Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7876

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
10-10-2019
Zaaknummer
21-003670-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besturen van een motorrijtuig (snorfiets) onder invloed van alcohol. Rijden zonder rijbewijs. Verweer dat iemand anders het motorrijtuig zou hebben bestuurd (persoonsverwisseling/bestuurdersverwisseling) wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003670-17

Uitspraak d.d.: 26 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2017 met parketnummer 96-174049-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde ter zake feit 1 tot een voorwaardelijke geldboete van 125 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis en ter zake feit 2 tot een taakstaf voor de duur van 10 uren, subsidiair 5 dagen hechtenis, waarvan 5 uren, subsidiair 2 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren . Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. J.V. van Blitterswijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van 125 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis en ter zake feit 2 veroordeeld tot een geldboete van 240 euro, subsidiair 4 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
Hij op of omstreeks 21 juli 2015 te [plaats] als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn/haar adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 435 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs.


2.
Hij op of omstreeks 21 juli 2015 te [plaats] als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, [adres 2] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Hieromtrent overweegt het hof in het bijzonder als volgt.

Verdachte heeft voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht dat niet hij maar zijn zus op 21 juli 2015 bestuurder is geweest van de snorfiets. Om dit door verdachte geschetste alternatieve scenario te onderbouwen heeft verdachte bij appelschriftuur d.d. 20 juli 2017 verzocht zijn zus [getuige 1] als getuige te horen. Dit verzoek is toegewezen en getuige [getuige 1] is op 11 oktober 2018 door de raadsheer-commissaris van dit hof gehoord. Getuige [getuige 1] heeft overeenkomstig het standpunt van verdachte verklaard, namelijk dat zij de bestuurder is geweest van de snorfiets op 21 juli 2015 en dat verdachte achter haar heeft gefietst ten tijde van het ongeval. Voorts is de bestuurder van de auto die betrokken was bij de aanrijding met de snorfiets, te weten [getuige 2] , door de raadsheer-commissaris gehoord. Deze getuige verklaart met stelligheid dat verdachte degene is geweest die de snorfiets ten tijde van het ongeval heeft bestuurd; getuige [getuige 2] heeft tijdens en na de aanrijding geen vrouw gezien bij de plaats van het ongeval.

Het hof acht het door en namens verdachte aangedragen alternatieve scenario, - kort gezegd - dat niet verdachte maar zijn zus de snorfiets heeft bestuurd, ongeloofwaardig. Dit scenario wordt weerlegd door het door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op ambtseed/-belofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 21 juli 2015 ter zake artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Dit proces-verbaal wordt ondersteund door de stellige verklaring bij de raadsheer-commissaris van [getuige 2] dat een man ten tijde van het ongeval de bestuurder is geweest van de snorfiets. Bovendien blijkt niet uit dit proces-verbaal, noch uit het in het dossier opgenomen mutatierapport en evenmin uit het proces-verbaal dat tegen verdachte is opgemaakt ter zake van het rijden zonder rijbewijs, waarin hij steeds als bestuurder is aangemerkt, dat verdachte toen op enig moment heeft tegengesproken dat hij bestuurder van de bij de aanrijding betrokken snorfiets is geweest. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hieronder omschreven.

Voorwaardelijk verzoek horen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

Gelet op het voorgaande ontbreekt naar het oordeel van het hof de noodzaak om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen. Het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw om deze getuigen te horen wordt derhalve – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal – afgewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
Hij op 21 juli 2015 te [plaats] als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 435 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs.

2.
Hij op 21 juli 2015 te [plaats] als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) heeft gereden op de weg, [adres 2] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 21 juli 2015 een snorfiets bestuurd, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank en hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Door het plegen van deze strafbare feiten heeft verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan de in het (weg- en maatschappelijk) verkeer geldende regels en aan de veiligheid op de weg.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2019 blijkt dat verdachte meermalen ter zake van het plegen van strafbare feiten onherroepelijk tot straffen is veroordeeld, onder meer tot vrijheidsbenemende straffen. Al deze straffen hebben verdachte er niet van weerhouden de hiervoor bewezenverklaarde feiten te begaan.

Hoewel de feiten in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete rechtvaardigen, zal het hof rekening houden met de persoonlijke (financiële) omstandigheden waarin verdachte verkeert en zal ter zake van beide feiten een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte worden opgelegd. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de feiten inmiddels ruim vier jaar geleden zijn begaan en de verdachte blijkens zijn strafblad sedertdien niet met justitie en/of politie in aanraking is geweest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 8, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 120,00 (honderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 280,00 (tweehonderdtachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. E. de Witt en mr. L.G. Wijma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,

en op 26 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.