Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7651

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
200.256.737
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag. Afwijzing verzoek vaders om hen met gezamenlijk gezag te belasten. Vermeerdering verzoek in hoger beroep. 1:253n en 1:253t BW, 362, 282 lid 2, 283 en 130 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.256.737

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 467845)

beschikking van 19 september 2019

inzake

[verzoeker1] , en

[verzoeker2] ,

beiden wonende te [A] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: tezamen de vaders en ieder afzonderlijk vader [verzoeker1] respectievelijk vader [verzoeker2] ,

advocaat: mr. N. Grijmans-Veenendaal te Amsterdam,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,
verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling
stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

kantoorhoudend te Utrecht,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de (kinderrechter in de) rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna ook: de rechtbank/de kinderrechter), van 20 december 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 maart 2019;

  • -

    een brief van de GI van 17 april 2019 met producties;

  • -

    het verweerschrift van de moeder;

  • -

    een journaalbericht van mr. Grijmans-Veenendaal van 5 augustus 2019 met als productie het rapport van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 5 juli 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2019 plaatsgevonden. De vaders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is [B] verschenen. Namens de raad is [C] verschenen.

2.3

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Grijmans-Veenendaal van 22 augustus 2019 met een productie.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is [in] 2012 te [A] [de minderjarige] geboren.

De zwangerschap is tot stand gekomen met medewerking van vader [verzoeker1] als donor. Vader [verzoeker1] heeft [de minderjarige] erkend en [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder.

3.2

Vader [verzoeker1] en vader [verzoeker2] hebben een affectieve relatie met elkaar.

3.3

Bij beschikking van 27 november 2013 heeft de rechtbank vader [verzoeker1] naast de moeder belast met het ouderlijk gezag en de behandeling van het verzoek van de vaders over vaststelling van een zorgregeling tussen hen en [de minderjarige] aangehouden.

3.4

Bij beschikking van 14 januari 2015 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek over de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van ouderschapsbemiddeling, die partijen bij [D] zouden gaan volgen.

3.5

Bij beschikking van 30 oktober 2015 heeft de rechtbank met ingang van die datum:

- als reguliere zorgregeling vastgesteld dat [de minderjarige] bij de vaders verblijft:

  • -

    iedere week van donderdag 9.30 uur tot zondag 9.30 uur, met uitzondering van de week waarin de eerste zaterdag van de maand valt, in welke week [de minderjarige] van woensdag na het avondeten tot vrijdag na het avondeten bij de vaders verblijft;

  • -

    vanaf het moment dat [de minderjarige] naar school gaat: iedere week van woensdag na het avondeten tot zondag 9.30 uur, met uitzondering van de week waarin de eerste zaterdag van de maand valt, in welke week [de minderjarige] van woensdag na het avondeten tot vrijdag na het avondeten bij de vaders verblijft;

  • -

    met de bepaling dat de moeder [de minderjarige] naar de vaders brengt en vader [verzoeker1] [de minderjarige] naar de moeder terugbrengt;

- als zorgregeling tijdens de vakanties vastgesteld dat [de minderjarige] bij de vaders verblijft:

  • -

    gedurende de voorjaarsvakantie 2016: van vrijdag 11 maart 2016 tot en met vrijdag 18 maart 2016;

  • -

    gedurende de zomervakantie 2016: van vrijdag 15 juli 2016 tot en met vrijdag 29 juli 2016; en

  • -

    na de zomervakantie 2016: gedurende de eerste helft van de afzonderlijke schoolvakanties en met bepaling dat [de minderjarige] de tweede helft van de afzonderlijke vakanties bij de moeder verblijft;

- als zorgregeling tijdens de feestdagen vastgesteld dat [de minderjarige] bij de vaders verblijft:

  • -

    op eerste kerstdag 2015, waarbij vader [verzoeker1] [de minderjarige] op tweede kerstdag om 9.30 uur naar de moeder brengt, met bepaling dat de kerstdagen per jaar wisselen;

  • -

    met Nieuwjaar: eenmaal in de twee jaren, startende op oudejaarsdag 2015 en nieuwjaarsdag 2016, met bepaling dat [de minderjarige] in de andere jaren met Nieuwjaar bij de moeder verblijft;

  • -

    op eerste paasdag 2016, waarbij vader [verzoeker1] [de minderjarige] op tweede paasdag om 9.30 uur naar de moeder brengt, met bepaling dat de paasdagen per jaar wisselen;

  • -

    op Vaderdag vanaf 14.00 uur;

  • -

    op de verjaardagen van de vaders vanaf 14.00 uur, en

  • -

    bepaald dat gedurende de overige feestdagen de reguliere zorgregeling doorloopt, met uitzondering van Moederdag en de verjaardag van de moeder, op welke dagen [de minderjarige] vanaf 14.00 uur bij de moeder verblijft.

3.6

Bij beschikking van 28 juni 2016 heeft dit hof de beschikking van 30 oktober 2015 bekrachtigd.

3.7

Bij beschikking van 21 april 2017 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 21 april 2018. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking van 4 april 2018, zoals hersteld bij beschikking van 7 september 2018, verlengd tot 21 april 2019.

3.8

Bij beschikking van 10 april 2019 heeft de kinderrechter de GI niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek van 2 april 2019 tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.9

Bij beschikking van 29 juli 2019 heeft de kinderrechter op een verzoek van de raad van 8 juli 2019 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 juli 2019 tot
29 januari 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden - in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank:

  • -

    de raad gelast een onderzoek te verrichten naar de vraag welke zorgregeling in het belang van [de minderjarige] is en de rechtbank hierover binnen drie maanden rapport en advies uit te brengen;

  • -

    als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat [de minderjarige] de ene week van woensdag na school tot maandag naar school en de andere week van woensdag na school tot vrijdag naar school bij de vaders verblijft en voor de overige tijd bij de moeder, en

het meer of anders verzochte afgewezen, waaronder het verzoek van de vaders om vader [verzoeker2] in plaats van de moeder te belasten met het ouderlijk gezag, alsmede het verzoek van de vaders om een andersluidende zorgregeling vast te stellen.

4.2

De vaders zijn met vier (met Romeinse cijfers aangeduide) grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vaders verzoeken het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen ten aanzien van het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en het beperkte raadsonderzoek en, opnieuw beschikkende, te bepalen:

  • -

    dat het gezag in die zin wijzigt dat vader [verzoeker1] aanvankelijk als enige, dus ten koste van de moeder, wordt belast met het gezag over [de minderjarige] ;

  • -

    waarbij vrijwel direct daarna vader [verzoeker2] naast vader [verzoeker1] wordt belast met het gezag over [de minderjarige] , en

  • -

    waarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder wordt gewijzigd in die van de vaders, en

  • -

    dat de raad een onderzoek dient te verrichten naar de zorgregeling, het hoofdverblijf en het ouderlijk gezag.

4.3

De moeder voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het onder 4.2 omschreven verzoek van de vaders om bij een wijziging van het gezag de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat deze bij hen zal zijn, betreft, anders dan de moeder heeft aangevoerd, niet een zelfstandig verzoek dat voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Het gaat hier om een vermeerdering (in hoger beroep) van de zelfstandige verzoeken van de vaders in eerste aanleg. Het verzoek is toelaatbaar nu dit tijdig, dat wil zeggen in het hoger beroepschrift, is gedaan, het verzoek voldoende samenhang heeft met de oorspronkelijke zelfstandige verzoeken van de vaders en het verzoek niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde (zie de artikelen 362, 282 lid 2, 283 en 130 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

5.2

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.3

Ingevolge artikel 1:253t lid 1 kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking tot een andere ouder staat, het verzoek slechts wordt toegewezen, indien:

a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

5.4

De vaders kunnen zich met de bestreden beschikking niet verenigen en voeren het volgende aan. De vaders menen dat [de minderjarige] klem zit tussen de ouders. Ondanks alle ingezette hulpverlening zijn de ouders niet in staat om gezamenlijk beslissingen van enig belang over [de minderjarige] te nemen, omdat de moeder vader [verzoeker2] niet als ouder accepteert. Zelfs als vader [verzoeker2] zich terugtrekt, lukt het vader [verzoeker1] niet om met de moeder tot afspraken te komen. Ook binnen de ondertoezichtstelling stelt de moeder zich niet constructief op en werkt zij niet samen met de jeugdbeschermer. Volgens de vaders is daarom de enige oplossing dat het ouderlijk gezag bij de moeder wordt weggehaald en dat vader [verzoeker1] (aanvankelijk) alleen met het gezag over [de minderjarige] wordt belast. Nu het in het belang van een kind is dat er twee personen zijn belast met het ouderlijk gezag kan vader [verzoeker2] vervolgens ook worden belast met het ouderlijk gezag. Dat is volgens de vaders ook reden om af te wijken van de in artikel 1:253t lid 2 BW genoemde termijn. Als het gezag van de moeder eindigt, voeren de vaders voorts aan dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vaders moet komen te liggen. Ten slotte verzoeken de vaders het raadsonderzoek uit te breiden naar ook het ouderlijk gezag.

5.5

De moeder voert verweer. De moeder voert aan dat de vaders proberen [de minderjarige] naar zich toe te trekken en hem bovendien proberen los te weken van de moeder, waarbij de vaders de moeder veel verwijten maken. Volgens de moeder is geen sprake van een gewijzigde omstandigheid om het ouderlijk gezag te wijzigen: de moeder is zwanger geworden met ‘medewerking’ van vader [verzoeker1] als donor en er is nimmer sprake van geweest om [de minderjarige] gezamenlijk op te voeden. De moeder is in staat om met vader [verzoeker1] te communiceren en met hem overleg te hebben over [de minderjarige] . De problemen ontstaan als vader [verzoeker2] het niet eens is met genomen beslissingen. Gelet op de negatieve houding van de vaders richting de moeder in het beroepschrift is het volgens de moeder niet te verwachten dat [de minderjarige] op een vrije en kindvriendelijke manier omgang met de moeder kan blijven houden indien de vaders worden belast met het ouderlijk gezag. Wanneer vader [verzoeker2] de huidige gezagspositie respecteert, is de moeder ervan overtuigd dat de moeder en vader [verzoeker1] in staat zijn op een (voor [de minderjarige] ) wenselijke manier het gezamenlijk gezag uit te oefenen. Ten slotte ziet de moeder geen aanleiding de raad te verzoeken nader onderzoek te verrichten.

5.6

In het raadsrapport van 5 juli 2019 is, voor zover hier van belang, het volgende te lezen:

“3. Welke mogelijkheden of belemmeringen hebben de ouders en [de minderjarige] om de zorgen zelf weg te nemen, welke ondersteuning is mogelijk vanuit het netwerk en wat moet de rol van de hulpverlening zijn?

De afgelopen jaren is reeds gebleken dat er geen enkele vooruitgang wordt geboekt in de samenwerking tussen ouders, tot op heden ook niet met hulp van een ondertoezichtstelling.

De RvdK (hof: de raad) is het eens met SVMN (hof: de GI) en het advies van de opvoedpoli waarin wordt gesteld dat het zinloos is om te starten met individuele hulp aan [de minderjarige] wanneer de situatie tussen de ouders blijft zoals deze is. De geadviseerde hulp komt niet van de grond vanwege een visie verschil tussen moeder, vaders en SVMN.

De RvdK is van mening dat zes maanden een maximaal aanvaardbare termijn is waarbinnen hulpverlening voor [de minderjarige] , die nodig is, nog kan uitblijven.

Als het moeder lukt, om eventueel met hulp voor zichzelf, de zorgregeling te accepteren en er rust kan ontstaan in de situatie voor [de minderjarige] , dan kan er gestart worden met hulp voor [de minderjarige] .

Wanneer er geen rust ontstaat en hulp voor [de minderjarige] daarmee niet gestart kan worden, dan voorziet de RvdK grotere problemen in [de minderjarige] ’s sociaal-emotionele ontwikkeling. In dat geval is het noodzakelijk om [de minderjarige] uit deze beklemmende situatie te halen door te bepalen welke plek zijn hoofdverblijfplaats wordt en een omgang met de andere ouder(s) zal hebben. Een NIFP (hof: Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie) onderzoek is dan noodzakelijk om hierin te adviseren. Het is aan de gezinsvoogd om hier zicht te houden op de ontwikkelingen, het NIFP in te schakelen en de rechtbank een andere regeling te verzoeken.

Wat betreft de RvdK zouden beide plekken gelijke kansen moeten krijgen. Het belang van [de minderjarige] waarbij er ruimte voor onbelast contact met de andere ouder(s) noodzakelijk is, dient centraal te staan. Op dit moment bestaat de indruk dat de vaders meer bereidheid hebben om mee te werken aan hulpverlening en meer flexibiliteit in hun opstelling tonen, dan moeder.

Hoewel het de RvdK niet is gevraagd om te adviseren met betrekking tot het gezag heeft de RvdK een overweging ten overvloede: Gezien het co-ouderschap van de huidige situatie acht de RvdK het niet in [de minderjarige] ’s belang om het gezamenlijke gezag nu te wijzigen in eenhoofdig gezag.”

5.7

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader raadsonderzoek op dit punt te gelasten, zoals door de vaders verzocht.

5.8

Het hof stelt voorop dat de beslissing in de onderhavige procedure, hoe deze ook zal luiden, de langdurige problemen en strijd tussen partijen niet vermindert of oplost. Het hof geeft partijen mee dat de huidige situatie voor [de minderjarige] , waarbij hij klem zit tussen de moeder en de vaders, zeer schadelijk voor hem is. De sleutel om de problemen op te lossen ligt bij de vaders en de moeder door - met hulpverlening - hun onderlinge verschillen op te lossen. Het hof betreurt het dat partijen hier al gedurende lange tijd niet toe in staat (b)lijken te zijn. Het lukt de moeder en de vaders onvoldoende om in het belang van [de minderjarige] te handelen.

Ter mondelinge behandeling hebben partijen zich gecommitteerd aan een onderzoek door het NIFP. Het hof gaat ervan uit dat de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling op voortvarende wijze een strakke regie zal voeren ten aanzien van dit onderzoek, de te formuleren onderzoeksvragen en de voortgang van het onderzoek.

5.9

Het hof neemt het oordeel van de rechtbank aangaande het ouderlijk gezag en de (inhoudelijke) overwegingen waarop dit berust over en maakt deze - na eigen onderzoek - tot de zijne. Het hof voegt hieraan het volgende toe.

5.10

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu de strijd tussen de moeder en de vaders, ondanks de inzet van diverse vormen van hulpverlening, nog verder is verhard. De communicatie tussen partijen verloopt bijzonder moeizaam. Vast staat dat het partijen niet lukt om met elkaar samen te werken en gezamenlijk tot beslissingen in het belang van [de minderjarige] te komen. De vaders zijn nog nooit met [de minderjarige] in het buitenland op vakantie geweest doordat de moeder hiervoor haar toestemming heeft onthouden, de moeder is zonder overleg met de vaders overgestapt naar een andere huisarts en de moeder weigert toestemming te geven om vader [verzoeker2] te betrekken in gesprekken met school van [de minderjarige] en andere instanties. Hierdoor zit [de minderjarige] klem tussen de vaders en de moeder en valt niet te verwachten dat hierin op korte termijn verbetering komt. Nu partijen zich ter mondelinge behandeling evenwel bereid hebben verklaard mee te werken aan een onderzoek door het NIFP, waarbij de opvoedingssituatie van [de minderjarige] in zijn geheel zal worden onderzocht, oordeelt het hof het op dit moment te vroeg om het gezamenlijk gezag tussen de moeder en vader [verzoeker1] te beëindigen. Bij dit oordeel heeft het hof ook het onder 5.6 aangehaalde “advies” van de raad meegewogen, dat het hof onderschrijft.

Het voorgaande laat onverlet dat het hof grote zorgen heeft over de huidige opvoedingssituatie van [de minderjarige] en dat indien in de huidige situatie niets verbetert, een beëindiging van het gezamenlijk gezag of zelfs een uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet ondenkbaar is.

5.11

Nu het hof het gezamenlijk gezag van de moeder en vader [verzoeker1] in stand laat, komt het hof niet toe aan de verzoeken van de vaders om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hen te bepalen en op dit punt een (aanvullend) raadsonderzoek te gelasten. Ook komt het hof niet toe aan de beoordeling van de verzoeken van de vaders om vader [verzoeker2] naast vader [verzoeker1] met het ouderlijk gezag te belasten en op dit punt een (aanvullend) raadsonderzoek te bepalen.

5.12

Aangezien de zorgregeling niet aan het hof ter beoordeling voorligt, ziet het hof geen aanleiding op dit punt een (aanvullend) raadsonderzoek te gelasten.

6 De slotsom

Grief I slaagt op zich zelf, maar leidt niet tot vernietiging van de bestreden beschikking. Grief II faalt, zodat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, voor zover daarin het verzoek van de vaders tot wijziging van het gezamenlijk gezag is afgewezen. Aan de beoordeling van grief III komt het hof niet toe. Grief IV faalt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 december 2018, voor zover daarin het verzoek van de vaders tot wijziging van het gezamenlijk gezag is afgewezen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, E.B. Knottnerus en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 19 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.