Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7937

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
200.258.125/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De echtgenoot van rechthebbende is door de kantonrechter ten onrechte niet betrokken in de procedure tot het instellen van een bewind en mentorschap. Op basis van de verklaringen van de zoon en kleindochter had de kantonrechter dit niet achterwege mogen laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.258.125/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 7408809 MT VERZ 18-9486 en 7408810 MT VERZ 18-9487)

beschikking van 24 september 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. W.W.P. Mei te Hilversum,

en

[verweerder] (jr.),

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de zoon,

[verweerster] ,

wonende te [C] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de kleindochter,

beiden verder ook samen te noemen: verweerders,

advocaat: mr. W.Y. Hofstra te Hilversum.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de rechthebbende] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Almere) van 17 januari 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 16 april 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mei van 7 mei 2019 met productie(s);

- een brief van mr. Mei van 21 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mei van 27 juni 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mei van 13 augustus 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mei van 16 augustus 2019 met productie(s);

- een brief van mr. Mei van 19 augustus 2019;

- een journaalbericht van mr. Hofstra van 19 augustus 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Hofstra van 19 augustus 2019;

- een journaalbericht van mr. Mei van 20 augustus 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mei van 20 augustus 2019;

- een journaalbericht van mr. Hofstra van 20 augustus 2019;

- een journaalbericht van mr. Hofstra van 21 augustus 2019;

- een journaalbericht van mr. Mei van 21 augustus 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 september 2019 plaatsgevonden. De vader, de zoon en de kleindochter zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Mei heeft het woord mede gevoerd aan de hand van pleitnotities die door hem zijn overgelegd.

2.3

De rechthebbende is, buiten aanwezigheid van partijen, op 4 september 2019 op locatie door een raadsheer-commissaris van het hof gehoord.

2.4

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een e-mail met bijlagen van (de hierna te noemen) mevrouw [D] van 9 september 2019.

3 De feiten

3.1

De vader is de echtgenoot van de rechthebbende. De verweerders zijn de zoon en de kleindochter van de vader en de rechthebbende.

3.2

In augustus 2018 is de rechthebbende na een val in haar woning opgenomen in een ziekenhuis. Na haar ontslag uit het ziekenhuis verbleef zij tijdelijk op een gesloten afdeling van een zorginstelling in [E] .

3.3

Op 11 september 2018 is voor de rechthebbende een zogeheten CIZ Indicatiebesluit afgegeven voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. In de beoordeling staat verder vermeld:
U heeft ernstige geheugenproblemen en er is valgevaar aanwezig. U bent nagenoeg bedlegerig geworden. U neemt geen initiatieven meer. Alle zorg moet overgenomen worden. U gaf aan dat u ondraaglijke pijn lijdt en u bent erg somber over uw situatie.

3.4

Op 17 september 2018 is de rechthebbende opgenomen bij instelling [F] te [A] . Zij verblijft daar op een gesloten afdeling.

3.5

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland op 12 december 2018, hebben verweerders verzocht de rechthebbende een bewind in te stellen over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende, als ook ten behoeve van de rechthebbende een mentorschap in te stellen en daarbij de zoon als bewindvoerder en mentor te benoemen. De kantonrechter heeft de vader in deze procedure niet als belanghebbende betrokken.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de goederen die toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, als ook een mentorschap ingesteld en de zoon tot bewindvoerder en mentor benoemd.

4.2

De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste twee grieven zien op de gang van zaken in de procedure ten overstaan van de kantonrechter en de derde grief ziet op de benoeming van de bewindvoerder en mentor. De vader verzoekt -na wijziging van zijn verzoek in hoger beroep- de bestreden beschikking deels te vernietigen, voor zover dit ziet op de aanwijzing van de bewindvoerder en mentor, en, in geval er sprake zou zijn van belangenverstrengeling, om een door het hof aan te wijzen professioneel bewindvoerder en/of mentor, werkzaam te [A] en omstreken, te benoemen, die de belangen van de rechthebbende gaat behartigen.

4.3

De zoon en de kleindochter voeren verweer en verzoeken de door de vader aangevoerde grieven ongegrond te verklaren, dan wel deze af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Hoor en wederhoor

5.1

De vader heeft in zijn eerste twee grieven aangevoerd dat de beschikking van de kantonrechter in strijd is met de beginselen van een goede procesorde omdat de vader als echtgenoot van de rechthebbende in het geheel niet betrokken is bij de procedure, en zich daarin ook niet heeft kunnen uitlaten over de vraag of hij als echtgenoot tot bewindvoerder en mentor had moeten worden benoemd. Daarnaast stelt de vader dat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd omdat daarin op geen enkele wijze tot uiting komt waarom de vader, als echtgenoot van de rechthebbende en daarmee direct belanghebbende, niet is betrokken bij de behandeling van het verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap.

5.2

Het hof stelt voorop dat de vader op grond van het bepaalde in artikel 798 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering belanghebbende was in de procedure bij de kantonrechter en in die hoedanigheid door de kantonrechter in de procedure betrokken had moeten worden. Dat dit -kennelijk alleen op basis van de verklaringen van de zoon en de kleindochter- niet is gebeurd acht het hof opmerkelijk en, nu uitleg hierover in de bestreden beschikking ontbreekt, ook onbegrijpelijk. Het hoger beroep dient echter mede ertoe eventuele omissies of misslagen, die zich hebben voorgedaan in eerste aanleg, te kunnen herstellen. De vader heeft in hoger beroep de zaak voor zover deze ziet op de te benoemen persoon van de bewindvoerder en mentor ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikking kenbaar te maken. In zoverre zijn de eerste twee grieven weliswaar terecht voorgedragen, maar leiden deze op zichzelf niet tot vernietiging van de bestreden beschikking.

De persoon van de bewindvoerder en mentor

5.3

Het hof stelt vast dat in hoger beroep de noodzaak voor het instellen van een bewind en een mentorschap ten behoeve van de rechthebbende niet in geschil is. In geschil is wel, en hierop ziet de derde grief van de vader, de persoon van de bewindvoerder en de mentor. De vader stelt zich op het standpunt dat niet de zoon, maar een onafhankelijke professionele derde tot bewindvoerder en mentor moet worden benoemd. Volgens verweerders is de zoon de geschikte persoon om de rol van bewindvoerder en mentor op zich te nemen en heeft dit ook de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende.

5.4

De rechthebbende heeft tijdens het (hiervoor onder 2.3 genoemde) gesprek met de raadsheer-commissaris verteld dat haar zoon haar alles is, dat hij alles regelt en ook alles weet. Iemand anders zou hem hebben gevraagd of hij haar geld wilde beheren en hij doet het heel goed. Ze weet niet hoeveel geld zij heeft en hoeft dat ook niet te weten, aldus de rechthebbende.

5.5

Op grond van artikel 1:435 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Wanneer de rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, wordt op grond van het vierde lid van voornoemd artikel - tenzij het derde lid is toegepast - bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Een vergelijkbare regeling is in artikel 1:452 BW opgenomen voor de persoon van de mentor.

5.6

Het hof is van oordeel dat er in deze zaak -nog los van de vraag of de rechthebbende in staat kan worden geacht om haar wil te bepalen en of in haar verklaring een uitdrukkelijke voorkeur voor benoeming van de zoon tot bewindvoerder en mentor kan worden gelezen- gegronde redenen bestaan om af te wijken van de (mogelijk aanwezige) uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende en van de hiervoor onder 5.5 genoemde wettelijke voorkeursregelingen van artikel 1:435 lid 4 BW en 1:452 lid 4 BW.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat er sprake is van een complexe familierelatie waarbij het contact tussen de vader enerzijds en de zoon en de kleindochter anderzijds al gedurende lange tijd ernstig is verstoord. De lezingen van partijen omtrent het verleden en de gezondheidstoestand van de rechthebbende zijn volstrekt verschillend en de vader en de zoon en de kleindochter betwisten vrijwel alle stellingen van elkaar. De zoon en de kleindochter hebben in eerste aanleg de kantonrechter verzocht de rechthebbende onder bewind te stellen en een mentorschap in te stellen vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand die zijn oorzaak vindt in de lichamelijke en geestelijke mishandeling alsook financiële uitbuiting door de vader. Deze beschuldigingen worden door de vader uitdrukkelijk betwist. Hij stelt dat de gezondheidsklachten van de rechthebbende zijn oorzaak vinden in haar ziektebeeld. Daarbij verwijst de vader naar het zich bij de stukken bevindende indicatiebesluit van het CIZ van 11 september 2018 waarin (voor onbepaalde tijd) beschermd wonen met intensieve dementiezorg voor de rechthebbende is geïndiceerd. De hiervoor genoemde ernstig verstoorde relatie en de verschillende visies van de vader en verweerders op de gezondheid van de rechthebbende vormen naar het oordeel van het hof een contra-indicatie voor benoeming van de zoon tot bewindvoerder en mentor.

5.7

Daarnaast is naar het oordeel van het hof sprake van (een aanzienlijk risico op) belangenverstrengeling indien de zoon als bewindvoerder optreedt. Het bewind raakt immers (door het huwelijk tussen de rechthebbende en de vader) ook de vader. Dit maakt dat de bewindvoerder bij de uitoefening van zijn taak ook oog dient te hebben voor de belangen van de vader. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat daarvan -als gevolg van de hiervoor genoemde ernstig verstoorde relatie- geen sprake lijkt te zijn. Zo is de vader in het geheel niet door de zoon op de hoogte gesteld van het bewind. De vader heeft hier pas weet van gekregen toen bleek dat hij niet kon pinnen omdat zijn pasjes waren geblokkeerd. Verder heeft de zoon, zonder enig overleg met de vader, grote geldbedragen van de en/of rekening van de vader en moeder overgeboekt naar een andere rekening zodat deze niet meer aan de vader ter beschikking stonden. Ter zitting heeft de zoon desgevraagd verklaard dit te hebben gedaan omdat de vader onlangs nog een dure auto had gekocht en de zoon daarom van mening was dat de vader niet met geld kan omgaan. Ten slotte is er inmiddels door de zoon (namens de rechthebbende en via zijn eigen advocaat) een echtscheidingsverzoek ingediend.

5.8

De verstoorde verhouding tussen partijen, het verschil van inzicht over het ziektebeeld van de rechthebbende en de (mogelijke) belangenverstrengeling die het handelen van de zoon als bewindvoerder (en mentor) meebrengt vormen naar het oordeel van het hof de gegronde redenen om af te wijken van de (mogelijk aanwezige) uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, als ook van de wettelijke voorkeursregeling en om een onafhankelijke, professionele bewindvoerder en mentor te benoemen.

5.9

Het hof heeft tijdens de zitting al aangekondigd dat er een onafhankelijke professionele bewindvoerder zal worden benoemd en dat daarom geen onomkeerbare beslissingen (onder andere ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding) genomen dienen te worden.

5.10

Het hof heeft mevrouw [D] h.o.d.n. [G] geschikt bevonden om de taak van bewindvoerder en mentor op zich te nemen. Zij heeft zich daartoe bij e-mail van 9 september 2019 bereid verklaard.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen mevrouw [D] h.o.d.n. [G] wordt benoemd tot bewindvoerder en mentor waarbij deze benoeming werking heeft de dag na (verzending van) deze uitspraak gelet op het bepaalde in artikel 1:435 lid 10 en artikel 1: 452 lid 10 BW.

6.2

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 17 januari 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

benoemt tot bewindvoerder mw. [D] h.o.d.n. [G] te [H];

benoemt tot mentor mw. [D] h.o.d.n. [G] te [H];

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 24 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.