Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7884

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
21-001667-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het verweer dat het Europees aanhoudingsbevel op grond waarvan verdachte aan Nederland is overgeleverd, onrechtmatig is uitgevaardigd door de officier van justitie en dat het openbaar ministerie dientengevolge niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001667-17

Uitspraak d.d.: 26 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2017 met parketnummer 06-940244-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven als haar huidige adres:

[woonplaats] (BRD).

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. D. Nieuwenhuis, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, onder andere omdat het tot een andere beslissing ten aanzien van de strafoplegging komt.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
zij op of omstreeks 31 maart 2012 te Beek, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer EURO 26.342,00 en/of een geldbedrag (ongeveer EURO 29.848,00), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerkster(s) van [benadeelde] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. primair
zij op of omstreeks 31 maart 2012 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (Fiat Freemont, kenteken [kenteken] ) heeft weggenomen een koffer met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaresse benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (door het inslaan/forceren van een ruit);

2. subsidiair
[medeverdachte 2] op of omstreeks 30 maart 2012 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (Fiat Freemont, kenteken [kenteken] ) heeft weggenomen een koffer met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaresse benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 maart 2012 te Arnhem en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door mede te delen dat er een koffer met geld in voornoemde personenauto zou liggen en/of waar voornoemde personenauto geparkeerd zou staan;

3.
zij op of omstreeks 10 april 2012 te Didam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] , hoofdagent van Regio Noord- en Oost Gelderland opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van een overval (afpersing/diefstal met geweldpleging) gepleegd op 31 maart 2012 te Beek.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd – met verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 mei 20191 – dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu het door de (Nederlandse) officier van justitie uitgevaardigde Europees Aanhoudingsbevel (EAB) op grond waarvan verdachte in Duitsland is aangehouden en overgeleverd aan Nederland onrechtmatig is, omdat het EAB niet door een onafhankelijke rechterlijke autoriteit is afgegeven. In het verlengde hiervan zouden de aanhouding en overlevering van verdachte in Duitsland en de daarna in Nederland jegens verdachte uitgeoefende dwangmiddelen en strafvorderlijke bevoegdheden volgens de raadsman ook onrechtmatig zijn.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof stelt voorop dat de rechtmatigheid van een EAB ingevolge het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ) in het kader van de overleveringsprocedure getoetst wordt door de uitvoerende lidstaat, in dit geval Duitsland. Aan een toetsing van de rechtmatigheid van het in de onderhavige zaak uitgevaardigde EAB zelf komt het hof alleen om die reden al niet toe.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat sprake zou zijn van enig vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat tot niet-ontvankelijkheid moet leiden dan wel enige andere grond voor niet-ontvankelijkheid, overweegt het hof dat van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn, namelijk alleen als zich een geval voordoet waarin met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. In deze zaak is daarvan op geen enkele wijze gebleken, zodat van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geen sprake kan zijn.

Voor zover de raadsman met het niet-ontvankelijkheidsverweer nog meer of anders heeft bedoeld te stellen dan in het voorgaande vermeld, is het hof van oordeel dat dit verweer onvoldoende is onderbouwd.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Kort gezegd, acht het hof – net als de rechtbank – bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van verduistering van geld en goud van haar werkgever, aan het medeplegen van een inbraak in een auto en aan het doen van valse aangifte van een overval.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten werkzaam als regiomanager van [benadeelde] Op 31 maart 2012 kwamen de medewerkers van verschillende filialen van dit bedrijf aan het einde van de dag bijeen in [locatie 1] te Arnhem. Daar werden de omzet van die dag en het ingeleverde goud overhandigd aan verdachte. Zij is daarna samen met medeverdachte [medeverdachte 1] richting [plaats BRD] vertrokken om het geld en de goederen af te leveren bij [betrokkene 1] , de broer van de eigenaresse van de [benadeelde] . Bij Beek zijn ze van de snelweg afgegaan om via ’s-Heerenberg naar [plaats BRD] te rijden. Vervolgens zouden verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] naar eigen zeggen tot stoppen zijn gedwongen en onder bedreiging zijn beroofd.

Als verdachten van het plegen van deze overval zijn aangehouden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij enkele weken voor de overval via [betrokkene 2] in contact is gekomen met verdachte. Volgens [medeverdachte 2] zou verdachte hebben verteld dat zij manager was bij de [benadeelde] en dat zij haar werkgever wilde oplichten. Zij stelde aanvankelijk voor om een koffer met geld van elf filialen uit de auto van [mede-eigenaar benadeelde] , de partner van de eigenaresse van de [benadeelde] , te stelen. Toen een poging daartoe mislukte – omdat de koffer in de auto van [mede-eigenaar benadeelde] leeg bleek te zijn –, is er de volgende morgen een bijeenkomst bij verdachte thuis in [plaats BRD] geweest, waarbij ook de toenmalige partner van verdachte, [betrokkene 3] , aanwezig was. Tijdens die bijeenkomst werd afgesproken dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] later die dag zouden overvallen. Aan het eind van de dag zouden ze elkaar dan weer treffen. [medeverdachte 2] is die middag vanaf [locatie 1] achter verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , die de auto bestuurde, aan gereden. Nadat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de snelweg hadden verlaten, zijn ze gestopt en heeft [medeverdachte 2] een tas met geld overgenomen.

[medeverdachte 3] heeft in grote lijnen eensluidend verklaard. Hij voegde toe dat bij het overnemen van het geld aan hem werd gevraagd om tegen de auto te trappen, hetgeen hij heeft gedaan.

Het hof stelt vast dat deze verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ondersteund worden door de hierna te noemen objectieve bewijsmiddelen.

Op 31 maart 2012 werd door verdachte namens haar baas [mede-eigenaar benadeelde] aangifte gedaan van een auto-inbraak gepleegd de dag ervoor in parkeergarage [locatie 2] te Arnhem. De achterruit was ingeslagen en uit de kofferbak van de auto was een koffer weggenomen.

[medeverdachte 2] is op 30 maart 2012 in de bewuste parkeergarage geweest. Bovendien blijkt uit camerabeelden van de parkeergarage in Arnhem dat de auto van [medeverdachte 2] op 31 maart 2012 in voornoemde garage geparkeerd stond en dat [medeverdachte 2] de parkeerkaart heeft afgerekend.

Verder is uit real time verkeersinformatie gebleken dat de auto’s van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 31 maart 2012 voorafgaand aan de ‘overval’ op de route vanaf de Velperweg in Arnhem tot aan Beek op twee locaties direct achter de auto van [medeverdachte 1] en verdachte reden. De camerabeelden van tankstation [naam] , gelegen op ongeveer 1 kilometer vóór de plaats van de overval, tonen dat de Kia waarin medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte reden direct gevolgd werd door de Opel Astra van [medeverdachte 2] en een Mercedes met een opvallende grijze bies aan de onderkant, overeenkomend met de Mercedes van [medeverdachte 3] . Ook op de camerabeelden van supermarkt [naam] , enkele honderden meters vóór de plaats delict, is dit ‘treintje’ waargenomen.

Uit het historisch onderzoek van de telefoongegevens van verdachten blijkt verder dat verdachte en [medeverdachte 2] op 31 maart 2012 veelvuldig hebben ge-sms’t en dat zij ook met elkaar hebben gebeld. Daarbij is er vlak vóór en vlak na de overal telefonisch contact geweest tussen verdachte en [medeverdachte 2] .

Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betrouwbaar, nu de in het voorgaande genoemde objectieve bewijsmiddelen goed aansluiten bij hun verklaringen over de gebeurtenissen op 30 en 31 maart 2012 en over hun contacten met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Het verweer van verdachte dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] moeten worden uitgesloten van het bewijs wordt verworpen.

Anders dan de raadsman heeft gesteld, is het hof voorts niet van oordeel dat voornoemde objectieve bewijsmiddelen even goed passen bij de – door de raadsman als ‘alternatief scenario’ aangeduide – verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dat de overval wel degelijk echt heeft plaatsgevonden en de (deels) bij deze versie passende verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] .

Bij dit oordeel betrekt het hof het volgende.

Volgens verdachte heeft zij – na bemiddeling door een wederzijdse kennis, [betrokkene 2] – [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ingeschakeld om zowel haar als medeverdachte [medeverdachte 1] te beschermen tegen hun (gewelddadige) ex-partners. Deze [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn de ochtend van de overval bij verdachte thuis in [plaats BRD] geweest om de details van de bescherming te bespreken. Verdachte heeft hen toen € 300,-- gegeven voor benzine- en telefoonkosten en telefoons om contact met elkaar te kunnen onderhouden. Na hun afspraak heeft verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] opgehaald en zijn zij samen naar het filiaal in Arnhem gereden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zouden vervolgens op eigen initiatief de overval hebben gepleegd terwijl verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] onderweg waren.

Deze verklaring van verdachte acht het hof alleen al om de volgende redenen onaannemelijk:

  • -

    verdachte is pas in een zeer laat stadium, nadat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] belastend over verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hadden verklaard, met het verhaal over de ingeschakelde bescherming gekomen;

  • -

    verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat [medeverdachte 2] kennelijk wist dat de auto van [mede-eigenaar benadeelde] zich op 30 maart 2012 in parkeergarage [locatie 2] bevond;

  • -

    verdachte heeft evenmin een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 31 maart 2012 kennelijk per se in alle vroegte naar de woning van verdachte in [plaats BRD] moesten komen;

  • -

    verdachte heeft vlak vóór en vlak na de overval telefonisch contact gehad met [medeverdachte 2] , waarvoor zij geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven;

  • -

    verdachte heeft in de dagen na de overval geprobeerd om telefonisch in contact met [medeverdachte 2] te komen en is later ook nog bij hem aan de deur geweest (naar eigen zeggen om de betaalde € 300,-- terug te krijgen, wat niet voor de hand ligt gelet op haar verklaring dat ze volkomen overstuur was door de overval);

  • -

    de gestelde bedreigingen door gewelddadige ex-partners zijn op geen enkele manier onderbouwd.

Medeplegen

Het hof acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het plan heeft opgevat en uitgewerkt om haar werkgever te bestelen.

Dit plan omvatte ook de inbraak in de auto van [eigenaresse benadeelde] op 30 maart 2012. Eveneens gelet op de initiërende rol die verdachte bij deze auto-inbraak heeft gehad, kan zij om die reden ook als medepleger van deze auto-inbraak worden aangemerkt. Er is ten aanzien van beide feiten sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het aandeel van verdachte van voldoende gewicht is geweest om medeplegen bewezen te achten.

Uit de bewezenverklaring van feit 1 volgt dat verdachte in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van een gewapende overval op 31 maart 2012, zodat ook feit 3 bewezen is.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
zij op of omstreeks 31 maart 2012 te Beek, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

-een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer EURO 26.342,00 en/of

-een geldbedrag (ongeveer EURO 29.848,00),

in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijnhaar mededader(s) uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerkster(s) van [benadeelde] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2. primair
zij op of omstreeks 31 maart 2012 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (Fiat Freemont, kenteken [kenteken] ) heeft weggenomen een koffer met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaresse benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak verbreking en/of inklimming (door het inslaan/forceren van een ruit);

3.
zij op of omstreeks 10 april 2012 te Didam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] , hoofdagent van Regio Noord- en Oost Gelderland opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van een overval (afpersing/diefstal met geweldpleging) gepleegd op 31 maart 2012 te Beek.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Zij heeft het vertrouwen dat haar werkgever in haar stelde ernstig beschaamd. Ze heeft ook nadat uitgekomen was dat er niet echt een overval had plaatsgevonden geen enkele openheid van zaken gegeven over haar rol in de misdrijven. Zij heeft de schuld volledig op haar mededaders afgeschoven. Van de buit is niets teruggevonden.

Slachtoffer [slachtoffer] heeft in haar voegingsformulier aangegeven dat de overval het leven van haar en haar familie financieel en psychisch heeft ontwricht. Bovendien heeft de enscenering geleid tot een nodeloze inzet van de toch al schaarse mensen en middelen bij politie en justitie.

Het hof houdt er verder rekening mee dat verdachte al eerder is veroordeeld voor fraude en vermogensdelicten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij gezondheidsproblemen heeft. Ze is volledig afgekeurd en heeft huishoudelijke hulp voor de dagelijkse werkzaamheden. Ze heeft aangegeven dat ze wel wil proberen om een taakstraf uit te voeren als die zou worden opgelegd, maar dat zij niet tevoren kan zeggen of dat fysiek mogelijk zal zijn.

Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten zonder meer de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden rechtvaardigt. Er is evenwel sprake van een zeer aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van bijna drie jaar en tevens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van bijna zes maanden.

Het hof zal daarom in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te geven duur opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis en uitleveringsdetentie heeft doorgebracht.

Het hof heeft hierbij uitdrukkelijk ook rekening gehouden met de gezondheidssituatie van verdachte, maar het ziet in die situatie geen aanleiding om géén onvoorwaardelijke taakstaf op te leggen. Het hof gaat ervan uit dat de reclassering er in zal slagen een passend project voor verdachte te vinden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 106.742,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Hoewel niet is aangegeven dat de vordering in hoger beroep verminderd wordt, zou uit het

e-mailbericht van 16 april 2019 kunnen worden opgemaakt dat de benadeelde partij haar vordering heeft teruggebracht tot € 26.342,--. In hetzelfde e-mailbericht heeft zij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het hof zal de benadeelde partij echter om dezelfde reden als de rechtbank niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren: de benadeelde partij heeft zich niet – zoals artikel 51g, derde lid van het Wetboek van Strafvordering vereist – gevoegd vóór het requisitoir in eerste aanleg. De benadeelde partij kan haar vordering daarom nu slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet geen aanleiding om wel een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 188, 311 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis;

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr. J. Corthals, voorzitter,

mr. R.H. Koning en mr. M. Schoemaker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,

en op 26 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HvJ EU, 27 mei 2019, ECLI:EU:C:2019:456