente van 14 juli 2015 tot en met 31 januari 2016 en de wettelijke handelsrente van 1 februari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening), € 1.147,93 en € 1.690,00 (beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente van 31 juli 2015 tot en met 31 januari 2016 en de wettelijke handelsrente van 1 februari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening). Zij heeft daarbij Resources veroordeeld in de proceskosten en de nakosten van Consulting, [bedrijf] en [geïntimeerde 3] .

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

Resources en Consulting hebben op 31 mei 2013 een provisieovereenkomst gesloten waarin zij hebben afgesproken dat Resources voor elke door haar aangebrachte klant bij Consulting van Consulting een vergoeding (provisie) krijgt ter hoogte van een bepaald percentage van de door Consulting gecontracteerde omzetwaarde. In dit kader heeft Resources Goldfish ERP Resources B.V. (hierna: Goldfish) als klant bij Consulting aangebracht. Vervolgens heeft Consulting drie medewerkers gedetacheerd bij Goldfish, die Goldfish op haar beurt weer heeft ingezet op een project bij [klant/bedrijf] . In verband met dit project hebben Consulting en Goldfish een overeenkomst gesloten en is tussen Resources en Consulting een bij de provisieovereenkomst behorende deelovereenkomst opgemaakt. Resources heeft over de omzetwaarde van deze opdracht provisie ontvangen van Consulting. Op 28 juli 2015 heeft Goldfish een brief gestuurd aan Consulting waarin zij heeft bevestigd dat de overeenkomst tussen hen is beëindigd per 31 mei 2015. Consulting heeft deze brief (mede) ondertekend, waaruit blijkt dat zij daarmee heeft ingestemd. Vanaf 31 mei 2015 is Consulting gestopt met betalen van provisie aan Resources. Goldfish heeft met ingang van 1 juni 2015 een overeenkomst gesloten met Ozone Middle East, een dochtervennootschap van Consulting. Het hof ziet aanleiding eerst de grieven I t/m III te beoordelen die in de kern genomen gebaseerd zijn op de stelling van Resources dat Consulting in strijd heeft gehandeld met artikel 7 lid 1 van de provisieovereenkomst (hierna: de bepaling). In de bepaling is overeengekomen dat het Consulting niet is toegestaan om op eigen initiatief en zonder betrokkenheid van Resources opvolgende verkoopinspanningen te richten op door Resources verworven en/of aangebrachte klanten, op straffe van toepassing van het hoogst gestaffelde provisiepercentage van 15% als deze verkoopinspanningen resulteren in vervolgopdrachten voor Consulting. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of ná 31 mei 2015 sprake is van een vervolgopdracht in de zin van de bepaling en of Consulting daartoe opvolgende verkoopinspanningen heeft verricht.

5.2

Resources heeft gesteld dat de overeenkomst die betrekking had op het project bij [klant/bedrijf] tussen Goldfish en Consulting niet is beëindigd, maar in gewijzigde vorm is voortgezet. Het hof volgt haar niet in deze stelling. Uit de brief van 28 juli 2015 van Goldfish aan Consulting blijkt dat de overeenkomst is beëindigd en dat Consulting daarmee heeft ingestemd. Van een voortzetting of wijziging van de overeenkomst met Consulting is geen sprake; de nieuwe overeenkomst is met Ozone Middle East gesloten. Dat Consulting een financieel belang heeft in Ozone Middle East (en daarmee een ‘groep ondernemingen’ vormt), betekent niet dat deze vennootschappen als één onderneming kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat geen sprake is van een vervolgopdracht aan Consulting en dat dus zal worden beoordeeld of de vervolgopdracht aan Ozone Middle East onder de reikwijdte van de bepaling valt.

5.3

Consulting heeft gesteld dat in de bepaling is vermeld dat het om vervolgopdrachten aan Consulting gaat en dat het enkele feit dat Consulting een aandeel heeft in Ozone Middle East, niet maakt dat de bepaling zich ook uitstrekt tot opdrachten aan deze vennootschap. Consulting had geen overheersende zeggenschap in Ozone Middle East, aldus Consulting. Resources heeft daar tegenover gesteld dat de bepaling zo moet worden uitgelegd dat aan ‘opvolgende verkoopinspanningen die resulteren in vervolgopdrachten voor Consulting’ moet worden toegevoegd ‘dan wel vervolgopdrachten aan andere entiteiten waarbij Consulting op enige wijze een financieel belang heeft’. Ozone Middle East is zo’n entiteit, aldus Resources. Het hof overweegt hierover als volgt. De vraag hoe de bepaling moet worden uitgelegd kan in beginsel niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg daarvan. Het komt aan op de zin die partijen daar in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex). Partijen zijn het eens over de strekking van de bepaling; namelijk dat het Consulting niet vrij staat om buiten Resources om met door haar aangebrachte relaties zaken te gaan doen. Gelet hierop heeft Resources mogen begrijpen dat dit ook geldt in de situatie dat Consulting voor een vervolgopdracht een aan haar gelieerde partij naar voren schuift waarbij zij financieel belang heeft. Op die manier zou zij de provisieverplichting immers kunnen omzeilen. Dit betekent dat het hof Resources volgt in haar uitleg. Consulting heeft een (aanzienlijk) financieel belang in Ozone Middle East, zodat een vervolgopdracht aan haar onder de reikwijdte van de bepaling valt. Of Consulting overheersende zeggenschap had in Ozone Middle East is daarbij niet van doorslaggevend belang. De stelling van Consulting dat zij financieel nadeel ondervond van het beëindigen van de overeenkomst met Goldfish omdat daarmee haar grootste inkomstenbron wegviel, neemt niet weg dat zij via Ozone Middle East van de overeenkomst tussen Goldfish en Ozone Middle East voordeel heeft.

5.4

Vervolgens is de vraag of Consulting opvolgende verkoopinspanningen heeft verricht die hebben geleid tot de vervolgopdracht aan Ozone Middle East. De stelplicht en bewijslast daarvan rusten in beginsel op Resources. Het hof volgt Resources niet in haar stelling dat het enkele feit dat de opdracht nagenoeg ongewijzigd is voortgezet door Ozone Middle East, daargelaten of dit juist is, al voldoende is om te concluderen dat Consulting heeft gehandeld in strijd met de bepaling. De tekst van de bepaling geeft immers weer dat sprake moet zijn van verkoopinspanningen, wat een actieve bijdrage veronderstelt. Voor zover Resources bedoelt te betogen dat op dit punt de bepaling anders moet worden uitgelegd, heeft zij daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.

5.5

Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, is het volgende gebleken.

- Consulting heeft een belang van 49% in Ozone Middle East. Op de gezamenlijke website presenteren zij zich als één onderneming. [bestuurder van Ozone Middle East] (hierna: [bestuurder van Ozone Middle East] ) is bestuurder van Ozone Middle East en is voor een onbekend aandeel aandeelhouder van Consulting. Getuige [mede-eigenaar Goldfish] (mede-eigenaar van Goldfish) heeft verklaard dat hij “Ozone altijd als één organisatie heeft gezien”.

- Op 21 april 2015 heeft [mede-eigenaar Goldfish] namens Goldfish aan [geïntimeerde 3] én [bestuurder van Ozone Middle East] verzocht een voorstel te doen om alle contracten naar één contactpersoon binnen “the Ozone Group” te geleiden. Hierop heeft [bestuurder van Ozone Middle East] dezelfde avond gereageerd met de mededeling dat zij de dag erna contact met hem zal opnemen. Van deze reactie heeft zij [geïntimeerde 3] een kopie gestuurd. Vervolgens is tussen Goldfish en [bestuurder van Ozone Middle East] onderhandeld over de voorwaarden, welke onderhandelingen tot een nieuwe overeenkomst hebben geleid met Ozone Middle East.

- Goldfish heeft op 26 april 2015 de overeenkomst met Consulting opgezegd per 31 mei 2015. De overeenkomst die zij met Ozone Middle East heeft gesloten is aansluitend ingegaan, vanaf 1 juni 2015, en zag op dezelfde klant ( [klant/bedrijf] ). In een e-mailbericht van 15 juli 2015 schrijft [geïntimeerde 3] , namens Consulting, aan Resources: ‘Per 1/6/15 the services were taken over by Ozone Middle East with [contactpersoon] as contact person’. Getuige [mede-eigenaar Goldfish] heeft verklaard:

“Wat later maakten we ons zorgen over de continuïteit van de dienstverlening naar [klant/bedrijf] toe. Dat had te maken met een vertrek van [persoon X] naar een ander bedrijf. Met [klant/bedrijf] hebben we toen afgesproken dat de service voortaan geheel remote zou worden uitgevoerd, onder meer met de twee mensen die wij op dit contract hadden zitten in Wit-Rusland. (…) [persoon X] is na het sluiten van de nieuwe overeenkomst nog werkzaam geweest voor ons, namelijk tot oktober nog volledig voor [klant/bedrijf] . (…) Het nieuwe contract werd door nagenoeg dezelfde mensen uitgevoerd als het oude , dat wil zeggen dat er nu wel aansturing was door [bestuurder van Ozone Middle East] (Hof: [bestuurder van Ozone Middle East] ), hetgeen verband hield met de risicoafdekking in het nieuwe contract, waar het oude contract nog een basis had van uurtje-factuurtje. Het project bij [klant/bedrijf] bleef ook onder het nieuwe contract hetzelfde, dat was het TPM-project .”(onderstreping Hof).

- In de overeenkomst met Ozone Middle East zijn, naast een ander format, lagere prijzen afgesproken. Getuige [mede-eigenaar Goldfish] (mede-eigenaar van Goldfish) heeft hierover verklaard dat “ [klant/bedrijf] naar een goedkopere dienstverlening wilde”.

- Consulting heeft ingestemd met een beëindiging van de overeenkomst met Goldfish per 31 mei 2015. Zij heeft Goldfish daarbij niet aan een opzegtermijn willen houden.

- [geïntimeerde 3] heeft op 6 augustus 2015 namens Consulting per e-mail een voorstel gedaan voor een beëindiging van de provisie- en deelovereenkomst die zij met Resources had gesloten. Van dit e-mailbericht heeft [bestuurder van Ozone Middle East] een cc ontvangen en daarin wordt Resources verzocht om haar in een reactie in de cc te zetten, omdat [geïntimeerde 3] vanaf 24 augustus 2015 met vakantie is. Ook is vermeld: “If agreement is OK with you, please sign it and send back to us. We will execute accordingly”. In het voorstel van Consulting is als reden voor de opzegging vermeld dat “Ozone’s business strategy changed” en “due to the changed structure of the sales Ozone Consulting B.V. does not need agents”.

5.6

Op grond van deze feiten en omstandigheden overweegt het hof als volgt. De overeenkomst tussen Goldfish en Ozone Middle East is op 1 juni 2015 ingegaan en dus meteen nadat de overeenkomst tussen Goldfish en Consulting is beëindigd (31 mei 2015). De overeenkomst met Ozone Middle East zag op hetzelfde project bij dezelfde klant ( [klant/bedrijf] ) en de werkzaamheden werden door dezelfde medewerkers uitgevoerd. Deze medewerkers waren tot 31 mei 2015 in dienst van Consulting. Consulting heeft toegestaan dat zij zonder opzegtermijn vanaf 1 juni 2015 te werk zouden worden gesteld bij Ozone Middle East. Ook aan de beëindiging van de overeenkomst met Goldfish heeft Consulting meegewerkt zonder aanspraak te maken op enige opzegtermijn, terwijl een opzegtermijn wel was overeengekomen. Met deze handelingen heeft Consulting de totstandkoming van de overeenkomst (en dus de vervolgopdracht) aan Ozone Middle East gefaciliteerd. Zij heeft zich de belangen van Resources daarbij op geen enkele wijze aangetrokken, terwijl dat als contractspartner bij de provisieovereenkomst wel van haar verwacht mocht worden. Verder constateert het hof dat [geïntimeerde 3] en [bestuurder van Ozone Middle East] over en weer aan elkaar kopieën hebben gestuurd van hun e-mailberichten aan Goldfish en dat uit het e-mailbericht van [geïntimeerde 3] van 6 augustus 2015 aan Resources blijkt dat zij samen verantwoordelijk zijn voor de afhandeling van de beëindiging van de provisieovereenkomst. Hieruit leidt het hof af dat zij gezamenlijk zijn opgetrokken en dat [bestuurder van Ozone Middle East] in het onderhandelingstraject met Goldfish (en Resources) mede namens Consulting optrad.

5.7

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat Consulting een actieve bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de overeenkomst met Ozone Middle East en dat zij daarmee verkoopinspanningen heeft gericht tot Goldfish, die hebben geresulteerd in een vervolgopdracht aan Ozone Middle East. Dit betekent dat Resources op grond van de provisieovereenkomst recht heeft op een provisiepercentage van 15% over de omzetwaarde van deze opdracht en dat Consulting is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis tot betaling daarvan.

Vorderingen op Consulting

5.8

Resources vordert betaling van een bedrag van € 31.642,00, bestaande uit de som van twaalf openstaande facturen. In het hierna volgende zal het hof op deze facturen ingaan.

Facturen mei tot en met juli 2014

Resources heeft gesteld dat Consulting deze facturen nog niet heeft betaald. Consulting heeft dit betwist én gesteld dat Resources voor de betaling van dit bedrag al een executoriale titel heeft, omdat deze facturen onderdeel zijn van een vaststellingsovereenkomst tussen haar en Consulting in een schikkingsproces-verbaal van 19 maart 2015. Dit standpunt wordt door Resources onderschreven, omdat zij stelt dat deze vaststellingsovereenkomst ziet op facturen van jan-dec 2013 tot en met juli 2014. Gelet hierop zal het hof dit onderdeel van de vordering afwijzen.

Factuur 2015.07.01 jan-dec 2014

Consulting heeft niet betwist dat zij deze factuur nog moet betalen, zodat dit onderdeel van de vordering kan worden toegewezen.

Facturen mei tot en met december 2015

Resources heeft als productie 20 een overzicht van de openstaande facturen overgelegd, waarin over de maanden mei tot en met december 2015 een bedrag is opgenomen dat is gebaseerd op een provisiepercentage van 15% over de omzetwaarde van het project bij [klant/bedrijf] . Tussen partijen is niet in geschil dat in deze periode het project bij [klant/bedrijf] is voortgezet. De hoogte van de bedragen is door Consulting niet betwist, zodat deze vordering kan worden toegewezen. Ook de gevorderde BTW wordt toegewezen, omdat het om geleverde diensten gaat. Het betreft immers een veroordeling tot nakoming van de betalingsverbintenis uit de provisie-overeenkomst.

5.9

Gelet op het voorgaande is Consulting aan Resources een bedrag verschuldigd van

€ 25.021,27 (bestaande uit de volgende facturen: jan-dec 2014 € 3.135,85, mei 2015

€ 1.389,00, juni 2015 € 3.625,64, juli 2015 € 3.790,45, augustus 2015 € 3.460,84, september 2015 € 3.625,64, oktober 2015 € 2.060,39, november 2015 € 1.966,73 en december 2015

€ 1.966,73). Resources heeft niet betwist dat zij nog een bedrag van € 1.611,25 aan proceskosten uit een eerdere procedure aan Consulting moet betalen, zodat het beroep van Consulting op verrekening van dit bedrag kan worden toegewezen. Dit betekent dat het hof Consulting zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 23.410,02. De wettelijke handelsrente wordt op grond van artikel 6:119a BW toegewezen vanaf de eerste dag na de vervaldatum van de betreffende facturen. De onder I, II en IV gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen, omdat Resources daar geen belang bij heeft.

5.10

Resources heeft verder betaling van buitengerechtelijke kosten gevorderd tot een bedrag van € 4.896,-. Het hof overweegt hierover als volgt. Voor buitengerechtelijke kosten geldt dat zij op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. Resources heeft niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Resources vergoeding vraagt moeten dan ook worden aangemerkt als kosten voor verrichtingen die vallen onder de proceskostenvergoeding. De vordering zal daarom worden afgewezen.

5.11

Resources heeft daarnaast gevorderd om voor recht te verklaren dat Consulting jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en dat Consulting aansprakelijk is voor de daardoor door Resources geleden schade en Consulting te veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat. Het enkele feit dat Consulting haar verbintenis uit de provisie-overeenkomst niet is nagekomen, is echter onvoldoende voor het oordeel dat zij onrechtmatig jegens Resources heeft gehandeld. Resources heeft haar stellingen op dit punt niet nader onderbouwd, zodat de vorderingen onder III a zullen worden afgewezen.

Vorderingen op [bedrijf] en [geïntimeerde 3]

5.12

Resources heeft verder gesteld dat [geïntimeerde 3] , als bestuurder van [bedrijf] , en [bedrijf] , die op haar beurt bestuurder is van Consulting, onrechtmatig hebben gehandeld door Resources buitenspel te zetten, om daarmee aan de verplichtingen van Consulting jegens Resources op basis van de provisieovereenkomst te ontkomen. Wat daar ook van zij, uit het voorgaande blijkt dat Consulting tot nakoming van die verplichtingen zal worden veroordeeld. Resources heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat Consulting daarvoor geen verhaal biedt. Nu Resources niet heeft gesteld dat [geïntimeerde 3] of [bedrijf] (middellijk) bestuurder is van Resources, is de interne bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel (2:8 en) 2:9 BW niet aan de orde. Reeds omdat niet vaststaat dat één van de personen Consulting, [geïntimeerde 3] of [bedrijf] jegens Resources onrechtmatig heeft gehandeld, kan de gestelde aansprakelijkheid van [geïntimeerde 3] en [bedrijf] niet uitsluitend op artikel 6:166 BW worden gebaseerd. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [bedrijf] zullen worden afgewezen.

6 De slotsom

6.1

De grieven slagen. Het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens voor zover daarbij de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [bedrijf] zijn afgewezen en Resources in de kosten en de nakosten aan hun zijde is veroordeeld.

6.2

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof Consulting in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Resources zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 77,75

- griffierecht € 1.929,00

- getuigentaxen € 565,00

totaal verschotten € 2.571.75

- salaris advocaat € 2.026,50 (3,5 punten x tarief III)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Resources zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 81,00

- griffierecht € 1.978,00

- totaal verschotten € 2.059,00

- salaris advocaat € 2.086,50 (1,5 punten x tarief III)

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 7 maart 2018 behoudens voor zover daarbij de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] en [bedrijf] zijn afgewezen en Resources is veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten aan hun zijde, bekrachtigt dit vonnis in zoverre en doet voor het overige opnieuw recht;

veroordeelt Consulting tot betaling van € 23.410,02, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de eerste dag na de vervaldatum van de betreffende facturen;

veroordeelt Consulting in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Resources wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 2.571,75 voor verschotten en op € 2.026,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.059,00 voor verschotten en op € 2.086,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Consulting in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Consulting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, A.E.B. ter Heide en R.M. Schoo, is bij afwezigheid van mr. Hillen ondertekend door mr. Schoo, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.