Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7683

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
21-000677-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte voor openlijke geweldpleging. Bewijsverweren zijn verworpen evenals het verweer van noodweer(exces). Aan verdachte is een gevangenisstraf opgelegd van één maand voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 120 uur. Ook legt het hof de maatregel van een contactverbod en –gebiedsverbod op voor de duur van drie jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000677-18

Uitspraak d.d.: 19 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 23 januari 2018 met parketnummer 05-085575-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1995] ,

wonende te [woonplaats 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Simo, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 23 januari 2018 veroordeeld voor – kort gezegd – het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 april 2017 te Beesd, althans in de gemeente Geldermalsen openlijk, te weten, aan de [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] door

- die [benadeelde 1] (met kracht) een kopstoot te geven en/of

- die [benadeelde 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of

- die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] in een nekklem vast te pakken en/of vast te houden en/of (met kracht) naar de grond te werken en/of te gooien en/of

- die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of

- die [benadeelde 1] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een paal, althans een hard (slag)voorwerp, op/tegen de heup en/of het (overige) lichaam te slaan en/of

- die [benadeelde 2] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een paal, althans een hard (slag)voorwerp, op/tegen het hoofd en/of (overige) lichaam te slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dit geldt ook voor de tenlastegelegde kopstoot, omdat deze deel uitmaakt van het gehele feitencomplex dat dient te worden gekwalificeerd als openlijk geweld.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat zowel de camerabeelden, als het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien de camerabeelden, als de verklaringen van de aangevers dienen te worden uitgesloten van het bewijs, zodat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Voorts kan niet worden bewezen dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld, zodat de verdachte ook om die reden dient te worden vrijgesproken. Ook is er volgens de verdediging geen sprake van openlijke geweldpleging omdat het geweld niet is gepleegd op een voor publiek toegankelijke plaats of ruimte.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof zal voor het bewijs onder meer gebruiken zijn eigen waarneming van de zich in het dossier bevindende camerabeelden, die – zoals ook ter terechtzitting aan de orde is geweest – overeenstemmen met de weergave daarvan door de rechtbank in haar vonnis van 23 januari 2018.

Bewijsuitsluitingsverweren

De verdediging heeft aangevoerd dat het beeldmateriaal, het proces-verbaal van bevindingen daarover en de overige stukken die betrekking hebben op de camerabeelden dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs en een onzorgvuldige uitwerking van de beelden.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van deze verweren. De beelden zijn spontaan afgegeven en er is geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Voor wat betreft het beeldmateriaal stelt het hof voorop dat de camera, waarvan het beeldmateriaal is verstrekt, door particulieren – de familie [familienaam benadeelden] – is opgehangen. De camerabeelden zijn spontaan door de familie [familienaam benadeelden] aan de politie verstrekt. Er is geen rechtsregel die dat verbiedt. De stelling van de verdediging dat de politie direct alle camerabeelden in beslag had moeten nemen vindt, nog afgezien van de vraag of er andere camerabeelden beschikbaar waren, evenmin steun in het recht. Dat er – zoals gesteld wordt – gemanipuleerd zou zijn met de camerabeelden wordt op geen enkele wijze onderbouwd en is niet aannemelijk geworden. Er is niet gebleken van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dat kan leiden tot bewijsuitsluiting. De camerabeelden hoeven en zullen dan ook niet worden uitgesloten van het bewijs.

Het verweer van de verdediging dat het door de verbalisanten opgemaakte proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van het bekijken van de beelden van het bewijs moet worden uitgesloten, behoeft geen bespreking, aangezien het hof dit proces-verbaal niet zal gebruiken voor het bewijs. Het hof zal, zoals hiervoor al aangegeven, voor het bewijs zijn eigen waarneming van de zich in het dossier bevindende camerabeelden gebruiken.

De verdediging stelt zich ook op het standpunt dat de verklaringen van aangevers [benadeelde 1] . en [benadeelde 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs vanwege de onbetrouwbaarheid daarvan. Aangevers hebben de mogelijkheid gehad het aanwezige beeldmateriaal te bekijken en hun verklaringen daarop en op elkaar af te stemmen.

Het hof verwerpt ook dit verweer. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van hun verklaringen, nu hun verklaringen op hoofdpunten steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de camerabeelden en de geneeskundige verklaringen.

Verdere bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte 1] ( [voornaam] ), de vader van de verdachte, op 9 april 2017 een boom bij het perceel van de familie [familienaam benadeelden] te [woonplaats 2] uit de grond heeft getrokken en over het hek van [benadeelde 1] heeft gegooid, evenals de bijbehorende palen. [benadeelde 1] liep er naar toe en vervolgens is [medeverdachte 1] door het hek het erf van [benadeelde 1] opgelopen en naar hem toegelopen. [benadeelde 1] sprak [medeverdachte 1] aan, waarop die hem een kopstoot gaf.

Hierna kwamen verdachte en zijn broer [medeverdachte 2] ook het erf van de familie [familienaam benadeelden] op en vonden de bewezen te verklaren geweldshandelingen plaats, waarbij door zowel de verdachte als door [voornaam] en [medeverdachte 2] geweld is uitgeoefend. Het hof is van oordeel dat er sprake is van in een groep opererende personen die gezamenlijk geweld hebben gepleegd tegen andere personen. Het hof is van oordeel dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd door [benadeelde 2] naar de grond te duwen en hem te slaan. Het verweer van de raadsvrouw wordt in zoverre verworpen.

Het hof zal de verdachte partieel vrijspreken van de tenlastegelegde kopstoot, omdat toen [medeverdachte 1] de kopstoot uitdeelde nog geen sprake was van openlijke geweldpleging. Op dat moment was sprake van een één op één situatie tussen [medeverdachte 1] en aangever [benadeelde 1] .

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het incident heeft zich afgespeeld op het erf van de familie [familienaam benadeelden] en dat dit zichtbaar was vanaf de openbare weg of in ieder geval had kunnen zijn voor derden. Ook het verweer dat geen sprake zou zijn van openlijk geweld omdat het incident niet in het openbaar zou hebben plaatsgevonden wordt verworpen.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 9 april 2017 te Beesd, althans in de gemeente Geldermalsen openlijk, te weten, aan de [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] door

- die [benadeelde 1] (met kracht) een kopstoot te geven en/of

- die [benadeelde 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of

- die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2] in een nekklem vast te pakken en/of vast te houden en/of (met kracht) naar de grond te werken en/of te gooien en/of

- die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of

- die [benadeelde 1] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een paal, althans een hard (slag)voorwerp, op/tegen de heup en/of het (overige) lichaam te slaan en/of

- die [benadeelde 2] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met een paal, althans een hard (slag)voorwerp, op/tegen het hoofd en/of (overige) lichaam te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Beroep op noodweer

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat [benadeelde 1] met een paal uithaalde naar [medeverdachte 1] waardoor de verdachte zijn vader moest verdedigen en dat de verdachte hoorde roepen dat de honden moesten worden “gesteld” en dat de honden aanvallend waren, waardoor de verdachte zichzelf, zijn vader en zijn broer, moest verdedigen.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat uit niets blijkt dat er een dreiging vanuit de honden kwam, dat ze agressief waren en dat de verdachte zich zou hebben moeten verdedigen. De verdachte is het erf van de familie [familienaam benadeelden] op gegaan terwijl de honden daar al liepen. De verdachte had weg kunnen en moeten gaan.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft het erf van [benadeelde 1] betreden, is op hem afgelopen en heeft een kopstootbeweging in zijn richting gemaakt. Daarna kwamen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] het erf oplopen. Er ontstond een geweldssituatie waarin de verdachte zich heeft gemengd.

Van belang acht het hof in dit verband dat uit de beelden blijkt dat de honden niet aanvallend waren naar de verdachte of de medeverdachten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook verklaard dat de honden hem niet hebben aangevallen. Voorts is op de beelden te zien dat [benadeelde 2] weliswaar een paal oppakt, maar dat hij die horizontaal voor zich houdt, naar het oordeel van het hof om zich te verdedigen. [medeverdachte 1] kiest hierop de aanval door [benadeelde 2] in een nekklem te pakken. [benadeelde 2] gooit de paal weg, waarna [medeverdachte 1] die paal oppakt en er vervolgens [benadeelde 2] mee slaat. In reactie hierop werd er vervolgens door [benadeelde 1] en [medeverdachte 1] over en weer met een paal geslagen waarna verdachte zich in het incident heeft gemengd. In plaats van weg te gaan of zijn vader en aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] uit elkaar te halen, heeft hij voor de aanval gekozen door [benadeelde 2] naar de grond te duwen en hem te slaan. Naar het oordeel van het hof kan bij deze feiten en omstandigheden niet geconcludeerd worden dat de verdachte heeft gehandeld uit noodzaak tot verdediging in reactie op een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en het noodweerverweer kan derhalve niet slagen. Het bewezenverklaarde feit is dan ook strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdachte is ook een beroep gedaan op noodweerexces op basis waarvan hij zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat er geen sprake was van een noodweersituatie voor de verdachte, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Gelet hierop kan een beroep op noodweerexces ook niet slagen. Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De verdachte is door de rechtbank veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Verder is aan de verdachte een contactverbod met de familie [familienaam benadeelden] en een locatieverbod opgelegd in de vorm van een maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaren, waarvan de dadelijke uitvoerbaarheid is bevolen. De vervangende hechtenis heeft de rechtbank bepaald op drie dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte wordt veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als de rechter in eerste aanleg heeft gedaan.

De verdediging heeft het hof primair verzocht op grond van artikel 9a Sr aan de verdachte geen straf en/of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de verdachte vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en het aandeel van de familie [familienaam benadeelden] een voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De verdachte kon als gevolg van zijn aanhouding niet bij zijn nieuwe werkgever starten waardoor hij drie weken zonder werk zat. Inmiddels heeft de verdachte een fulltime baan. Verder heeft de verdachte zijn leven op de rit. Hij heeft geen recente documentatie. Daarbij verzoekt de verdediging het opgelegde contact- en locatieverbod direct te beëindigen.

Gezien de ernst van het feit ziet het hof geen aanleiding voor toepassing van artikel 9a Sr.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte en zijn medeverdachten hebben hierbij grof geweld toegepast door de slachtoffers zijn onder meer met palen te slaan. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verdachte hiermee samen met anderen inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarbij komt dat het geweld tegen de slachtoffers heeft plaatsgevonden op het erf van laatstgenoemden; een plek waar men zich geborgen en veilig moet kunnen voelen. Het gedrag zoals de verdachte dat heeft laten zien, brengt gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Niet alleen bij de slachtoffers, maar ook op de directe woonomgeving en in de samenleving.

Het hof stelt voorop dat een zaak als deze een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, zoals ook tot uitdrukking komt in de zogenaamde landelijke oriëntatiepunten. Het hof ziet echter aanleiding om te volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf.

Het hof overweegt hiertoe dat het onderhavige conflict moet worden bezien in het licht van het reeds jaren lopende burenconflict met de familie [familienaam benadeelden] . In het voordeel van de verdachte houdt het hof, evenals de rechtbank, rekening met het feit dat de verdachte zich pas later daadwerkelijk in het incident heeft gemengd en een kleiner aandeel heeft gehad in het geweld dan de medeverdachten. Verder houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte geen recente documentatie heeft.

Naast de op te leggen straf acht het hof met de rechtbank een contactverbod met de familie [familienaam benadeelden] en een locatieverbod voor het hierna te noemen gebied op zijn plaats in de vorm van een maatregel in de zin van artikel 38v Sr. Het hof zal daarbij de onmiddellijke uitvoerbaarheid bevelen, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens aangevers. De vervangende hechtenis bepaalt het hof op drie dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.432,38, bestaande uit € 6.432,38 materiele schade en € 8.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de proceskosten ad € 1.808,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.929,89, bestaande uit € 1.429,89 materiele schade en € 2.500,- immateriële schade, alsmede een vergoeding van € 600,- voor de proceskosten.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, thans te vermeerderen met de proceskosten voor beide instanties. Mr. M.G.F. de Graaff heeft de vordering namens de benadeelde partij ter terechtzitting van het hof toegelicht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de schade juist begroot, zodat het hof zich daarbij aansluit.

Het hof begroot de proceskosten in eerste aanleg op € 400,- op basis van het liquidatietarief van de kantonrechter, uitgaande van het tarief behorend bij een toegewezen bedrag tot € 5.000,-, te weten € 200,- per punt. Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat moet worden gerekend met twee punten, te weten één punt voor de indiening van de vordering en tweemaal een halve punt voor de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof acht dit redelijk nu mr. M.G.F. de Graaff namens beide benadeelde partijen optreedt, de vorderingen sterk met elkaar samenhangen en er sprake is van een summiere behandeling van die vorderingen ter terechtzitting.

Het hof acht redelijk de proceskosten in hoger beroep eveneens te begroten op basis van het liquidatietarief van de kantonrechter, uitgaande van het tarief behorend bij een toegewezen bedrag tot € 5.000,-, te weten € 240,- per punt. Het hof gaat om de hiervoor genoemde reden ook in hoger beroep uit van een halve punt voor de terechtzitting. Voor de handhaving en de wijziging van de vordering ziet het hof in gemelde omstandigheden aanleiding uit te gaan van een halve punt. Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep derhalve op € 240,-.

De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot de hiervoor genoemde bedragen zal worden toegewezen, met dien verstande dat sprake zal zijn van een hoofdelijke veroordeling met de medeverdachten.

Het meer of anders gevorderde zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.213,55, bestaande uit € 9.213,55 materiele schade en € 5.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de proceskosten ad € 1.808,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.062,37, bestaande uit € 1.562,37 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade, alsmede een vergoeding van € 600,- voor de proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, te vermeerderen met de proceskosten van de beide instanties. Mr. M.G.F. de Graaff heeft de vordering namens de benadeelde partij ter terechtzitting van het hof toegelicht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de schade juist begroot, zodat het hof zich daarbij aansluit.

Het hof begroot de proceskosten in eerste aanleg op € 400,- op basis van het liquidatietarief van de kantonrechter, uitgaande van het tarief behorend bij een toegewezen bedrag tot € 5.000,-, te weten € 200,- per punt. Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat moet worden gerekend met twee punten, te weten één punt voor de indiening van de vordering en tweemaal een halve punt voor de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof acht dit redelijk nu mr. M.G.F. de Graaff namens beide benadeelde partijen optreedt, de vorderingen sterk met elkaar samenhangen en er sprake is van een summiere behandeling van die vorderingen ter terechtzitting.

Het hof acht redelijk de proceskosten in hoger beroep eveneens te begroten op basis van het liquidatietarief van de kantonrechter, uitgaande van het tarief behorend bij een toegewezen bedrag tot € 5.000,-, te weten € 240,- per punt. Het hof gaat om de hiervoor genoemde reden ook in hoger beroep uit van een halve punt voor de terechtzitting. Voor de handhaving en de wijziging van de vordering ziet het hof in gemelde omstandigheden aanleiding uit te gaan van een halve punt. Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep derhalve op € 240,-.

De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot de hiervoor genoemde bedragen zal worden toegewezen, met dien verstande dat sprake zal zijn van een hoofdelijke veroordeling met de medeverdachten.

Het meer of anders gevorderde zal niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden op de [adres] te Beesd en dat hij ook op of rondom dit perceel ook geen voorwerpen/afval zal achterlaten.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met

- [benadeelde 1] , geboren op [1957] , wonende aan de [adres] te [woonplaats 2] ;

- [benadeelde 2] , geboren op [1985] , wonende aan de [adres] te [woonplaats 2] ;

- de echtgenote van [benadeelde 1] , wonende aan de [adres] te [woonplaats 2] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.929,89 (drieduizend negenhonderdnegenentwintig euro en negenentachtig cent), bestaande uit € 1.429,89 (duizend vierhonderdnegenentwintig euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 640,- (zeshonderdveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.929,89 (drieduizend negenhonderdnegenentwintig euro en negenentachtig cent), bestaande uit € 1.429,89 (duizend vierhonderdnegenentwintig euro en negenentachtig cent) materiële schade en € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 april 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.062,37 (vierduizend tweeënzestig euro en zevenendertig cent), bestaande uit € 1.562,37 (duizend vijfhonderdtweeënzestig euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 640,- (zeshonderdveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.062,37 (vierduizend tweeënzestig euro en zevenendertig cent), bestaande uit € 1.562,37 (duizend vijfhonderdtweeënzestig euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 51 (eenenvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 april 2017.

Aldus gewezen door

mr. R.M. Maanicus, voorzitter,

mr. R.H. Koning en mr. M.L. Plas, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek, griffier,

en op 19 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 19 september 2019.

Tegenwoordig:

mr. K.A.J.M. Wetzels, voorzitter,

mr. J. van Spanje, advocaat-generaal,

mr. R. Hermans, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.