Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7848

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
200.262.829/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord. Artikel 287a Fw. Schuldenaren hebben één schuldeiser, wiens vordering op schuldenaren een aanzienlijke restschuld betreft.

De rechtbank heeft schuldeiser bevolen in te stemmen met de door schuldenaren aangeboden regeling. Schuldeiser stelt hoger beroep in.

Hof: Pluraliteit geen vereiste bij verzoek ex 287a Fw. Evenmin is het al dan niet bestaan van een problematische schuldensituatie een ontvankelijkheidsvereiste. Schuldenaren kunnen derhalve worden ontvangen in hun verzoek.

Schuldeiser heeft in redelijkheid tot weigering van zijn instemming met de aangeboden schuldregeling kunnen komen. Schuldenaren hebben gedurende drie-en-een-half jaar geen aflossingen gedaan of geld gereserveerd, terwijl zij hiertoe wel in staat waren. Daarbij is niet komen vast te staan dat het meest recente aanbod het maximaal haalbare is waar schuldenaren toe in staat zijn. Uitgangspunt is dat van een schuldenaar mag worden verwacht dat hij zich maximaal inspant om zijn schuldeisers te voldoen. Niet is gebleken dat schuldenaren dit hebben gedaan. Hof wijst verzoekt ex 287a Fw alsnog af en dient het door schuldenaren gehandhaafde wsnp-verzoek te beoordelen. Hierbij is onvoldoende aannemelijk geworden dat schuldenaren niet kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden. Hoewel schuldenaren feitelijk zijn gestopt met betalen, is niet gebleken dat zij in het geheel niet in de mogelijkheid verkeerden (en verkeren) om af te lossen. Hof wijst verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af op grond van artikel 288 lid 1 sub a Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.262.829/01

(zaaknummers rechtbank C/18/191713 / FT RK 19/555 en C/18/191715 / FT RK 19/557)

arrest van 26 september 2019

inzake

Volksbank N.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

hierna te noemen: Volksbank,

advocaat: mr. M.E.G. Murris, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2] ,

beiden wonende te [A] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. A.J. Noordam, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 juni 2019 is het verzoek van [geïntimeerden] c.s. om Volksbank te bevelen in te stemmen met de door [geïntimeerden] c.s. aangeboden schuldregeling toegewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 1 juli 2019, heeft Volksbank verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en het primaire en subsidiaire verzoek van [geïntimeerden] c.s. alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt Volksbank het vonnis in zoverre te vernietigen dat de laatste door [geïntimeerden] c.s. aangeboden schuldregeling van toepassing wordt verklaard. Volksbank verzoekt het hof [geïntimeerden] c.s. hierbij te veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de aktes wijziging verzoek met bijlagen van 26 augustus 2019 en 3 september 2019, beide van mr. Murris en het verweerschrift met bijlagen van 27 augustus 2019 en een brief met bijlagen van
3 september 2019, beide van mr. Noordam.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 september 2019, waarbij namens Volksbank is verschenen de heer [B] , werkzaam als [---] bij Volksbank, bijgestaan door mr. Murris en mr. Koudijs. Voorts zijn [geïntimeerden] c.s. verschenen, bijgestaan door mr. Noordam. Mrs. Murris en Koudijs, alsook mr. Noordam hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

2.4

Het hof heeft partijen, desgevraagd, tot en met 18 september 2019 de gelegenheid gegeven om een regeling te treffen. Op 16 september 2019 heeft Volksbank het hof te kennen gegeven dat tussen partijen geen minnelijke regeling tot stand is gekomen en heeft Volksbank het hof verzocht arrest te wijzen.

3 De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1

[geïntimeerden] c.s. hebben één schuldeiser, Volksbank, die een vordering op [geïntimeerden] c.s. heeft ter hoogte van € 446.842,72, zijnde een restschuld na de executoriale verkoop van hun woning.

3.2

[geïntimeerden] c.s. hebben Volksbank op 25 juli 2018 een aanbod gedaan van € 35.000,-, gebaseerd op hun vermogen alsmede hun spaarcapaciteit over een periode van 36 maanden. Het betreft een liquidatieaanbod. Volksbank heeft dit voorstel op 11 september 2018 afgewezen.

3.3

Op 5 april 2019 hebben [geïntimeerden] c.s. voornoemd aanbod met € 3.000,- verhoogd, waarmee de aangeboden akkoordsom uitkwam op een bedrag van € 38.000,-. Hiermee is Volksbank evenmin akkoord gegaan.

3.4

Na indiening van het verzoek om Volksbank te bevelen in te stemmen met de door [geïntimeerden] c.s. aangeboden schuldregeling, hebben [geïntimeerden] c.s. op 7 juni 2019 een nieuw aanbod gedaan, waarin een akkoordsom van € 35.000,- wordt aangeboden. Het aanbod bevat tevens een regeling voor de vaststelling en vergoeding van een eventuele overwaarde van de woning van [geïntimeerden] c.s. Ook dit voorstel is door Volksbank afgewezen.

3.5

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis Volksbank bevolen in te stemmen met het door [geïntimeerden] c.s. gedane aanbod. De rechtbank is - kort gezegd - van oordeel dat Volksbank in redelijkheid niet tot weigering van haar instemming met het aanbod had kunnen komen, nu niet gebleken is van meer vermogen dan in de voorgestelde schuldregeling is verwerkt.

3.6

Na het bestreden vonnis van de rechtbank en het door Volksbank ingestelde hoger beroep is op 18 juli 2019 wederom een voorstel gedaan door [geïntimeerden] c.s. ditmaal met een akkoordsom van € 36.000,-. Dit voorstel is door de Volksbank afgewezen bij e-mail van 23 juli 2019. Op 16 augustus 2019 is door [geïntimeerden] c.s. een derde herzien aanbod gedaan van in totaal € 51.951,43. Daarin is de uitkering van een niet eerder ontdekte spaarpolis van
€ 12.292,-, een spaarsaldo van € 2.362,50 en het extra aangeboden bedrag van € 3.000,- opgenomen. Ook dit aanbod heeft Volksbank afgewezen.

3.7

[geïntimeerden] c.s. hebben op 2 september 2019 hun aanbod - wegens een foutieve eerdere vtlb-berekening waardoor [geïntimeerden] c.s. een hogere spaarcapaciteit hebben - wederom verhoogd. Het aanbod dat in hoger beroep thans voorligt bedraagt een uit te keren bedrag van € 59.270,47 (waarin het extra uit te keren bedrag van € 3.000,- niet meer is opgenomen), zijnde het te liquideren vermogen van [geïntimeerden] c.s. en de spaarcapaciteit van [geïntimeerden] c.s. gedurende drie jaar (36 maanden) (hierna :Nieuwe Schuldregeling IV).

Beroep van Volksbank

3.8

Volksbank kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Volksbank verzoekt het hof allereerst [geïntimeerden] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek. Voorts verzoekt Volksbank het hof de verzoeken van [geïntimeerden] c.s. alsnog af te wijzen. Indien het hof hieraan voorbijgaat, verzoekt Volksbank het hof (akte wijziging van verzoek van
3 september 2019) de "Nieuwe Schuldregeling IV" van 2 september 2019, vermeerderd met het eerder extra aangeboden bedrag van € 3.000,-, van toepassing te verklaren. Dit laatste houdt in dat Volksbank in dat geval in dient te stemmen met een akkoordsom van
€ 59.270,47 + € 3.000,- = € 62.270,47.

Verweer van [geïntimeerden] c.s.

3.9

[geïntimeerden] c.s. verzoeken het hof het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen met dien verstande dat voor de aangeboden schuldregeling wordt gelezen het meest recente voorstel Nieuwe Schuldregeling IV) van 2 september 2019, zonder toekenning van het eerder extra aangeboden bedrag van € 3.000,-. Subsidiair handhaven zij hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Oordeel van het hof

* ten aanzien van het pluraliteitsvereiste

3.10

Volksbank heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat [geïntimeerden] c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun verzoek. Volksbank voert daartoe aan dat er niet is voldaan aan het pluraliteitsvereiste nu Volksbank de enige schuldeiser is van [geïntimeerden] c.s. .

3.11

Ten aanzien van het door Volksbank gestelde vereiste van pluraliteit oordeelt het hof als volgt. Artikel 287a Fw heeft, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, te gelden als een alternatief voor de wettelijke schuldsaneringsregeling zowel in de gevallen waarin toewijzing tot de schuldsaneringsregeling wel als die waarin toewijzing tot de schuldsaneringsregeling, gelet op de wettelijke vereisten, niet tot de mogelijkheden behoort (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 9 maart 2017 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2007). Een gedwongen schuldregeling kan daarom ook worden opgelegd wanneer de schuldenaar slechts één crediteur heeft en deze crediteur weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling (vgl. Hof Den Haag 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4093 en Hof Arnhem-Leeuwarden 21 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11308 en 11310).

* ten aanzien van de problematische schuldensituatie

3.12

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de door Volksbank gestelde afwezigheid van een problematische schuldensituatie al dan niet meebrengt dat [geïntimeerden] c.s. niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard. Het hof stelt hierbij het volgende voorop. Artikel 284 lid 1 Fw bepaalt dat een natuurlijk persoon een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan doen, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Een verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling kan op grond van artikel 287a Fw slechts tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden gedaan.

3.13

Anders dan Volksbank meent, komt het oordeel ten aanzien van een problematische schuldensituatie pas bij de inhoudelijk beoordeling van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling aan de orde. Wanneer een schuldenaar ontvankelijk is in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, kan hij eveneens worden ontvangen in het verzoek ex artikel 287a Fw, mits dit gelijktijdig met het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt ingediend. Nu [geïntimeerden] c.s. een ontvankelijk verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling hebben ingediend en zij gelijktijdig een verzoek ex artikel 287a Fw hebben ingediend, kunnen zij dus worden ontvangen in hun verzoek.

* ten aanzien van de weigering in te stemmen met het aangeboden akkoord

3.14

Het hof ziet zich thans gesteld voor de vraag of Volksbank in redelijkheid tot weigering van instemming met het onderhavige aanbod (Nieuwe Schuldregeling IV) van [geïntimeerden] c.s. heeft kunnen komen. Op grond van artikel 287a lid 5 Fw dient, voor zover van belang, het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling te worden toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar. Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige geldt als uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan, zodat niet snel geoordeeld kan worden dat een schuldeiser in redelijkheid niet tot de hiervoor bedoelde weigering heeft kunnen komen (zie HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799, NJ 2006/230). Bij de te maken belangenafweging spelen alle omstandigheden van het geval een rol.

3.15

Het hof neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking. [geïntimeerden] c.s. hebben in 2015 betalingsproblemen gekregen en medio 2017 is hun toenmalige woning executoriaal verkocht. Als gevolg hiervan is een restschuld ontstaan van € 446.842,72. De laatste betaling van [geïntimeerden] c.s. aan Volksbank dateert van 1 maart 2016 en betrof slechts een deel van het verschuldigde maandbedrag. Tot op heden hebben [geïntimeerden] c.s. geen aflossingen meer gedaan en hebben zij in dit kader ook niets gereserveerd, hetgeen neerkomt op een periode zonder enige betaling aan Volksbank van ruim drie-en-een-half jaar. Vast staat dat zij wel de financiële mogelijkheid hadden om betalingen te doen. Afgaand op de meest recente vtlb-berekening hadden zij een afloscapaciteit van € 1.250,41 per maand. Dat brengt mee dat zij in de afgelopen drie-en-een-half jaar ruim € 52.000,- hadden kunnen aflossen. Dat zij in het geheel niet hebben afgelost en niets hebben gespaard, kan [geïntimeerden] c.s. worden aangerekend.

Daarnaast zijn de door [geïntimeerden] c.s. gedane voorstellen steeds onjuist of onvolledig geweest. Er is meermalen gerekend met een foutieve afloscapaciteit van [geïntimeerden] c.s. en in het derde aanbod bleek plotseling verwerkt te zijn een tot dan toe niet gemelde, op termijn tot uitkering komende aanzienlijke kapitaalverzekeringsuitkering. Hierdoor is het aanbod van [geïntimeerden] c.s. het afgelopen jaar verhoogd van € 33.000,- in het eerste aanbod naar bijna € 60.000,- in het meest recente aanbod. Ook heeft Volksbank nog altijd niet de beschikking over afschriften van de betaal- en spaarrekeningen van [geïntimeerden] c.s., waardoor zij niet kan controleren of er niet nog meer vermogen is of is geweest.

Verder is niet komen vast te staan dat het meest recente aanbod het maximaal haalbare is waar [geïntimeerden] c.s. toe in staat zijn. Zij gaan in al hun berekeningen steeds uit van een te sparen bedrag over een periode van drie jaar en baseren deze periode op die van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Deze periode van drie jaar is - anders dan de driejaarstermijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling - evenwel geen vaste termijn die steeds zou moeten worden gehanteerd ter berekening van hetgeen de schuldenaar maximaal kan aanbieden. Dat dient steeds per geval afzonderlijk te worden beoordeeld. [geïntimeerden] c.s. hebben gedurende drie-en-een-half jaar, hoewel tot aflossing in staat, niets afgelost. Het had dan ook voor de hand gelegen om - nu de onderhandelingen stuklopen op de hoogte van het bedrag en de aflostermijn - een langere termijn te hanteren ter compensatie van de drie-en-een-half jaar van inactiviteit van de zijde van [geïntimeerden] c.s. Daarbij komt dat zowel [geïntimeerde1] als [geïntimeerde2] werk hebben en geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat zij dat niet kunnen behouden tot de pensioengerechtigde leeftijd. [geïntimeerde1] is nu 60 jaar en [geïntimeerde2] 58 jaar. De verwachte AOW- en pensioenleeftijd is voor hen 67 jaar. Zij kunnen dus beiden, naar verwachting, nog een kleine zeven respectievelijk negen jaren werken en uit hun inkomen aflossen. Uitgangspunt is voorts dat van een schuldenaar mag worden verwacht dat hij zich maximaal inspant om zijn schuldeisers te voldoen. Gelet op het vorenoverwogene is niet gebleken dat [geïntimeerden] c.s. dat hebben gedaan.

3.16

Al het vorenstaande afwegende heeft Volksbank in redelijkheid tot weigering van instemming met de door [geïntimeerden] c.s. aangeboden schuldregeling kunnen komen en maakt zij daarmee geen misbruik van haar bevoegdheid om te weigeren daarmee in te stemmen. Het bestreden vonnis dient dan ook te worden vernietigd en het verzoek tot toepassing van een gedwongen schuldregeling zal alsnog worden afgewezen.

* ten aanzien van het schuldsaneringsverzoek

3.17

[geïntimeerden] c.s. hebben hun subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsanerings-regeling gehandhaafd, zodat het hof thans dit verzoek dient te beoordelen.

3.18

Een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat a) de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, b) de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest, en c) de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.19

Niet voldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] c.s. niet kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden. Anders dan door [geïntimeerden] c.s. lijkt te worden betoogd, is hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 1 sub a Fw niet reeds toewijsbaar, indien [geïntimeerden] c.s. zelf op grond van door hen aangevoerde omstandigheden van mening zijn dat zij niet zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden. De aanwezigheid van die situatie dient door de rechter uit objectieve feiten en omstandigheden te worden afgeleid. Dat volgt uit de eis in artikel 284 lid 1 sub a Fw dat het niet kunnen voortgaan met het betalen van schulden redelijkerwijs is te voorzien. Aan die eis doet artikel 288 lid 1 sub a Fw geen afbreuk (zie conclusie AG Wuisman van 15 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:999).

Hoewel [geïntimeerden] c.s. feitelijk vanaf maart 2016 zijn gestopt met betalen, is het aan het hof - mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.13 is overwogen - niet gebleken dat zij in het geheel niet in de mogelijkheid verkeerden om af te lossen. Integendeel, de maandelijkse afloscapaciteit bedroeg volgens de door [geïntimeerden] c.s. zelf overgelegde vltb-berekening
€ 1.250,41. Daarbij komt dat Volksbank de restantschuld rentevrij heeft gemaakt en bereid is tot het treffen van een regeling op basis van de financiële draagkracht van [geïntimeerden] c.s.

3.20

Het subsidiaire verzoek van [geïntimeerden] c.s. om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet dan ook worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub a Fw. Nu het verzoek reeds strandt op de a-grond, behoeven de b- en c-grond - en dus ook het beroep van [geïntimeerden] c.s. op de hardheidsclausule - geen bespreking meer.

Slotsom

3.21

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat beslist moet worden als hierna in het dictum wordt bepaald.

3.22

Voor de door Volksbank verzochte veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten ziet het hof geen aanleiding.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 juni 2019 en, opnieuw recht doende:

wijst af het primaire verzoek van [geïntimeerden] c.s. om Volksbank te bevelen haar medewerking te verlenen aan het door [geïntimeerden] c.s. aangeboden akkoord, alsmede het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling;

wijs af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. W.P.M. ter Berg en mr. P.S. Bakker en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2019.