Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7700

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
18/00768
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:3357, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Vermogensrendementsheffing 2015. Individuele en buitensporige last? Terecht belastingrente in rekening gebracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-10-2019
FutD 2019-2586
V-N Vandaag 2019/2176
V-N 2019/60.21.8
NTFR 2019/2550
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00768

uitspraakdatum: 24 september 2019

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 augustus 2018, nummer AWB 18/1478, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd. Ze heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 44.286.

2.2.

In de papieren aangifte heeft belanghebbende ook een rendementsgrondslag in box 3 vermeld van € 382.748, maar daarbij geen aandeel in de rendementsgrondslag aan zichzelf toegerekend. In de aangifte van haar echtgenoot is ook geen aandeel in de rendementsgrondslag aangegeven. De rendementsgrondslag in box 3 is dus in beide aangiften buiten beschouwing gelaten.

2.3.

De Inspecteur heeft bij brief van 28 augustus 2017 aan belanghebbende meegedeeld dat hij het voornemen heeft af te wijken van de ingediende aangifte. De Inspecteur had uit de ontvangen renseignementen afgeleid dat de waarde van de banktegoeden op 1 januari 2015 € 42.776 hoger was dan aangegeven. Verder heeft hij de verhoogde rendementsgrondslag alsnog in zijn geheel in box 3 aan belanghebbende toegerekend.

2.4.

Met dagtekening 29 september 2017 heeft de Inspecteur de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 1 van € 44.286 en een belastbaar inkomen in box 3 van € 17.036. De aanslag bedraagt € 5.405 te betalen, inclusief € 279 aan belastingrente.

2.5.

Belanghebbende heeft niet betwist dat haar spaartegoeden hoger zijn dan zij in haar aangifte heeft verantwoord. Verder heeft belanghebbende in haar brief van 23 mei 2018 geschreven dat het de bedoeling is dat de spaartegoeden volledig aan haar worden toegerekend, overeenkomstig de opgelegde aanslag.

2.6.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de Rechtbank overwogen dat de belastingrente volledig is opgeroepen door de correctie. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel kan belanghebbende dan niet baten. De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor matiging van de belastingrente.

3 Geschil

In geschil zijn de belastingaanslag en de belastingrente. Wat de belastingaanslag betreft, is uitsluitend de heffing van box 3 in geschil. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zij betaalt teveel belasting over haar vermogen, gelet op haar netto-inkomen.

4 Beoordeling van het geschil

Belastingaanslag (box 3)

4.1.

Ingevolge artikel 2.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2015; hierna: Wet IB 2001) bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen 30%.

4.2.

Artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op vier procent van de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

4.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, ECLI:NL:HR:2019:817, ECLI:NL:HR:2019:911, ECLI:NL:HR:2019:912, ECLI:NL:HR:2019:946, ECLI:NL:HR:2019:948 en ECLI:NL:HR:2019:949 (hierna: de arresten van 14 juni 2019), betreffende de heffing van box 3 voor de jaren 2013 en 2014, als volgt geoordeeld.

4.3.1.

Er is geen aanknopingspunt om te oordelen dat de regeling van box 3 als zodanig niet aan de daaraan ingevolge artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EP) te stellen maatstaven voldoet. Wel kan het forfaitair heffen van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen voor een bepaald jaar op stelselniveau in strijd komen met artikel 1 EP indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (vgl. Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812; Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129).

4.3.2.

Voor de jaren 2013 en 2014 was op stelselniveau het eertijds door de wetgever in het forfaitaire stelsel van box 3 voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent niet meer haalbaar voor belastingplichtigen zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen. Mede gelet op het toepasselijke tarief vormt de heffing van box 3 op stelselniveau een schending van artikel 1 EP indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent.

4.3.3.

Met een dergelijke schending op stelselniveau gaat een rechtstekort gepaard waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Deze keuzes zijn niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet af te leiden (vgl. Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846 (https://www.navigator.nl/document/ide92d51b31cc9470690dfb27886387fe9?anchor=id-433b8bd7-b2eb-4939-8449-f7ec1962f71e), rechtsoverweging 2.5.1). De rechter past dan ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau. Voor ingrijpen van de rechter is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.

4.3.4.

Bij de beoordeling van de vraag of een individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van de heffing van box 3 worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. Daarbij is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt (vgl. Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511).

4.4.

Het Hof ziet voor wat betreft de schending op stelselniveau geen aanleiding om voor het jaar 2015 anders te oordelen dan de Hoge Raad in de arresten van 14 juni 2019 voor de jaren 2013 en 2014 (vgl. Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1108).

4.5.

Naar het oordeel van het Hof is van een individuele en buitensporige last als hiervoor bedoeld in belanghebbendes geval geen sprake, gezien haar inkomen uit werk en woning in het jaar 2015 (zie 2.1.). Overigens zijn geen bijzonderheden gebleken die hierop een ander licht doen schijnen. Belanghebbende heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zij door de heffing van box 3 zwaarder wordt getroffen dan andere belastingplichtigen in een vergelijkbare financiële situatie met vergelijkbaar samengestelde vermogens met eenzelfde omvang. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende te verminderen.

Belastingrente

4.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de informatie in de aangifte voldoende aanleiding gaf haar een voorlopige aanslag op te leggen. De Inspecteur had een brief kunnen sturen of belanghebbende kunnen bellen om duidelijkheid te krijgen, indien dit niet het geval was. Het berekenen van belastingrente was dan niet nodig geweest.

4.7.

Indien en voor zover het belopen van belastingrente het gevolg is van de omstandigheid dat de belastingplichtige een onjuiste aangifte heeft gedaan en daarom een correctie is toegepast, kan niet worden gezegd dat de inspecteur onzorgvuldig handelt doordat hij de belastingrente ter zake van die correctie berekent overeenkomstig de wettelijke bepalingen (vergelijk Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5536).

4.8.

Het Hof is van oordeel dat het belopen van belastingrente in dit geval het gevolg is van het onjuist doen van aangifte door belanghebbende. Belanghebbende heeft het inkomen uit sparen en beleggen niet verdeeld tussen haar en haar fiscaal partner en heeft een deel van de spaartegoeden niet in de aangifte vermeld. De Inspecteur kon, uitgaande van de aangifte, niet zonder correcties toe te passen een aanslag opleggen. Dat enige tijd is verstreken tussen het doen van aangifte en het sturen van de brief met het voornemen tot afwijken (zie 2.3.) maakt niet dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld. De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle en vervolgens de aangifte bestudeerd en geconstateerd dat de aangifte niet volledig was. Gelet op de hoeveelheid aangiftes die ieder jaar moet worden verwerkt, kan niet van de Inspecteur worden gevergd dat hij sneller actie had moeten ondernemen. De Inspecteur heeft drie jaar de tijd om de aanslag op te leggen en de aanslag is binnen deze termijn opgelegd. Het Hof ziet geen aanleiding de belastingrente te matigen of de beschikking te vernietigen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 24 september 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 september 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.