Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7687

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
200.253.635/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door het college van B&W aangevraagd bewind, ter bescherming van rechthebbende en ter voorkoming van woningontruiming, is door de kantonrechter toegewezen en door hof bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.253.635/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7135808 VO VERZ 18-1276)

beschikking van 17 september 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: rechthebbende,

voorheen advocaat: mr. A. aan het Rot te Almelo,

thans zonder advocaat,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden,

gevestigd te Coevorden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: het college,

advocaat: mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de bewindvoerder] B.V.,

gevestigd te [B] ,

verder te noemen: de bewindvoerder,

2 [C] ,

wonende te [D] ,

3 [E] ,

wonende te [F] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 25 januari 2019;

- het verweerschrift van het college;

- een brief van rechthebbende van 11 februari 2019;

- een brief van rechthebbende van 18 februari 2019;

- een brief van de bewindvoerder van 28 februari 2019;

- een brief van rechthebbende van 29 februari 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn mr. S.A. van Doren (een kantoorgenoot van mr. Klostermann) en namens het college [G] . Namens de bewindvoerder waren [H] en [I] aanwezig. Rechthebbende is niet verschenen. Hoewel de oproep aan rechthebbende per gewone post is verzonden en niet per aangetekende post, blijkt uit zijn brief van 21 mei 2019 aan het hof dat hij de oproep heeft ontvangen.

3 De feiten

3.1

Rechthebbende is geboren [in] 1954.

3.2

Bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 22 mei 2018 is rechthebbende veroordeeld, kort gezegd, om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan hem, aan woonstichting [J] te voldoen:

- een bedrag van € 1.600,62 aan achterstallige huurpenningen betreffende de woning aan de [a-straat 1] te [A] , berekend tot en met november 2017; vermeerderd met rente en kosten;

- een bedrag van € 533,54 per maand voor elke maand dat rechthebbende de woning nog zal gaan gebruiken, ingaande 1 december 2017.

In het geval rechthebbende niet binnen twee weken na betekening van het vonnis de hiervoor genoemde bedragen heeft voldaan, ontbindt de kantonrechter de huurovereenkomst met betrekking tot de woning en veroordeelt de kantonrechter rechthebbende tot ontruiming van de woning.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 10 augustus 2018, heeft het college verzocht de goederen van rechthebbende onder bewind te stellen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan rechthebbende wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden en [de bewindvoerder] B.V. tot bewindvoerder benoemd.

4.2

Rechthebbende verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek, zoals door het college is ingediend, alsnog af te wijzen.

4.3

Het college voert verweer en verzoekt het door rechthebbende in hoger beroep verzochte af te wijzen, althans aan de onderbewindstelling de voorwaarde te verbinden dat het bewind niet verder gaat dan strikt noodzakelijk om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van het vonnis van 22 mei 2018 wordt voldaan, teneinde het verlies van de woning te voorkomen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

5.2

Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat rechthebbende ten tijde van de indiening van het verzoek een forse huurschuld had aan zijn verhuurder [J] . Het verweer van rechthebbende dat [J] tekort is geschoten in het verschaffen van het ongestoorde huurgenot vanwege asbest in de woning, is door de rechtbank in voormeld vonnis niet gehonoreerd waarna rechthebbende is veroordeeld tot betaling van de huurtermijnen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is geworden.

5.3

Uit de stukken blijkt dat tussen het college, [K] en [J] ten tijde van het ontstaan van de huurachterstanden een convenant is opgesteld om rechthebbende te helpen een eventuele woningontruiming te voorkomen. Schuldhulpverlening, die betrokken is geweest bij rechthebbende, heeft niets voor hem kunnen doen omdat hij geen inzage gaf in zijn financiën en geen hulp wilde. Ook blijkt uit de stukken dat vervolgens naar aanleiding van het vonnis van 22 mei 2018 op 9 augustus 2018 een woningontruiming was gepland en dat rechthebbende van mening was dat hij ondanks de aanzegging daartoe door een deurwaarder niet uit de woning zou worden gezet. Het college heeft daarop, om het belang van rechthebbende te dienen, een verzoek tot onderbewindstelling ingediend en met [J] afgesproken dat de ontruiming zal worden opgeschort in afwachting van de beslissing op dit verzoek.
De bewindvoerder heeft ter zitting toegelicht dat het bewind op zichzelf goed verloopt, en dat er goed contact is tussen de bewindvoerder en rechthebbende. Rechthebbende ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet en kan daardoor slechts mondjesmaat aflossen op de schuld, namelijk met een bedrag van € 75,- per maand. Ter zitting is naar voren gekomen dat de totale huurschuld nu ongeveer € 8.100,- bedraagt. De bewindvoerder heeft de vrees geuit dat wanneer het bewind zou wegvallen rechthebbende de betalingsregeling niet zelf zal voortzetten en dat (weer) ontruiming zal dreigen. Gebleken is dat rechthebbende nog steeds zeer boos is op [J] en ervan overtuigd is dat hij ziek is geworden door de aanwezigheid van asbest in de woning. Ondanks het veroordelend vonnis acht hij zich niet gehouden de schuld te voldoen.
Naar het oordeel van het hof is dan ook de vrees gerechtvaardigd dat rechthebbende zijn betalingen op de huurschulden zal stopzetten wanneer er geen sprake meer zou zijn van bewind. Nog steeds is de ontruiming niet van de baan. Mede gezien de hoogte van de schuld afgezet tegen het inkomen van rechthebbende acht het hof de financiële situatie waarin rechthebbende is beland zorgelijk en een beschermingsmaatregel gerechtvaardigd. Gelet op de medische situatie van rechthebbende is het te meer van belang dat hij zijn woning niet zal worden uitgezet.

5.4

Nu sprake is van een forse schuld in verband met niet betaalde huurpenningen over een aanzienlijke periode en de gevolgen zeer ingrijpend zullen zijn voor rechthebbende ingeval hierop niet meer zou worden afgelost, is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht vanwege problematische schulden een bewind heeft ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan rechthebbende. Hetgeen rechthebbende voor het overige heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

6 De slotsom

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 oktober 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en M. Weissink en is op 17 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.