Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7617

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
21-006078-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:6001
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van productie en verkoop van XTC en amfetamine. Door de verdediging is betoogd dat de TCI-informatie onvoldoende basis bood voor het binnentreden op de woonboot van verdachte,

waar de pillen werden vervaardigd, nu er geen aanvullend veredelingsonderzoek door verbalisanten is verricht en er geen oordeel kon worden gegeven over de betrouwbaarheid van de TCI-informatie. Er zou aldus sprake zijn van een vormverzuim in het vooronderzoek,

dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Verweer gemotiveerd verworpen door het hof. Voorts achtte het hof het feit dat verdachte mantelzorger is voor zijn levenspartner geen contra-indicatie voor het opleggen van een andere strafmodaliteit dan gevangenisstraf, nu de ernst van de bewezen verklaarde feiten tot toepassing van laatstgenoemde modaliteit aanleiding geven. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006078-17

Uitspraak d.d.: 18 september 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2017 met parketnummer 16-659245-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

30 maanden, met aftrek van de tijd die door hem in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, verbeurdverklaring van de zeven onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoons en de contante geldbedragen en teruggave aan verdachte van de onder hem inbeslaggenomen laptop. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. N. van Schaik, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake van de eendaadse samenloop van:

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven

verbod, meermalen gepleegd;

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven

verbod, meermalen gepleegd, en

- om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of

te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij

bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Voorts heeft de rechtbank de zeven onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons en de contante geldbedragen verbeurd verklaard en de teruggave aan verdachte gelast van de onder hem inbeslaggenomen laptop. Ten slotte heeft de rechtbank het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van de datum van het onherroepelijk worden van het vonnis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 21 februari 2017 tot en met 7 maart 2017 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 27,2 kilogram en/of 280 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of

- ongeveer 260 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

amfetamine,

zijnde MDMA en/of amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2017 tot en met 7 maart 2017, te [plaats] , althans in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd een (grote) hoeveelheid MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of een (grote) hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
hij, in of omstreeks de periode van 21 februari 2017 tot en met 7 maart 2017, te [plaats] , althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van MDMA (3,4 methyleendioxy- methamfetamine) en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, hebbende verdachte

- een tabletteermachine en/of een of meer stempel(s) voor een tabletteermachine

en/of trechter(s) en/of zeven en/of een maatschep en/of een of meer stofzuiger(s)

en/of een of meer emmer(s) en/of handschoenen en/of een volgelaatsmasker,

in elk geval een of meer productiemiddel(en) en/of voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA en/of amfetamine, althans synthetische drugs en/of

- een doos cellulose en/of tabletteerpoeder en/of dicalciumfosfaat en/of

magnesiumstearaat en/of een fles thinner en/of meerdere flesjes kleurstoffen en/of

natriumboorhydride en/of calciumwaterstoffosfaathydraat,

in elk geval (grote) hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA en/of amfetamine, althans synthetische drugs voorhanden gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtmatigheid van het binnentreden

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof - evenals in eerste aanleg aan de rechtbank -een oordeel gevraagd over de rechtmatigheid van het op 7 maart 2017 binnentreden in de woonboot van verdachte en de daarop volgende doorzoeking ter inbeslagneming.

De verdediging stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de op 21 februari 2017 binnengekomen TCI-informatie daartoe onvoldoende basis bood, nu er geen aanvullend veredelingsonderzoek door verbalisanten is verricht en er geen oordeel kon worden gegeven over de betrouwbaarheid van de TCI-informatie. Er is daarom sprake van een verzuim in het vooronderzoek dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

De bedoelde TCI-informatie bevatte de navolgende informatie: ´ [verdachte] is een tijdje geleden verhuisd naar [plaats] en woont daar op een woonboot. Op deze woonboot houdt [verdachte] zich nog steeds bezig met het drukken van xtc-pillen en gebruikt daarvoor een pillenstampmachine welke op zijn woonboot aanwezig is'.

Er is vervolgens nader onderzoek gedaan naar de personalia en de ligplaats van de boot, welk onderzoek het hof overigens niet aanmerkt als 'veredeling' van de TCI-informatie.

Niettemin acht het hof de beschikbare informatie weliswaar beperkt, maar inhoudelijk voldoende concreet en specifiek om het binnentreden door verbalisanten te rechtvaardigen, gelet op de niet alledaagse voornaam van verdachte, zijn verblijf op een woonboot binnen een relatief overzichtelijk gebied en de informatie over de kennelijke aanwezigheid van tabletteer- en pillenstampmachines.

Het hof heeft voorts gelet op een uitspraak van de Hoge Raad van 5 maart 2013 (ECLI:NL:

HR:2013:BZ2191), inhoudende dat verdenking van overtreding van (in dat geval) de Wet wapens en munitie kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie. De omstandigheid dat de melding van de CIE ook inhoudt dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie niet kon worden gegeven, is niet onverenigbaar met het oordeel van het betreffende hof dat de in de CIE-melding genoemde informatie voldoende concreet en specifiek was en noopte het hof niet tot nadere motivering van zijn oordeel dat aan die CIE-melding het vermoeden kon worden ontleend op grond waarvan de in artikel 49 WWM voorziene opsporingsbevoegdheid mag worden toegepast.

Toegepast op de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat de beschikbare informatie de verdenking van overtreding van artikel 9 van de Opiumwet kon dragen en het binnentreden en de daaropvolgende doorzoeking ter inbeslagneming gerechtvaardigd was. De periode van twee weken tussen het ontvangen van de TCI-informatie en het daadwerkelijke binnentreden acht het hof niet dusdanig lang dat de verdenking daardoor aan kracht zou hebben ingeboet. Het hof heeft daarbij mede gelet op de aard van de ten laste gelegde gedragingen, die doorgaans met een zekere mate van residentiële duur gepaard gaan.

Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het door de raadsman gevoerde verweer. Het binnentreden wordt rechtmatig geacht, hetgeen met zich brengt dat er om deze reden geen sprake is van bewijsuitsluiting.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 7 maart 2017 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 27,2 kilogram en 280 pillen, bevattende MDMA (3,4-methyleen-

dioxymethamfetamine) en

- 260 gram amfetamine,

zijnde MDMA en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.
hij in de periode van 21 februari 2017 tot en met 7 maart 2017, te [plaats] , telkens opzettelijk heeft bewerkt, verwerkt en verkocht, MDMA, (3,4-methyleen- dioxymethamfetamine) en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.
3.
hij in de periode van 21 februari 2017 tot en met 7 maart 2017, te [plaats] , om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk het bewerken, verwerken en verkopen van MDMA (3,4 methyleendioxy- methamfetamine) en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, hebbende verdachte

- een tabletteermachine en stempels voor een tabletteermachine en een trechter en

zeven en een maatschep en stofzuigers en emmer en handschoenen en een

volgelaatsmasker,

bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA en amfetamine,

en

- een doos cellulose en tabletteerpoeder en dicalciumfosfaat en magnesium-

stearaat en een fles thinner en flesjes kleurstoffen en natriumboorhydride en

calciumwaterstoffosfaathydraat,

bestemd voor de productie van MDMA en amfetamine, voorhanden gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de productie en de verkoop van XTC (MDMA) en amfetamine. Op zijn woonboot bevonden zich aanzienlijke hoeveelheden pillen en alle voor de vervaardiging daarvan benodigde productiemiddelen, zoals grondstoffen, machines en chemicaliën. Dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, slechts een faciliterende rol heeft gespeeld, is weliswaar niet ondenkbaar, maar is niet voldoende aannemelijk geworden. Verdachte heeft in alle stadia van het strafproces geweigerd om nadere informatie over de identiteit van zijn beweerdelijke opdrachtgevers prijs te geven, behalve dan dat hij ze 'de bolle' en 'de lange' noemde. De stelling dat de verdachte niet over verdere informatie aangaande zijn beweerdelijke opdrachtgevers zou beschikken acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Andere aanknopingspunten voor de aannemelijkheid van het bestaan van die opdrachtgevers ontbreken. Het enkele aantreffen op de woonboot van een sigarettenpeuk waarin DNA-kenmerken van ‘een ander’ zijn vastgesteld, is daartoe volstrekt ontoereikend. Verdachte moet dan ook als pleger verantwoordelijk worden gehouden voor het bewezenverklaarde.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van MDMA en amfetamine schadelijk is voor de volksgezondheid en zelfs tot de dood kan leiden. Daarnaast zijn er ook allerlei onwenselijke en ontwrichtende neveneffecten van criminele aard. Verdachte heeft daaraan met zijn strafbare gedragingen in ruime mate bijgedragen.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 augustus 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld is voor strafbare feiten, doch niet voor overtredingen van de Opiumwet.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

30 maanden. De advocaat-generaal heeft overeenkomstig gevorderd. De raadsman heeft aangegeven dat het hoger beroep - afgezien van het hiervoor besproken formele verweer - met name gericht is tegen de straftoemeting in eerste aanleg. De raadsman acht deze straf te hoog in vergelijking met andere zaken. Voorts zou verdachte de enige beschikbare mantelzorger zijn voor zijn vriendin, die als slachtoffer van een ernstig strafbaar feit vooralsnog volledig hulpbehoevend is..

Zonder de zwaarte daarvan en het morele appel op verdachte te bagatelliseren, is het hof van oordeel dat - gelet op de ernst van de feiten - een dergelijke omstandigheid niet kan of zou moeten leiden tot oplegging van een andere strafmodaliteit dan waartoe de bewezen verklaarde feiten aanleiding geven. In onze maatschappij moet bij gedwongen afwezigheid van een mantelzorger adequate vervanging gerealiseerd kunnen worden.

Het hof deelt niet het standpunt van de raadsman, als zou de in eerste aanleg opgelegde en in hoger beroep gevorderde straf onredelijk zijn, daarbij met name gelet op de omvang van verdachtes criminele activiteiten. Het gaat bovendien om activiteiten, die de verdachte moet hebben verricht in het besef dat ‘gepakt worden’ zijn mogelijkheden tot het verrichten van mantelzorg zou doorkruisen.

Alles afwegende, en in zekere mate rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van

30 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het voorwaardelijk deel beoogt verdachte ervan te weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten van welke aard dan ook.

Verbeurdverklaring

De onder verdachte in beslaggenomen voorwerpen, te weten:

- zeven mobiele telefoons, en

- contante geldbedragen van € 3.500,- respectievelijk € 490,-,

zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Immers, het gaat om voorwerpen die verdachte toebehoren, die hij ten eigen bate kan aanwenden en met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan of die geheel of grotendeels door middel of uit de baten van de strafbare feiten zijn verkregen.

Het hof heeft daarbij gelet op de draagkracht van verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Teruggave

Het hof gelast de teruggave aan verdachte van de onder hem inbeslaggenomen laptop (het hof begrijpt dat in casu bedoeld is een Ipad).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33a, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- zeven mobiele telefoons, en

- contante geldbedragen van € 3.500,- respectievelijk € 490,-.

Gelast de teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen laptop/Ipad.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Hofstra, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 18 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.