Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7775

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
200.254.076
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind. Verzoekster belang bij hoger beroep en ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.254.076/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland 7297190)

beschikking van 24 september 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. M. Meijer te Apeldoorn,

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende1] en

[belanghebbende2] ,

beiden kantoorhoudende te [A] ,

verder te noemen: gezamenlijk de bewindvoerders en afzonderlijk [belanghebbende1] en [belanghebbende2] ,

[belanghebbende3] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de broer van [verzoekster] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, zittingsplaats Zutphen (hierna: de kantonrechter), van 16 november 2018 (hierna: de bestreden beschikking), hersteld bij beschikking van 20 november 2018. uitgesproken onder voormeld zaaknummer .

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift tevens houdende een verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 30 januari 2019;

  • -

    de reactie van de bewindvoerders op het beroepschrift, ingekomen op 28 februari 2019 (hoewel dit stuk door de bewindvoerders zonder tussenkomst van een advocaat is ingediend, heeft de advocaat van [verzoekster] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben dat het hof het stuk bij de beoordeling betrekt.);

  • -

    het aanvullend beroepschrift, ingekomen op 8 maart 2019 en

  • -

    journaalberichten van mr. Meijer van 28 maart 2019, 13 en 19 augustus 2019, met een of meer producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 augustus 2019 plaatsgevonden. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Ook zijn verschenen de bewindvoerders en de broer van [verzoekster] .

3 De feiten

3.1

[verzoekster] is geboren [in] 1932 te [A] .

3.2

Op 12 oktober 2018 is bij de kantonrechter een door [verzoekster] ondertekend formulier “Verzoek tot onderbewindstelling en/of instelling van mentorschap” met bijlagen (waaronder een door [verzoekster] ondertekend formulier “Bereidverklaring bewindvoerder”) binnengekomen.

3.3

[belanghebbende2] heeft het onder 3.2 vermelde formulier ingevuld en bij de kantonrechter ingediend met een begeleidende brief van 11 oktober 2018 waarin onder andere het volgende is vermeld:

“In de bijlage treft u de aanvraag onderbewindstelling van mevrouw [verzoekster] .

(…)

Zoals u in de aanvraag zult zien heeft mevrouw een levenstestament gemaakt. Hierin heeft zij aangegeven dat (…) gevolmachtigd is.

Hierop wil zij terugkomen, en haar levenstestament aanpassen.

(…)

Er komt nu voor mevrouw [verzoekster] het moment dat ze aangeeft het zelf niet meer te kunnen en dat het haar spanningen geeft.

Mevrouw [verzoekster] wil graag dat haar financiën onafhankelijk en zakelijk behartigt worden.

Dat is de reden dat mevrouw [verzoekster] van mening is dat het beter is dat ze onder bewind komt.

(…)”

3.4

Bij beschikking van 14 mei 2019 (zaaknummer 200.254.976/02) heeft het hof het verzoek van [verzoekster] de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beslissing te schorsen afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter - voor zover van belang - de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoekster] onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand en de bewindvoerders als zodanig benoemd.

4.2

[verzoekster] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. [verzoekster] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw (het hof begrijpt) beschikkende het verzoek niet-ontvankelijk althans ongegrond te verklaren. [verzoekster] heeft dit verzoek in haar aanvullend beroepschrift herhaald.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

  2. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

5.2

[verzoekster] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter dat aannemelijk is dat zij op basis van haar geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Daarnaast heeft de kantonrechter volgens [verzoekster] ten onrechte overwogen dat er geen bezwaar is tegen het benoemen van de bewindvoerders.

[verzoekster] erkent dat zij het verzoek tot onderbewindstelling heeft ondertekend. Het verzoek is echter ingevuld en ingediend door [belanghebbende2] . [verzoekster] wil niet dat een onderbewindstelling wordt uitgesproken, met de benoeming van [belanghebbende1] en [belanghebbende2] tot bewindvoerders. Uit de inhoud van het levenstestament en het verhandelde ter mondelinge behandeling bij de kantonrechter blijkt ook dat [verzoekster] geen onderbewindstelling wil: zij wil zelf haar financiën beheren. [verzoekster] wist niet waarom ze naar de rechtbank moest komen, zij was overdonderd toen zij op de zitting hoorde waar het over ging. Volgens [verzoekster] is zij zelf in staat om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Er is geen bewijs waaruit het tegendeel blijkt.

5.3

De bewindvoerders stellen dat [verzoekster] wel op de hoogte was van (de inhoud van) het verzoekschrift. [belanghebbende2] hielp [verzoekster] al bij haar administratie en controleerde de bankafschriften. Het baarde [belanghebbende2] zorgen dat [verzoekster] achteraf niet meer wist van bepaalde overboekingen. [verzoekster] kon bovendien niet verklaren waarom zij bedragen had geleend aan derden. Volgens de bewindvoerders is bewind noodzakelijk.

5.4

Het hof merkt [verzoekster] aan als verzoekster in deze zaak. Het verzoek tot onderbewindstelling en/of instelling van mentorschap is door [verzoekster] ondertekend. Dat het verzoekschrift niet door haarzelf is ingevuld doet daar niet aan af.

5.5

Het hof overweegt allereerst dat [verzoekster] in hoger beroep komt van een beslissing van de kantonrechter, waarmee zij heeft gekregen wat in het door haar ondertekende verzoek is verzocht. De kantonrechter heeft overeenkomstig het inleidend verzoek een onderbewindstelling uitgesproken. Als uitgangspunt geldt dat de partij van wie het verzoek door de rechter in eerste aanleg is toegewezen geen belang heeft bij een hoger beroep, en dat het rechtsmiddel van hoger beroep er niet voor dient om in zo’n geval gelegenheid te geven de beschikking waarin dit verzoek is toegewezen ongedaan te maken.

5.6

Uit de ondertekening van het verzoek tot onderbewindstelling en/of instelling mentorschap moet in beginsel worden afgeleid dat [verzoekster] de door de kantonrechter gegeven beslissing heeft gewild. Van belang is echter ook dat [verzoekster] in eerste aanleg op het verzoek is gehoord. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling staat onder andere vermeld dat de kantonrechter na een schorsing van de zitting alleen met [belanghebbende2] heeft gesproken en tegen haar heeft gezegd dat het hem niet helemaal lekker zat, omdat [verzoekster] het (het hof begrijpt: een onderbewindstelling) op dit moment niet leek te willen. Wel begreep de kantonrechter erg goed dat een onderbewindstelling noodzakelijk was. Nadat de mondelinge behandeling vervolgens was voortgezet in het bijzijn van [verzoekster] heeft de kantonrechter bepaald dat [belanghebbende2] bewindvoerder wordt, waarop [verzoekster] direct te kennen heeft gegeven dat zij het daar dan toch mee eens moest zijn. Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat het de (ondubbelzinnige) wens van (cursivering door het hof) [verzoekster] was dat in eerste aanleg een onderbewindstelling zou worden uitgesproken. Dit betekent dat [verzoekster] belang heeft bij haar hoger beroep en ontvankelijk is in dit beroep.

5.7

In de eerste grief wordt geklaagd dat de onderbewindstelling ten onrechte is uitgesproken.

5.8

Het hof is van oordeel dat niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan dat [verzoekster] als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.

5.9

[verzoekster] is altijd een zelfstandige vrouw geweest, zij was eigenaar van [C] , makelaar en tot januari 2015 actief in de handel van aandelen. Het enkele feit dat [verzoekster] af en toe vergeetachtig is - zij is 85 jaar - betekent niet dat aan de vereisten van artikel 1:431 lid 1 onder a BW is voldaan. Stukken waaruit blijkt dat er meer aan de hand is dan vergeetachtigheid zijn in deze procedure niet overgelegd.

5.10

[verzoekster] erkent dat zij op 12 februari 2015 en 20 oktober 2015 twee leningen van respectievelijk € 50.000,- en € 191.000,- heeft verstrekt aan mevrouw [D] (hierna: [D] ). Met betrekking tot de lening van € 50.000,- aan [D] hebben [verzoekster] en [D] op 16 februari 2015 een overeenkomst ondertekend, waarin onder andere afspraken zijn vastgelegd over de wijze van aflossing van deze lening, ook ingeval van overlijden van [D] . Voor de lening van € 191.000,- heeft [D] een hypothecaire lening tot dit bedrag gesloten die zij ten behoeve van haar lening bij [verzoekster] op 14 mei 2018 heeft afgelost. Deze schuld van [D] aan [verzoekster] bestaat dus niet meer. Ook heeft [verzoekster] in 2009, 2010 en 2016 leningen aan haar neef [E] verstrekt tot een bedrag van in totaal € 158.000,-. In het besef dat deze neef voldoende heeft ontvangen heeft [verzoekster] op 9 augustus 2016 haar testament herroepen en deze neef onterfd. Deze leningen hebben dus geen invloed meer op de huidige financiële situatie van [verzoekster] . Met betrekking tot alle leningen acht het hof verder van belang dat deze dateren uit een periode ruim voor het indienen van het verzoek in eerste aanleg. Ook dateert het merendeel van de verslagen van de gesprekken van [belanghebbende2] met [verzoekster] en waarin [belanghebbende2] haar zorgen uit over de wijze waarop [verzoekster] met haar financiën omgaat, uit deze periode.

5.11

De bewindvoerders hebben twee facturen van 31 januari 2019 en 6 februari 2019 tot een totaalbedrag van ongeveer € 5.000,- overgelegd die betrekking hebben op twee cruises/reizen die [verzoekster] in 2019 met [D] heeft gemaakt. [verzoekster] heeft de reizen voor [D] betaald. Het hof is van oordeel dat de betaling van deze reizen, gelet op het aanzienlijke vermogen van [D] dat blijkt uit de boedelbeschrijving, onvoldoende aanknopingspunt biedt om aan te nemen dat [verzoekster] niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Het hof betrekt hierbij dat [verzoekster] en [D] jarenlang bevriend waren. Hetgeen hiervoor is overwogen geldt ook voor de door de bewindvoerders gestelde betalingen door [verzoekster] van haar etentjes met [D] en het feit dat [D] vaak in de auto van [verzoekster] reed.

5.12

Voor zover al vraagtekens zijn te plaatsen bij de wijze waarop [D] gebruik heeft gemaakt van het geld van [verzoekster] en in de toekomst zou moeten worden gevreesd dat dit in misbruik van de zijde van [D] zou resulteren, is van belang dat [D] [in] 2019 is overleden.

5.13

Ten slotte is van belang dat [verzoekster] zelf hulp heeft geregeld om haar bij haar financiën bij te staan en op die manier een vangnet heeft gecreëerd. Zij is voornemens dit ook vast te leggen in een (aangepast) levenstestament, zo blijkt uit een e-mail van haar notaris aan de advocaat van [verzoekster] .

5.14

De eerste grief slaagt. De tweede grief behoeft daarom geen bespreking. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek tot onderbewindstelling alsnog afwijzen. Het hof verwijst nog naar artikel 1:448 lid 4 BW waarin artikel 1:384 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard. Op grond van deze bepalingen neemt de taak van de bewindvoerders de dag na de uitspraak van het hof een einde. De inmiddels door de bewindvoerders of met hun toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder bewind gestelde van kracht.

5.15

Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Gelet op hetgeen door de bewindvoerders naar voren gebracht, gaat het hof er vanuit dat de bewindvoerders met de beste bedoelingen hebben gehandeld en dat zij het beste met [verzoekster] voor hebben.

Mocht op enig moment een situatie ontstaan waarbij het nodig is dat alsnog een bewind wordt ingesteld over alle goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoekster] , dan kan degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken overeenkomstig de daarvoor in de wet opgenomen regeling uit eigen hoofde een verzoek indienen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 november 2018, hersteld bij beschikking van 20 november 2018, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek tot onderbewindstelling alsnog af;

bepaalt dat deze uitspraak door de griffier zal worden ingeschreven in het Centraal curatele- en bewindregister;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, J.B. de Groot en H. Phaff, bijgestaan door mr. A.B. de Wit als griffier, en is op 24 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.