Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7613

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
200.251.835/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade aan voormalige echtelijke woning. Man verblijft na feitelijk uiteengaan van partijen in de woning. Daags voordat hij de woning moet verlaten op grond van de rechtbank in het kader van de echtscheiding getroffen voorlopige voorzieningen wordt daarin brand gesticht en worden vernielingen aangericht. Geen sprake van huurovereenkomst tussen partijen zodat wettelijk vermoeden van 7:218 BW toepassing mist. Schadevordering vrouw wordt alsnog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.251.835/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7006915 \ CV EXPL 18-3546)

arrest van 17 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de man

advocaat: mr. Th. Martens, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. S. Scheltinga, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 4 oktober 2017 en 20 juni 2018 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen en het vonnis van 28 augustus 2018 dat de kantonrechter in die locatie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 november 2018, gericht tegen de vonnissen van

20 juni 2018 en 28 augustus 2018;

- de memorie van grieven (met producties) d.d. 19 maart 2019

- de memorie van antwoord (met een productie);

- een akte uitlating productie van [appellant] d.d. 25 juni 2019.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten, ontleend aan de vonnissen van

20 juni 2018 en 28 augustus 2018, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden.

3.1.

Partijen zijn [in] 1989 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Op grond van de huwelijkse voorwaarden was iedere gemeenschap tussen hen uitgesloten.

3.2.

De tijdens het huwelijk gebouwde echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [A] (verder: de woning) stond op naam van de vrouw.

3.3.

De woning was bezwaard met een hypotheek. Beide partijen waren aansprakelijk voor de hypothecaire lening van € 200.000,-.

3.4.

In 2012 is de samenwoning van partijen feitelijke geëindigd. De man is in de woning blijven wonen en betaalde aan de vrouw een vergoeding van € 500,- per maand, waarmee de hypothecaire lasten werden voldaan. In november 2014 is hij gestopt met deze betaling.

3.5.

Op 28 november 2014 heeft de vrouw een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (verder: de rechtbank) ingediend betreffende het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.

3.6.

Bij beschikking van 14 januari 2015 heeft de rechtbank bepaald dat voor de duur van het geding de vrouw, met ingang van 14 februari 2015 bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning, met bevel aan de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden.

3.7.

De vrouw heeft op 12 februari 2015, vergezeld van haar nieuwe partner en een andere man (de vriend van de dochter van partijen) beiden met een honkbalknuppel, de woning bezocht om sleutels te passen.

3.8.

De man heeft op 13 februari 2015 de woning verlaten en heeft de daarop volgende dagen in het bos verbleven. Hij heeft op de ochtend van 14 februari 2015 zijn hond doodgeschoten.

3.9.

In de nacht van 13 op 14 februari 2015 is brand gesticht in de woning. De woning was afgesloten. Er zijn geen sporen van braak aangetroffen. Er was op twee plaatsen brand, op de zolderverdieping en in de vrijstaande garage. De dakconstructie van de woning is door de brand verwoest. Verder zijn door de brandweer cirkelvormige beschadigingen in de muren van de woning aangetroffen, veroorzaakt door een klauwhamer. Ook waren natuurstenen vensterbanken, toiletpotten en wastafels kapotgeslagen. In de bijkeuken heeft de brandweer een klauwhamer aangetroffen.

3.10.

De man is gearresteerd op verdenking van onder meer brandstichting. De rechtbank heeft hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. De vernieling was hem niet ten laste gelegd.

3.11.

In hoger beroep heeft dit hof, bij arrest van 24 februari 2017, de man vrijgesproken van de brandstichting. Voor verboden wapenbezit en dierenmishandeling is de man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

3.12.

De man heeft zijnerzijds tegen de vrouw aangifte gedaan van diefstal van de inhoud van de kluis in de woning, van beschadiging van zijn auto die in de garage stond tijdens de brand en van smaad door de vrouw, alsmede aangifte van bedreiging tegen de nieuwe partner van de vrouw.

3.13.

De dochter van partijen heeft eveneens aangifte gedaan van bedreiging door de nieuwe partner van de vrouw.

3.14.

De kosten van herstel van de vernielingen aan de woning (niet zijnde de brandschade) zijn op verzoek van de vrouw door Bouwbedrijf Kimsma B.V. te Leeuwarden op 30 april 2015 begroot op € 29.115,84. De vrouw heeft de man op 6 november 2015 aansprakelijk gesteld voor de vernielingen aan de woning.

3.15.

Bij beschikking van 23 december 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding van partijen uitgesproken.

3.16.

Bij beschikking van 1 juni 2016 heeft rechtbank de man onder meer veroordeeld tot het alsnog voldoen van de bijdrage in de hypothecaire lasten tot medio februari 2015. Het verzoek van de vrouw om hem te veroordelen tot betaling van de helft van de hypothecaire lasten tot de ontbinding van het huwelijk is afgewezen. Dit onderdeel van die beschikking - die door dit hof is bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 30 maart 2017 - is verder niet in hoger beroep aangevochten.

3.17.

Partijen hebben over diverse onderdelen van de boedelscheiding verder geprocedeerd, wat heeft uitgemond in de beschikking van dit hof van 4 september 2018.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De vrouw heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd dat de rechtbank de man veroordeelt tot betaling van de schade wegens vernieling van de woning, begroot op het door Bouwbedrijf Kimsma vastgestelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De vrouw heeft daartoe primair gesteld dat tussen partijen sprake is geweest van een huurovereenkomst en dat de man zich niet als een goed huurder heeft gedragen. Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat de man tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit een overeenkomst van bewaarneming. Meer subsidiair heeft zij gesteld dat de man uit onrechtmatige daad aansprakelijk is.

4.2

De rechtbank heeft, nadat bij het tussenvonnis van 4 oktober 2017 een comparitie was gelast die doorgang heeft gevonden, bij tussenvonnis van 20 juni 2018 de zaak naar de kantonrechter verwezen. Bij eindvonnis van 28 augustus 2018 heeft dezelfde rechter die het vonnis van 20 juni 2018 had gewezen, als kantonrechter de vordering toegewezen, behoudens de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. De vordering is toegewezen op de gestelde grondslag van artikel 7:218 BW, omdat de man volgens de kantonrechter het wettelijke vermoeden van het tweede lid van dat artikel dat schade aan de binnenzijde van het verhuurde is veroorzaakt door een tekortkoming van de huurder, onvoldoende had weerlegd.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

De ontvankelijkheid van het appel tegen het verwijzingsvonnis van 20 juni 2018

5.1

Op grond van artikel 71 lid 5 Rv staat tegen een verwijzingsvonnis van de rechtbank naar de kantonrechter geen hogere voorziening open. Dit betekent dat de man niet in zijn appel tegen dat vonnis kan worden ontvangen. Dat laat onverlet dat, voor zover de man grieven heeft gericht tegen in dat vonnis opgenomen overwegingen, die grieven wel in de beoordeling in hoger beroep betrokken kunnen worden voor zover de beslissing in het eindvonnis (na verwijzing) voortborduurt op die overwegingen.

Was sprake van een huurovereenkomst?

5.2

De man heeft in totaal zeven grieven voorgedragen, die er alle op neerkomen dat de kantonrechter, in het voetspoor van de rechtbank, ten onrechte van het bestaan van een huurovereenkomst is uitgegaan.

5.3

Deze grieven zijn terecht voorgedragen. Uit niets blijkt dat het gebruiksrecht van de woning na het feitelijk uiteengaan van partijen in 2012 aan de man is verleend op basis van een huurovereenkomst. Een huurcontract is tussen partijen niet opgesteld, de vergoeding die de man betaalde bestond uit een vergoeding voor de hypothecaire lasten, en gesteld noch gebleken is dat partijen een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 BW voor ogen heeft gestaan. Het hof wijst er ook op dat de vrouw in 2014 geen procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft gevoerd, maar juist een verzoekschrift tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening op voet van artikel 822 lid 1 sub a Rv heeft ingediend (rov 3.6) en op die voet bij beschikking van 16 januari 2015 de woning toegewezen heeft gekregen (rov 3.7), terwijl zij in de echtscheidingsprocedure de betaling van de hypothecaire lasten tot de ingangsdatum van de voorlopige voorziening heeft gevorderd - welke vordering is toegewezen bij de beschikking van 1 juni 2016 (zie rov 3.16). Pas in de inleidende dagvaarding van 12 juli 2017 heeft de vrouw de stelling betrokken dat sprake is van een huurovereenkomst. Dat de man op de comparitie van 19 mei 2018, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft verklaard “Vanaf november 2014 heb ik de huur niet meer betaald. Dit is omdat er ineens allerlei advocaten om de hoek kwamen en ik niet wil betalen als ik uit mijn eigen huis word gezet”, betekent, anders dan de vrouw ingang wil doen vinden, niet dat de man de gestelde grondslag van een huurovereenkomst heeft erkend. De man spreekt immers ook over zijn eigen huis, hetgeen ook past in de door de man in de boedelscheidingsprocedure ingenomen stellingen dat de overwaarde van de woning mede hem toekwam, omdat de woning alleen maar op haar naam was gezet vanwege de eigen zaak van de man.

5.4

De vrouw heeft geen verdere feiten gesteld op grond waarvan het bestaan van een huurovereenkomst kan worden aangenomen. Het hof passeert dan ook haar bewijsaanbod dat een huurovereenkomst heeft bestaan als onvoldoende gespecificeerd.

5.5

Het slagen van de grieven impliceert dat het vonnis van de kantonrechter niet in stand kan blijven, nu dat is gebaseerd op artikel 7:218 BW, dat uitsluitend voor huurovereenkomsten geldt.

De overige grondslagen

5.6

Het hof dient vervolgens op grond van de devolutieve werking van het appel na te gaan of de vordering van de vrouw op een van de door haar gestelde subsidiaire grondslagen toewijsbaar is.

5.7

De gebruiksovereenkomst, die inhield dat de man in de woning mocht blijven wonen totdat hij een andere woning had gevonden, kan niet worden aangemerkt als een overeenkomst van bewaarneming. Aan de omschrijving van die overeenkomst in artikel 7:600 BW is niet voldaan. Het ging immers niet om het toevertrouwen van de woning aan de man opdat die er voor zou zorgen ten behoeve van de vrouw, maar om het bieden van onderdak aan de man totdat deze ander onderdak zou hebben gevonden. De subsidiaire grondslag waarop de vrouw haar vordering heeft gebaseerd, is dan ook evenmin toereikend. Dat zelfde geldt voor artikel 6:27 BW, waarop de vrouw zich in de memorie van antwoord nog heeft beroepen. Dat de man op grond van de onder 3.6 vermelde beschikking de woning op 14 februari 2015 moest hebben verlaten is niet het afleveren van een individueel bepaalbare zaak als in dat artikel bedoeld.

5.8

Ten slotte heeft de vrouw zich gebaseerd op onrechtmatige daad. Het moedwillig vernielen met een klauwhamer van wc-potten, vensterbanken en verdere onderdelen van de inrichting van de woning is aan te merken als een onrechtmatige gedraging. De man heeft evenwel bestreden dat hij deze vernielingen heeft gepleegd. De bewijslast dat de man deze vernielingen heeft gepleegd, rust op de vrouw. Het hof acht geen redenen aanwezig om een bewijsvermoeden aan te nemen dat de man hiervoor verantwoordelijk is. Het hof wijst daartoe op de vrijspraak in hoger beroep voor de brandstichting en de overgelegde getuigenverhoren uit de strafzaak in hoger beroep, waarbij de vrouw is teruggekomen op haar aanvankelijke verklaring dat uitsluitend de man over een sleutel van de woning beschikte, en de verklaring van de dochter van partijen (ook door de kantonrechter aangehaald) die eerder haar moeder en haar nieuwe partner van de brand verdenkt dan haar vader. Bewijs dat de man de vernielingen heeft gepleegd of door een derde heeft laten plegen, ontbreekt en een daarop toegesneden bewijsaanbod van de vrouw ligt in appel niet voor. Ook op deze grondslag is de vordering van de vrouw niet toewijsbaar.

5.9

Het bewijsaanbod van de vrouw voor de hoogte van de schade is verder niet ter zake dienend.

De slotsom

5.10

De grieven treffen doel. Aangezien de vordering van de vrouw evenmin op de subsidiaire grondslagen toewijsbaar is, zal het hof het eindvonnis waarvan beroep vernietigen en de vordering van de vrouw alsnog afwijzen. Het hof zal de kosten van de procedure in beide instanties compenseren, nu deze procedure voortvloeit uit de echtscheiding van partijen. Wel zal de rechtbank de vordering van de man tot terugbetaling van de door de kantonrechter toegekende bedragen toewijzen.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 20 juni 2018;

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Assen van 28 augustus 2018 en opnieuw rechtdoende

wijst de vorderingen van de vrouw af;

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van hetgeen hij ter voldoening aan dat vonnis van 28 augustus 2018 aan de vrouw heeft betaald;

verklaart deze veroordeling uitvoerbar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019.