Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7798

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
200.153.996/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest inzake de verdeling van een nalatenschap. De uitspraak heeft een grotendeels feitelijk karakter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, sector handel

zaaknummer gerechtshof 200.153.996/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/123889 / HA ZA 12-367

arrest van 24 september 2019

in de zaak van

1 [appellante1] ,

2. [appellant2] ,

3. [appellante3] ,

allen wonend te [A]

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks, kantoorhoudend te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.F. Koot, kantoorhoudend te Leeuwarden,

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 21 maart 2017 een tussenarrest gewezen. De inhoud daarvan wordt gehandhaafd en als hier herhaald beschouwd. Het verdere verloop van de procedure is als volgt.
- een op 12 juli 2017 gehouden comparitie van partijen waarvan het proces-verbaal bij de stukken is gevoegd;
- een akte van de zijde van [geïntimeerde] met acht producties;
- een antwoordakte overlegging producties van de zijde van [appellanten] c.s.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

Inleidende opmerkingen en uitgangspunten

2.1

In zijn tussenarrest van 21 maart 2017 heeft het hof geoordeeld dat grief I faalt en dat voor de grieven II en volgende, partijen het hof eerst nadere informatie moeten geven. Rekening houdend met de ter comparitie en in de daarop volgende akten gegeven nadere toelichting leidt dit tot de volgende beoordeling, waarbij het hof eerst enkele inleidende opmerkingen maakt.

2.2

In artikel III van de 'notariële akte van boedelbeschrijving met eed' met bijlagen (hierna: de akte) (productie 2 bij MvG) heeft [geïntimeerde] verklaard dat de nalatenschap op het tijdstip van overlijden was samengesteld zoals is vermeld in een door de notaris opgesteld en door haar ondertekend vermogensoverzicht dat aan de akte is gehecht als bijlage 8.

2.3

Bijlage 8 omvat twee pagina's met de volgende tekst:

" Boedelbeschrijving

van de nalatenschap de heer [B] , per overlijdensdatum [in] 2006

Activa waarde

1. Registergoed

juridische eigendom 1/4 aandeel [a-straat] 1 t/m 9
te [C] wordt verhuurd door Schaper Vastgoed Beheer B.V.

(economisch ingebracht in Schaper Vastgoed Beheer B.V.) nihil

2. Tegoeden op bank- en/of girorekeningen (nominale waarde)

* Friesland Bank rekeningnummer [00000] € 90,46

* Aandeel in effectenrekening tezamen met 3 broers [00001] € 4.492,14

* 1/4 aandeel in bonusspaarrekening tezamen met 3 broers [00002] € 20.711,35

3. Effecten (koers per 31-06-2006)

1/4 aandeel effecten samen met broers € 4.551,15

4. Certificaten/aandelen (waarde vermeld op successieaangifte)

certificaten Stichting Administratiekantoor Schaper Vastgoed Beheer

* stichting houder van 825 aandelen Schaper Beheer B.V.

gewaardeerd op € 221.081,00

* Schaper Beheer B.V. houder van 5 aandelen
Gascentrum Heerenveen B.V.

gewaardeerd op € 64.927,00
10 aandelen in Kuperusplein B.V. € 5.733,00

4. Inboedel (waarde vermeld op successie aangifte)

waard € 2.500,00

5. Vorderingen (nominale waarde)

* Vordering IB/PVV 2005 € 2.263,00

* Vordering op [geïntimeerde] op grond van
niet-uitgevoerd verrekenbeding € 37.656,39

totaal aan activa € 355.021,21

Passiva

1. Rekening courant schuld aan Kuperusplein B.V. € 8.153,00

totaal aan passiva € 8.153,00

Recapitulatie

totaal aan activa € 355.021,21

totaal aan passiva € 8.153,00

saldo € 346.868,21

begrafeniskosten:

Eijgelaar € 2.815,00

De Anjelier € 80,00

Postzegels bedankkaarten € 23,40

[D] , [E] € 182,65

Uitvaartverzorging Nanninga € 7.681,67

Advertenties Uitvaartverzorging Nanninga € 395,42

Van der Valk Wolvega € 424,05

Begrafenis en Crematievereniging € 865,00 uitgekeerd € 10.737,19

zuiver saldo nalatenschap € 336.131,02"

2.4

In de akte is onder V vermeld:
"V. VASTSTELLING OMVANG LEGITIMAIRE MASSA
Op de aan deze akte gehechte bijlage (bijlage 9) is de omvang van de legitimaire massa berekend. Daaruit blijkt dat tot de legitimaire massa behoort een bedrag van driehonderdzesendertigduizend eenhonderdeenendertig euro en twee eurocent (€ 336.131,02) en derhalve de legitieme portie voor ieder van de kinderen bedraagt tweeënveertigduizend zestien euro en achtendertig eurocent (€ 42.016,38)"

2.4.1

Tussen partijen zijn inzake het onderhavige conflict door de kantonrechter op 1 juni 2010 en op 11 juni 2012 in twee afzonderlijke procedures uitspraken gedaan (prod. 5 en 6 inleidende dagvaarding). Tegen die uitspraken is geen rechtsmiddel aangewend zodat deze gezag van gewijsde hebben tussen partijen. Op dit gezag van gewijsde heeft [geïntimeerde] zich in de onderhavige procedure uitdrukkelijk beroepen (CvA onder 47 en MvA onder 31). [appellanten] c.s. hebben betoogd dat dit gezag van gewijsde niet kan zien op door hen nieuw geformuleerde vorderingen. Dit laatste gaat echter niet op als die nieuwe vorderingen steunen op feiten of op een rechtsverhouding waarover de rechter in de eerdere onherroepelijk geworden uitspraak heeft geoordeeld.

2.4.2

Ook [appellanten] c.s gaan er vanuit dat de in de akte genoemde bestanddelen van de boedel (zie bijlage 6 van de akte) juist zijn, zij kunnen zich echter niet vinden in de waardering en kwalificatie van enkele van die posten en hebben in aanvulling daarop nog posten genoemd. Ter onderbouwing van de daarbij ingenomen standpunten verlangen zij (nadere) stukken en informatie van [geïntimeerde] .

2.4.3

[geïntimeerde] heeft op een eerder gegeven rechterlijk bevel al stukken aan de boedelnotaris moeten verstrekken, van welke stukken zij eveneens op rechterlijk bevel afschriften moest verstrekken aan [appellanten] c.s. Voor zover de thans door [appellanten] c.s. gevorderde nadere stukken en informatie betrekking hebben op posten die de notaris al heeft opgenomen in de boedelomschrijving kunnen [appellanten] c.s. die nadere stukken en informatie van [geïntimeerde] slechts verlangen op grond van daartoe door hen te stellen bijzondere feiten en omstandigheden. De in de akte vermelde boedelomschrijving is gebaseerd op onderzoek en controle door de notaris mede aan de hand van stukken die [geïntimeerde] moest afgeven. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de notaris daarbij fouten heeft gemaakt, is het aan [appellanten] c.s. om daartoe strekkende feiten en omstandigheden te stellen. Bij gebreke daarvan moet [geïntimeerde] worden geacht op basis van een rechterlijk bevel, waarvan de uitvoering is gecontroleerd door een onafhankelijke notaris, te hebben voldaan aan haar informatieverplichtingen jegens [appellanten] c.s.

2.5

Ten aanzien van grief II

2.5.1

[appellanten] c.s. hebben onder 4.12 van hun memorie van grieven gevorderd dat de volgende stukken en informatie door [geïntimeerde] aan hen ter beschikking worden gesteld.
(a). Afschriften betreffende de ABN Amro beleggingsportefeuille [00003] vanaf 2000 tot aan de datum van overlijden van erflater;
(b). jaaroverzichten effecten bij de Friesland Bank rekeningnummer [00004] vanaf 2000 tot aan de datum van overlijden van erflater;
(c). de hoogte van een door erflater ontvangen overbedelingsuitkering van zijn broer [F] betreffende de toedeling van het onroerend goed [b-straat] 2 te [C] aan deze broer;
(d). een kopie van het aandeelhoudersregister van Gascentrum Heerenveen B.V., Schaper Vastgoed beheer B.V., Schaper Beheer B.V. en Kuperusplein B.V.
(e). eigendomsbewijzen met betrekking tot onroerende zaken aan [a-straat] 1, 3, 3a, 5, 7, 9, 11, 21 en 23 betreffende de periode tot de datum van het huwelijk van erflater met [geïntimeerde] ;
(f). de herkomst van het geld gebruikt voor de aankoop van effectenportefeuilles bij ABN Amrobank en de Friesland Bank (per wanneer gekocht en de beginwaarde van die effecten)
(g). de herkomst van het geld gebruikt voor de financiering van de verbouwing van de woning van [geïntimeerde] (tot fl 166.000,-);

2.5.2

Het hof zal deze door [appellanten] c.s. genoemde posten achtereenvolgens behandelen.

Sub a., b. en f.: Beleggingsportefeuille en effectenrekening

2.5.3

[appellanten] c.s. vorderen stukken en nadere informatie betreffende effectenrekeningen bij de ABN Amrobank (nr. [00003] ) en de Friesland Bank (nr. [00004] ). Meer in het bijzonder verlangen zij rekeningafschriften over de periode vanaf 2000 tot aan de datum van overlijden van erflater, informatie over de aanvangswaarden van de effecten en informatie over de herkomst van het geld dat is gebruikt voor de aankoop van deze effecten.

2.5.4

Beide effectenrekeningen zijn betrokken in het onderzoek door de notaris en de door deze gemaakte berekening van de legitimaire massa. Zulks volgt uit de akte met bijlagen maar ook uit de door de notaris opgevraagde aanvullende informatie betreffende deze posten. Zie daartoe de e-mail van 11 maart 2011 van mr. Bosma (kandidaat-notaris) aan de advocaat van [geïntimeerde] (productie 10 bij dagvaarding in eerste aanleg) . Uit de door de notaris opgestelde bijlage 6, volgt dat de notaris die informatie kennelijk ook daadwerkelijk heeft verkregen en toereikend heeft geacht.

2.5.5

De vraag is of door [appellanten] c.s. bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd waaruit volgt dat [geïntimeerde] is gehouden om, ondanks het vorenstaande, nadere informatie te verstrekken. Een deugdelijke onderbouwing in die zin is ter comparitie en in de daarna gewisselde stukken niet gegeven. Daarmee komt het hof thans tot het oordeel dat [appellanten] c.s. geen afgifte van de nadere stukken en informatie van [geïntimeerde] kunnen verlangen. De vordering van [appellanten] c.s. zal worden afgewezen. In zoverre faalt grief II.

2.5.6

Sub d. aandeelhoudersregisters
[appellanten] c.s. vorderen afschriften van de aandeelhoudersregisters van de besloten vennootschappen Gascentrum Heerenveen B.V., Schaper Vastgoed beheer B.V., Schaper Beheer B.V. en Kuperusplein B.V. Voorop staat dat [appellanten] c.s. zelf (zie MvG onder 3.10) stellen dat de bedoelde aandeelhoudersregisters door [geïntimeerde] ter beschikking zijn gesteld van de notaris. Ook staat vast dat de notaris deze heeft gezien en getuige de akte met bijlagen heeft verwerkt in zijn berekening van het te verdelen vermogen. Ter comparitie heeft de raadsheer-commissaris aan [geïntimeerde] op grond van artikel 22 Rv het bevel gegeven om de certificaten betreffende Schaper Vastgoed Beheer B.V. bij akte in de procedure te brengen. Mede redengevend daarvoor was dat deze certificaten de grootste vermogenscomponent van de boedel vormen.

2.5.7

Bij de beoordeling van dit deel van de vordering staat voorop dat [geïntimeerde] de aandeelhoudersregisters waarvan [appellanten] c.s. thans afgifte verlangen, niet in haar bezit had. Zij diende deze op te vragen bij de broers van erflater. Zij heeft inmiddels bij akte de volgende stukken in het geding gebracht:
1. De statuten van de Stichting Administratiekantoor Schaper Vastgoed Beheer;

2. De overeenkomst tot certificering van de aandelen van Schaper Vastgoed Beheer B.V.;

3. De administratievoorwaarden van de Stichting Administratiekantoor Schaper Vastgoed Beheer;

4. Het aandeelhoudersregister van Schaper Vastgoed Beheer B.V.;

5. Het aandeelhoudersregister van Gascentrum Heerenveen B.V.;

6. Het aandeelhoudersregister van Kuperusplein B.V.

2.5.8

[geïntimeerde] heeft toegelicht dat de administratievoorwaarden haar geen (algemeen) recht op inlichtingen geven. Te meer nu deze inlichtingen zien op een periode die zo lang is geleden, dat de administratieplicht daarvan is verlopen. Hoewel in de statuten is bepaald dat het bestuur van de Stichting een register van certificaathouders bijhoudt, is dit niet gebeurd. De broers van erflater betogen althans dat zij zich dit niet herinneren en dat zij ondanks onderzoek daarnaar een dergelijk register niet kunnen vinden. [geïntimeerde] voert aan dat [F] , [G] , [H] en erflater vanaf de oprichting van de Stichting tot aan het overlijden van erflater elk 25% van de aandelen hielden. Zij biedt daarvan bewijs aan.

2.5.9

Voorop staat dat het aan [appellanten] c.s. is om het bestaan en de omvang van hun recht op een legitieme portie te onderbouwen. Aan die stelplicht en bewijslast mogen niet al te zware eisen worden gesteld. Van [geïntimeerde] mag zelfs worden verlangd dat zij enige moeite doet om informatie die zij niet onder zich heeft maar die zich wel in haar domein bevindt te verkrijgen. Het hof is echter van oordeel dat [geïntimeerde] aan die verplichting (ruimschoots) heeft voldaan. Te meer daar [appellanten] c.s., indien zij menen dat de broers [F/G/H] nog meer en andere informatie aangaande de nalatenschap onder zich hebben, ook zelf op grond van artikel 843a Rv afgifte van die informatie van de broers [F/G/H] kunnen verlangen.
Het is aan [appellanten] c.s. om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat het onderzoek en de weergave door de notaris van de hier bedoelde vermogenscomponenten onjuist is. Een daartoe strekkend bewijsaanbod dat voldoende concreet en specifiek is, is door [appellanten] c.s. niet gedaan. Ook dit deel van de vordering van [appellanten] c.s. dient te worden afgewezen en ook in zoverre faalt grief II.

2.5.10

Sub c: Overbedelingsuitkering door [F] aan erflater

[appellanten] c.s. verlangen informatie over de hoogte van een door erflater van zijn broer [F] ontvangen overbedelingsuitkering betreffende de toedeling aan Dirk Klaas van het onroerend goed [b-straat] 2 te [C] .

2.5.11

Ter onderbouwing deze overbedelingsuitkering verwijzen [appellanten] c.s. naar de producties 7 en 8 bij de memorie van grieven (de verdelingsakte van 8 juni 1993 en de leveringsakte van 8 februari 1999) waaruit volgens [appellanten] c.s. volgt dat [F] erflater heeft uitgekocht. De akte vermeldt niet wat de hoogte van de uitkoopsom is. Volgens [appellanten] c.s. moet die op ten minste € 35.000,- worden gesteld. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

2.5.12

Opgemerkt zij dat in de stukken op meerdere plaatsen sprake is van overbedeling. Daarmee is niet steeds de overbedeling waar het hier om gaat (betreffende het pand [b-straat] te [C] ) bedoeld. De overbedeling waar het hier om gaat, wordt voor eerst in het hoger beroep aan de orde gesteld. Zij is door de notaris niet als afzonderlijke post betrokken in zijn akte boedelscheiding.

2.5.13

De twee zeer moeizaam leesbare producties waarnaar [appellanten] c.s. verwijzen zijn afschriften van akten uit 1993 en 1994. Erflater is [in] 2006 overleden. Dat wil zeggen ruim twaalf jaar na de totstandkoming van die akten. Dat in 2006 de door [appellanten] c.s. gestelde overbedelingsvordering nog als afzonderlijke vordering bestond is onaannemelijk en mist onderbouwing. [appellanten] c.s. hebben dat zelfs niet gesteld. Aannemelijk is dat een dergelijke vordering in de periode gelegen tussen 1993 en 2006 is voldaan dan wel in geld, dan wel anderszins. Wat er vervolgens met die betaling is gebeurd laten [appellanten] c.s. eveneens onbesproken. Zij geven zelfs niet het begin van een onderbouwing waaruit volgt dat er een aanwijsbare vermogenscomponent is die kan worden herleid tot de overbedelingsvordering waarop [appellanten] c.s. hier doelen. Daarbij komt dat de omvang daarvan slechts speculerend door [appellanten] c.s. is benaderd.

2.5.14

Het is aan [appellanten] c.s. het bestaan en de omvang van de overbedelingsvordering aan te tonen. Onder omstandigheden kan daarbij van [geïntimeerde] worden verlangd dat zij [appellanten] c.s. in de gelegenheid stelt aan hun stelplicht te voldoen. Zelfs daartoe hebben [appellanten] c.s. echter onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. Van [geïntimeerde] kan niet worden verlangd dat zij op grond daarvan een zoektocht instelt naar de vermeende vordering. Ook dit deel van de vordering van [appellanten] c.s. dient te worden afgewezen zodat grief II ook op dit onderdeel faalt.

2.5.15

Sub e. De eigendomsbewijzen betreffende panden aan de [a-straat]
[appellanten] c.s. vorderen betreffende de periode tot het huwelijk van erflater met [geïntimeerde] afgifte van eigendomsbewijzen betreffende de onroerende zaken aan de [a-straat] 1, 3, 3a, 5, 7, 9, 11, 21 en 23 te [C] . Zij voeren daartoe aan dat de onroerende zaken al voor het huwelijk van erflater met [geïntimeerde] behoorden tot het vermogen van erflater ('mogelijk' via een 1/6 gerechtigdheid tot de nalatenschap van opa [I] ). [appellanten] c.s. betogen dat de waarde van de certificaten uitsluitend is bepaald door het onroerend goed, zodat de waarde van de certificaten van erflater niet tot het tussen erflater en [geïntimeerde] te verrekenen vermogen (kon) behoren. Het onroerend goed aan de [a-straat] kwam vanuit het privévermogen van erflater. [geïntimeerde] heeft, aldus nog steeds [appellanten] c.s., geen recht op de helft van de waarde van de certificaten.

2.5.16

Buiten discussie staat dat de notaris bij de door hem berekende boedelscheiding rekening heeft gehouden met de hier bedoelde certificaten. Uitgaande van de juistheid van de stellingen van [appellanten] c.s. (het onroerend goed was (mede) bepalend voor de waarde van die certificaten) laten [appellanten] c.s. onbesproken dat en waarom de notaris daarmee geen rekening heeft gehouden. Zij stellen evenmin dat de eigendomsrechten (ten dele) rechtstreeks onderdeel uitmaakten van de nalatenschap van erflater. Een rechtsplicht voor [geïntimeerde] om afgifte van de hier bedoelde eigendomspapieren af te dwingen van de broers [F/G/H] en deze vervolgens af te geven aan [appellanten] c.s. is onvoldoende onderbouwd. Indien [appellanten] c.s. menen dat de hier bedoelde eigendomsbewijzen van belang zijn, kunnen zij die ook zelf opvragen bij het kadaster, dan wel de broers [F/G/H] op grond van artikel 843a Rv dwingen tot afgifte daarvan. De vordering dient te worden afgewezen en ook op dit punt faalt grief II.

2.5.17

Sub g. Financiering van de verbouwingskosten
Ten slotte vorderen [appellanten] c.s. van [geïntimeerde] informatie aangaande de vraag hoe [geïntimeerde] de verbouwing in 1997 van haar woning (tot fl 166.330,09 (€ 75.477,60)) heeft gefinancierd. Volgens [appellanten] c.s. had [geïntimeerde] geen eigen middelen zodat de verbouwingskosten wel ten laste van erflater moeten zijn gekomen.

2.5.18

[geïntimeerde] voert aan dat bij de notaris al is gesproken over de verbouwingskosten en dat [appellanten] c.s. daarover vragen aan de notaris hebben gesteld. De notaris zou daarbij hebben meegedeeld dat de kosten voor de verbouwing zijn voldaan uit het eigen vermogen van [geïntimeerde] . Op zich hebben [appellanten] c.s. niet weersproken dat deze informatie bij de notaris is gewisseld, zodat het hof daarvan uitgaat. Op een vraag van de raadsheer-commissaris ter zitting heeft [geïntimeerde] verklaard dat de verbouwing is bekostigd uit haar eigen vermogen. Zij kan echter niet beantwoorden hoe dat is gegaan.

2.5.19

Het hof overweegt het volgende. Ook hier geldt als uitgangspunt dat het aan [appellanten] c.s. is feiten aan te voeren waarop het bestaan en de omvang van het recht waarvan zij het rechtsgevolg inroepen is gebaseerd. Weliswaar mogen onder de gegeven omstandigheden aan die stelplicht en het bewijs niet al te zware eisen worden gesteld nu deze zich in het domein van [geïntimeerde] bevinden. Daartegenover geldt echter dat bij de notaris de verbouwingskosten al aan de orde zijn geweest en dat volgens de notaris, na diens onderzoek, die kosten zijn voldaan uit het eigen vermogen van [geïntimeerde] . Ook van belang is dat [appellanten] c.s. vragen naar feiten aangaande een verbouwing die al meer dan twintig jaar geleden plaatsvond, onder voor [geïntimeerde] geheel andere omstandigheden. Bij de onderbouwing van hun vordering komen [appellanten] c.s. niet veel verder dan de niet onderbouwde stelling dat [geïntimeerde] geen eigen vermogen had, zodat de verbouwingskosten wel ten laste van erflater moeten zijn gekomen. Ook dit deel van vordering van [appellanten] c.s. ontbeert een deugdelijke grondslag en ook in zoverre faalt grief II.

2.5.20

Gezien het vorenstaande faalt grief II op alle punten.

2.6

Grief III de omvang van de legitieme portie

2.6.1

[appellanten] c.s. hebben betoogd dat zij zich niet kunnen vinden in de door de notaris berekende omvang van de hen toekomende legitieme portie, te weten € 42.016,- per persoon. Hoewel, aldus [appellanten] c.s. de bedragen genoemd in bijlage 6 bij de akte juist zijn, zijn de hierna te noemen posten volgens [appellanten] c.s. ten onrechte aangemerkt als de belegging van bespaard inkomen. [appellanten] c.s. hebben daarbij in het bijzonder het oog op de volgende drie posten:
a. certificaten van de Stichting Administratiekantoor Schaper Vastgoed Beheer (€ 221.081,-);
b. aandelen in Gascentrum Heerenveen B.V. (€ 64.927,-);
c. effecten en spaartegoeden ten name van [geïntimeerde] (€ 155.395,90);
Het hof gaat achtereenvolgens in op deze drie posten.

Ad a. Certificaten Stichting Administratiekantoor Schaper Vastgoed Beheer (STAK)

2.6.2

De toelichting (MvG onder 5.5 tot en met 5.9) komt op het volgende neer. [J] , RA van Deloitte, heeft in zijn rapport d.d. 27 januari 2009 (prod. 17 inleidende dagvaarding) een waardeberekening gemaakt van de besloten vennootschappen Schaper Vastgoed Beheer B.V., Gascentrum Heerenveen B.V. en Kuperusplein B.V. Uit deze rapportage volgt, aldus [appellanten] c.s., dat de waarde van de certificaten in het STAK uitsluitend werd bepaald door de waarde van de onroerende zaken aan de [a-straat] te [C] . Omdat, aldus [appellanten] c.s., de verschillende ondernemingen van de familie waren gevestigd in de opstallen aan de [a-straat] moeten deze onroerende zaken al vóór het huwelijk van erflater met [geïntimeerde] hebben behoord tot het vermogen van erflater, dan wel opa [I] , al dan niet via vennootschappen.

2.6.3

Vervolgens betogen [appellanten] c.s. dat de aan de onroerende zaken verbonden waarde voor het grootste deel is opgebouwd uit een stille reserve. Gecorrigeerd met daarmee samenhangende fiscale latenties stellen zij, onder verwijzing naar het rapport van Deloitte, dat dit leidt tot een gecorrigeerde waarde van het eigen vermogen van € 884.322,-.

2.6.4

Omdat de onroerende zaken (volgens [appellanten] c.s.) al vóór het huwelijk van erflater en [geïntimeerde] tot het vermogen van erflater behoorden en de waarde van de certificaten uitsluitend wordt bepaald door die onroerende zaken, dient te worden geconcludeerd dat de certificaten niet tot het tussen erflater en [geïntimeerde] te verrekenen vermogen 'kunnen' behoren. De certificaten zijn niet aan te merken als belegging van bespaard inkomen. Alles aldus [appellanten] c.s. In bijlage 6 bij de akte boedelscheiding heeft de notaris dit vermogen, volgens [appellanten] c.s. ten onrechte, aangemerkt als te verrekenen vermogen. [appellanten] c.s. bieden aan te bewijzen dat de onroerende zaken aan de [a-straat] al vóór het huwelijk van erflater met [geïntimeerde] eigendom waren van opa [I] of van één van zijn ondernemingen of van erflater en zijn broers.

2.6.5

[geïntimeerde] verzet zich tegen het betoog van [appellanten] c.s. Volgens haar is de waarde van de certificaten niet uitsluitend bepaald door de waarde van de onroerende zaken. Zo speelt ook de waarde van bijvoorbeeld vervoermiddelen daarbij een rol. Voorts wijst [geïntimeerde] erop dat [appellanten] c.s. in hoger beroep hun standpunt aanpassen door aanvankelijk te stellen dat de onroerende zaken behoorden tot de nalatenschap van de vader van erflater en later dat het gaat om zijdens erflater aangebracht vermogen dat niet voor verrekening in aanmerking komt.

2.6.6

Het hof overweegt het volgende. Hoewel in de grondslagwijziging (zie onder 2.6.5) van [appellanten] c.s. een nuancering lijkt te zijn gelegen van een eerder standpunt past deze nuancering binnen de grenzen van de tot dusver gevoerde rechtsstrijd. De aanpassing is daarom toelaatbaar. [geïntimeerde] weerspreekt niet dat de onroerende zaken als zijdens erflater aangebrachte vermogensbestanddelen zijn vermeld op de staat van aanbrengsten. Zij heeft echter onvoldoende onweersproken betoogd dat de onroerende zaken zijn aangeschaft door middel van een door erflater en zijn broers gesloten lening bij de ABN Amro Bank. Die lening is afgelost, aldus [geïntimeerde] , met inkomen dat de vier broers [B/F/G/H] hebben genoten. Tegen dit gemotiveerde betoog hebben [appellanten] c.s. onvoldoende ingebracht, terwijl de bewijslast aan hun kant ligt.

2.6.7

Hoewel de door [appellanten] c.s. onder 2.6.2 geschetste gang van zaken niet is uitgesloten, is zij gebaseerd op speculaties die als onderbouwing in deze civiele procedure onvoldoende zijn. [geïntimeerde] heeft deze gang van zaken gemotiveerd weersproken. [appellanten] c.s. hebben aangekondigd historische informatie uit de kadastrale registers in de procedure te zullen brengen maar hebben zulks nagelaten.

2.6.8

De door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken is op zich onvoldoende weersproken gebleven en rechtvaardigt de conclusie dat sprake is van verrekenbaar vermogen. Kennelijk is dat ook de conclusie geweest van de boedelnotaris. Tegenover de certificaten bestond er in die lezing een schuld aan de bank, die (zo is eveneens onweersproken aangevoerd) in omvang overeenstemde met de waarde van de certificaten. Die schuld is ingelost vanuit overgespaarde inkomsten. In het licht van deze gang van zaken zijn de hier bedoelde certificaten aan te merken als verrekenbaar vermogen zoals bedoeld in artikel 1:136 BW, hetgeen door de notaris correct is verantwoord in de akte met bijlagen.

Aan het door [appellanten] c.s. gedane bewijsaanbod gaat het hof in het licht van het vorenstaande voorbij. [appellanten] c.s. bieden immers aan te bewijzen dat de hier bedoelde onroerende zaken al vóór het huwelijk van erflater met [geïntimeerde] eigendom waren van opa [I] of van één van zijn ondernemingen of van erflater en/of zijn broers. Deze feiten worden door [geïntimeerde] niet weersproken en worden door het hof onder 2.6.7 en 2.6.8 tot uitgangspunt gekozen in zijn overwegingen. Bewijslevering van die feiten kan niet tot een ander oordeel leiden. In zoverre faalt grief III.

Ad b. Aandelen in Gascentrum Heerenveen B.V. (€ 64.927,-)

2.6.9

Ook met betrekking tot de aandelen in de besloten vennootschap Gascentrum Heerenveen B.V. (hierna: Gascentrum Heerenveen B.V.) betogen [appellanten] c.s. dat deze door de notaris ten onrechte tot het verrekenbaar vermogen zijn gerekend. De argumenten die [appellanten] c.s. daarover aandragen komen overeen met de argumenten met betrekking tot de certificaten in het STAK (zie onder 2.6.2 en volgende). Het daartegen gevoerde verweer is eveneens gelijkluidend. Het hof komt daarom ook op dit punt tot het oordeel dat grief III faalt.

Ad c. Effecten en spaartegoeden ten name van [geïntimeerde]

2.6.10

Ten tijde van het overlijden van erflater stonden op naam van [geïntimeerde] effecten bij Friesland Bank (€ 151.992,90) en bij ABN Amro (€ 3.403,-). Het totale bedrag (€ 155.395,90) is door de boedelnotaris in aanmerking genomen als te verrekenen vermogen. Volgens [appellanten] c.s. is dat onjuist. Zij voeren daartoe het volgende aan.

2.6.11

Niet de te naamstelling van de rekening maar de herkomst van het daarop geboekte geld is bepalend voor de vraag of het om verrekenbaar vermogen gaat. De onderhavige effecten zijn niet gefinancierd met overgespaarde inkomsten maar, aldus [appellanten] c.s., met privévermogen van erflater: de opbrengst van onroerend goed en het erfdeel van erflater in de nalatenschap van zijn vader (opa [I] ).

2.6.12

[geïntimeerde] voert verweer. Volgens haar tonen [appellanten] c.s. niet aan dat het geld voor de effecten uit het privévermogen van erflater zou stammen. Ook als erflater op enig moment geld zou hebben ontvangen staande zijn huwelijk met [geïntimeerde] , volgt daaruit niet dat de saldi van privérekeningen met effecten van [geïntimeerde] van erflater afkomstig zijn. Erflater gebruikte, aldus [geïntimeerde] , al het geld dat hij overhield voor de aankoop en het opknappen van auto's. [geïntimeerde] wijst erop dat ook volgens [appellanten] c.s. zelf erflater van zijn inkomen nooit het bedrag van de saldi van de privérekeningen van [geïntimeerde] had kunnen sparen.

2.6.13

Evenmin is, aldus [geïntimeerde] , juist dat zij geen eigen vermogen had. Zij heeft in verleden gewerkt als directeur van haar garage en heeft bij haar vertrek een uitkoopsom ontvangen. Bovendien heeft zij effecten geërfd van wijlen haar ouders, vóór haar huwelijk met erflater. Met dit geld heeft zij de effectenrekeningen gekocht en heeft zij in de financiering van de verbouwing voorzien. De beleggingen hebben uiteindelijk gerendeerd waardoor de saldi zijn toegenomen tot de huidige omvang.

2.6.14

Het hof ziet ook hier geen reden af te wijken van de bevindingen van de boedelnotaris, die na onderzoek en controle van de voorhanden stukken heeft geconcludeerd dat sprake is van verrekenbaar vermogen. Hetgeen [appellanten] c.s. naar voren brengen is onvoldoende om tot bewijs te kunnen dienen of om voorshands, behoudens tegenbewijs door [geïntimeerde] , aan te nemen dat de effectenrekeningen die op naam van [geïntimeerde] stonden zijn gekocht met privégeld van erflater. In wezen komt hetgeen [appellanten] c.s. betogen erop neer dat [geïntimeerde] geen geld had, hetgeen [geïntimeerde] naar het oordeel van het Hof met succes heeft weersproken en dat het dus niet anders kan zijn dan dat zij geld van erflater heeft gebruikt voor de aankoop van effecten, welke laatste stelling op niets anders dan een speculatie is gebaseerd. Ook op dit punt faalt grief III.

Verbouwingskosten ten behoeve van de woning aan [c-straat] 23 [A]

2.6.15

Het betoog van [appellanten] c.s. dat erflater de verbouwingskosten voor de aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende woning heeft voldaan, bouwt voort op het hiervoor verworpen standpunt dat [geïntimeerde] geen financiële middelen had en dat dus de verbouwing moet zijn gefinancierd met privégeld van erflater. Het hof heeft deze op speculatie gebaseerde onderbouwing reeds verworpen onder 2.5.18 tot en met 2.5.20. Enerzijds heeft [geïntimeerde] gemotiveerd weerlegd dat zij niet over financiële middelen beschikte en anderzijds omdat het hebben van onvoldoende middelen niet tot de dwingende conclusie leidt dat er dus sprake moet zijn geweest van de aanwending van privévermogen van erflater. De enkele omstandigheid dat dit een mogelijke verklaring voor financiële tekorten bij [geïntimeerde] zou zijn, is in het licht van hetgeen [geïntimeerde] daartegen in heeft gebracht onvoldoende.

2.6.16

Gezien de verwerping van hun vorenstaande standpunten mist het betoog van [appellanten] c.s. aangaande de kwalificatie van de vermogensverschuivingen van erflater naar [geïntimeerde] als giften in de zin artikel 4:67 BW een toereikende onderbouwing. Hetzelfde geldt voor de herberekening van het te verrekenen vermogen, de legitimaire massa en de legitieme portie als een deugdelijke grondslag. Grief III faalt in alle opzichten.

2.7

Grief IV zekerheid voor de betaling van de legitieme portie
De toelichting op grief IV toont iets van de bij [appellanten] c.s. bestaande frustratie door het slechte contact met hun vader. Hoe pijnlijk dat ook mag zijn, het kan in deze civiele procedure niet afdoen aan het oordeel van het hof. Met het falen van de grieven II en III faalt ook de daarop voortbouwende grief IV nu daarin zekerheid wordt gevraagd voor betaling van de legitieme portie.

2.8

Grief V de veroordeling in de proceskosten
Uit het falen van de grieven I tot en met IV vloeit voort dat grief V die ziet op de proceskostenveroordeling door rechtbank faalt.

Slotsom
2.9 Nu alle grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. Dit komt erop neer dat de verdeling van de nalatenschap van erflater zal dienen plaats te vinden volgens de akte van boedelscheiding en eed. [appellanten] c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten (3 punten, tarief II (€ 1.074,-)

3 Beslissing

- bekrachtigt het door de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, tussen partijen gewezen vonnis van 16 april 2014;

- veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, voor zover gevallen aan de zijde van [geïntimeerde] en begroot deze kosten op € 308,- voor griffierecht en € 3.222,- voor kosten advocaat.

- wijst af het anders of meer gevorderde

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. W. Breemhaar en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 september 2019.