Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7567

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
200.231.636
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onbetaalde facturen, beroep op opschorting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.231.636

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 5291194)

arrest van 17 september 2019

in de zaak van

Een Veilig Gevoel B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: EVG,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens,

tegen:

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.J. Krijgsman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 februari 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Bij de stukken bevinden zich geen proces-verbaal van de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gelaste comparities. Evenmin heeft het hof aangetroffen het wel bij de stukken als productie 5 genoemde vonnis in kort geding van de rechtbank Gelderland.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.1.1.

Op 20 mei 2015 hebben EVG en [geïntimeerde] een overeenkomst gesloten waarbij EVG een camera/ beveiligingssysteem (verder: het camerasysteem) zou plaatsen in het pand [adres] , ten behoeve van zowel [bedrijf 1] als voor [bedrijf 2]
, beide gedreven door [geïntimeerde] . De installatie van het camerasysteem heeft plaatsgevonden in juli 2015. Voorts is tussen EVG en [geïntimeerde] overeengekomen dat aan het camerasysteem een camera/beveiligingsabonnement (‘abonnement op veiligheid’) gekoppeld zou worden voor de duur van 60 maanden, tegen vooruitbetaling van een bedrag van

€ 490,05 per kwartaal (inclusief btw). In de betreffende door partijen getekende overeenkomst (productie 1 bij inleidende dagvaarding) staat vermeld: “Met ondertekening van deze overeenkomst gaat huurder (hof: [geïntimeerde] ) akkoord met de op de achterzijde vermelde algemene voorwaarden”. In artikel 2.2 van deze algemene voorwaarden is bepaald:

“Huurder is de maandelijkse huurtermijnen, welke in beginsel per kwartaal, halfjaar of jaarlijkse worden gefactureerd, bij vooruitbetaling aan verhuurder verschuldigd.”

3.1.2.

EVG heeft aan [geïntimeerde] per kwartaal gefactureerd. [geïntimeerde] heeft ieder kwartaal betaald tot het tweede kwartaal van 2016. De factuur over dat kwartaal van 1 april 2016 heeft zij onbetaald gelaten.

3.1.2.

Bij e-mailbericht van 30 mei 2016 (productie 2 bij verzetdagvaarding) heeft [geïntimeerde] het volgende aan EVG geschreven:

“(…)

Voor de goede orde deel ik u mee dat ik mijn betalingsverplichtingen opschort zolang er geen oplossing voor de problemen met het camerasysteem is gevonden. Sinds 27 mei jl.. staat het camerasysteem ‘op zwart’ en zijn er geen beelden te zien. Mijn kassaleverancier heeft jullie camerasysteem ontkoppeld. Het camerasysteem bleek zonder toestemming gekoppeld aan het kassasysteem dat op een afgeschermd netwerk draait. Dat blijkt de oorzaak van alle storingen op jullie camerasysteem. Nadat de monteurs op 23 mei 2016 de storingen hadden verholpen crashte mijn kassasysteem. Dit had grote gevolgen voor mijn bedrijfsvoering. Ik schakelde de desbetreffende leverancier in die constateerde vandaag dat het camerasysteem zonder toestemming was gekoppeld aan het kassasysteem. Ik heb de leverancier om een schriftelijke bevestiging van zijn bevinden verzocht. Zodra ik die heb ontvangen zal ik deze opsturen.

(…)”

[geïntimeerde] heeft vervolgens de facturen van 1 juli 2016 (het derde kwartaal 2016) en 1 oktober 2016 (het vierde kwartaal 2016) ook niet betaald.

3.1.3.

Bij brief van 10 juni 2016 (productie 3 bij verzetdagvaarding) heeft [geïntimeerde] vervolgens aan EVG bericht:

“(…)

Eindelijk zijn we erachter waarom het camerasysteem zo veel storingen geeft. Bijgaand ontvang je ter kennisname de brief van Horecat, de leverancier van mijn kassasysteem. De inhoud van de brief spreekt voor zich.

Wij hebben vanaf de 27e dus geen beschikking meer over camerabeelden in welke vorm dan ook. Omdat eerder telefonisch contact geen vruchten afwerpt doe ik hierbij een schriftelijk beroep op je om deze zaak z.s.m. op te lossen. Ik heb [persoon] ook geprobeerd te pakken te krijgen maar ook hij is onbereikbaar voor commentaar.

(…)”
In bedoelde bijgevoegde brief van HoreCat (is het volgende te lezen:

“…)

Bij de controle van het kassanetwerk hebben wij geconstateerd dat op ons afgeschermde netwerk zonder onze toestemming een camera systeem draait. Wij ontvingen op dit netwerk ip conflicten wat ons netwerk stoorde en vertraagde.

Wij hebben dit dan ook ontkoppeld en hierna geen conflicten en/of storingen meer ondervonden.

Wij willen nogmaals benadrukken dat het uiterst belangrijk is voor de veiligheid van uw gegevens, dat het kassanetwerk los draait van al het andere in het netwerk.

(…)”

3.1.5.

Namens EVG is bij brief van 29 september 2016 (productie 4 bij inleidende dagvaarding) aan [geïntimeerde] meegedeeld dat de dienstverlening harerzijds zal worden opgeschort en dat de overeenkomst – bij uitblijven van betaling – zal worden ontbonden.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

EVG heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot:

- betaling aan EVG van een bedrag van € 9.181,22, zijnde een bedrag van € 1.470,15 aan onbetaalde facturen, een bedrag van € 6.860,70 aan vergoeding voor de resterende looptijd van de overeenkomst, indien deze zou hebben voortgeduurd, een bedrag van € 58,87 aan wettelijke handelsrente tot en met 30 december 2016 en een bedrag van € 791,50 buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke handelsrente;

- afgifte van het camerabeveiligingssysteem, bij gebreke waarvan [geïntimeerde] de waarde daarvan van € 2.000,00 is verschuldigd;

- betaling van de proceskosten.

4.2.

Bij verstekvonnis van 15 maart 2017 zijn de vorderingen van EVG toegewezen met dien verstande dat de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten heeft vastgesteld op een bedrag van € 220,52.

4.3.

[geïntimeerde] is tegen voornoemd vonnis in verzet gekomen en heeft in reconventie, na eiswijzing, gevorderd:

- ontbinding van de overeenkomst tussen partijen van 20 mei 2015;

- veroordeling van EVG tot vergoeding van alle door [geïntimeerde] geleden schade, nader op te maken bij staat;

- veroordeling van EVG in de proceskosten.

4.3

De kantonrechter heeft in verzet bij vonnis van 20 december 2017 [geïntimeerde] in conventie ontheven van de bij het verstekvonnis van 15 maart 2017 uitgesproken veroordeling en de vorderingen van EVG alsnog afgewezen en heeft in reconventie de overeenkomst tussen partijen van 20 mei 2015 ontbonden en de zaak ter begroting van de door [geïntimeerde] geleden schade verwezen naar de schadestaatprocedure. EVG is zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

EVG vordert in het petitum van haar memorie van grieven, na wijziging van eis, vernietiging van het tussen partijen gewezen vonnis van 20 december 2017, en:

- een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen per 2 oktober 2016 is ontbonden;

- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 8.330,85 aan hoofdsom, een bedrag van € 1.116,57 aan wettelijke handelsrente over voornoemde som en een bedrag van € 791,54 aan buitengerechtelijke incassokosten;

- veroordeling van [geïntimeerde] tot teruggave van het camerasysteem op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [geïntimeerde] niet aan deze veroordeling voldoet;

- afwijzing van de reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] ;

- veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties en de nakosten.

EVG heeft voornoemde eiswijziging tijdig (bij memorie van grieven) gedaan en [geïntimeerde] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt, zodat deze toelaatbaar is.

Daarnaast leidt het hof uit punt 6.11.4 van de memorie van grieven af dat EVG naast het voorgaande in hoger beroep tevens vordert:

- voor zover [geïntimeerde] niet wordt veroordeeld tot een schadevergoeding ter hoogte van de termijnen over de resterende contractsduur: veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de overeengekomen betaaltermijn van € 490,05 per kwartaal over de periode vanaf 2 oktober 2016 totdat [geïntimeerde] het camerasysteem heeft teruggegeven aan EVG;

- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een boete van € 100,00 per dag over de periode van 2 oktober 2016 totdat [geïntimeerde] het camerasysteem heeft teruggegeven aan EVG:

Hoewel deze eisvermeerdering niet is opgenomen in het petitum van de memorie van grieven, acht het hof ook deze eisvermeerdering toelaatbaar, aangezien zij eveneens tijdig is gedaan, zij door [geïntimeerde] is opgemerkt, gelet op de inhoudelijke reactie van [geïntimeerde] hierop in haar memorie van antwoord, en [geïntimeerde] tegen deze eisvermeerdering evenmin bezwaar heeft gemaakt.

5.2.

Het hof zal de tweede grief van EVG als eerste behandelen. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] op grond van de storingsklachten bevoegd was haar betalingsverplichting tegenover EVG op te schorten.

5.3.

EVG legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen door, ondanks herhaaldelijke aanmaningen, drie facturen onbetaald te laten, te weten die van het tweede, derde en vierde kwartaal over 2016. De factuur van het tweede kwartaal 2016 (productie 2 bij inleidende dagvaarding) was verschuldigd per 1 april 2016 en had betrekking op de periode van 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden diende de factuur bij vooruitbetaling betaald te worden. Dat is niet gebeurd. EVG stelt daarop de door haar op grond van de overeenkomst te verlenen diensten op 29 september 2016 te hebben opgeschort en de overeenkomst tussen partijen vervolgens op 2 oktober 2016 te hebben ontbonden.

5.4.

Bij wijze van verweer beroept [geïntimeerde] zich op opschorting van de betaling van de betalingstermijnen vanaf 1 april 2016 op de grond dat EVG tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen. [geïntimeerde] voert in dat verband, samengevat, aan dat het camerasysteem vanaf de installatie voortdurend storingen heeft vertoond, dat deze storingen vanaf medio april 2016 in heftigheid toenamen en dat er daarnaast ook storingen ontstonden in het kassasysteem. EVG heeft de storingen steeds op afstand verholpen, maar nooit onderzoek verricht naar de oorzaak daarvan. Nadat er uiteindelijk op 23 mei 2016 twee monteurs van EVG naar de onderneming van [geïntimeerde] waren gekomen om storingen te verhelpen en daarbij instellingen hebben gewijzigd, is het kassasysteem gecrasht. Achteraf is gebleken dat het camerasysteem bij installatie was gekoppeld aan het kassanetwerk met als gevolg storingen in zowel het camerasysteem als het kassasysteem. Na ontkoppeling van het camerasysteem op 27 mei 2016 is de storing in het kassasysteem opgelost, maar sindsdien heeft het camerasysteem niet meer gewerkt en EVG heeft nagelaten een andere oplossing te vinden voor de aansluiting van het camerasysteem. [geïntimeerde] heeft EVG bij e-mailbericht van 30 mei 2016 medegedeeld haar betalingsverplichting om die reden op te schorten.

Het voorgaande legt [geïntimeerde] ook ten grondslag aan haar vordering tot ontbinding van de overeenkomst tussen partijen en aan haar vordering tot schadevergoeding.

5.5.

Het hof overweegt als volgt.

De vraag die partijen in de kern verdeeld houdt, is bij wie de nakoming het eerst hokte, bij EVG of bij [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft de facturen over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2016 niet betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de factuur met betrekking tot het tweede kwartaal 2016 uiterlijk op 1 april 2016 bij vooruit betaling diende te zijn voldaan. De betalingsverplichting was dus opeisbaar per 1 april 2016. [geïntimeerde] beroept zich echter op een daarvóór reeds ontstane opschortingsbevoegdheid. Voorwaarde voor opschorting is dat de wederpartij een opeisbare verbintenis niet nakomt. Het vereiste van opeisbaarheid (art. 6:52 BW) brengt mee dat aan degene die als eerste moet presteren geen opschortingsbevoegdheid toekomt. De opschortingsexceptie kan derhalve alleen worden ingeroepen als de wederpartij als eerste moet presteren of gelijk moeten oversteken. De vraag is dus of EVG reeds vóór 1 april 2016 diende te presteren, in die zin dat zij een opeisbare verbintenis jegens [geïntimeerde] vóórdien niet nakwam. [geïntimeerde] stelt dat dit het geval is, nu er vanaf de aanvang van de installatie van het camerasysteem voortdurend storingen waren en dat zij deze steeds bij EVG heeft gemeld. Deze stelling heeft zij echter tegenover de betwisting daarvan door EVG onvoldoende onderbouwd. Uit de door EVG overgelegde uitdraai van het servicesysteem (productie P3 bij brief van EVG van 4 oktober 2017) kan de juistheid van deze stelling in ieder geval niet worden afgeleid. Hieruit blijkt slechts van een of enkele storingen (onder meer op 29 december 2015) waarvan vast staat dat EVG deze op afstand heeft verholpen. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen, die zich op een vóór 1 april 2016 ontstane opschortingsbevoegdheid beroept, om nader concreet aan te geven wanneer en in welke frequentie de storingen zich in de periode tot 1 april 2016 hebben voorgedaan en waaruit deze dan bestonden, maar dit heeft zij niet gedaan. Daar komt bij dat [geïntimeerde] zelf in punt 15 van haar dagvaarding in verzet heeft gesteld dat EVG (naar het hof begrijpt) tot en met het eerste kwartaal van 2016 er blijk van heeft gegeven de klachten serieus te nemen en pogingen in het werk stelde om de storingen te verhelpen. Aldus heeft [geïntimeerde] onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat er vóór 1 april 2016 sprake was van een zodanig gebrek aan het camerasysteem dat kan worden gezegd dat EVG haar uit de overeenkomst voortvloeiende opeisbare verbintenis jegens [geïntimeerde] niet nakwam en die haar de bevoegdheid gaf tot een algehele opschorting van de per 1 april 2016 verschuldigde termijnbedragen. Daarbij komt het volgende. Hoewel in het algemeen niet de eis kan worden gesteld dat degene die opschort dit aan zijn wederpartij kenbaar maakt, kunnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een partij pas mag opschorten nadat zij haar wederpartij heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen en wat de partij die opschort toen met betrekking tot die wetenschap mocht aannemen (HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158, HR 17 december 2010, NJ 2012, 43). Uit de stukken van het dossier - waaronder de al genoemde uitdraai van het service systeem - kan met geen mogelijkheid worden afgeleid dat EVG voor 1 april 2016 had moeten begrijpen dat [geïntimeerde] in verband met een niet naar behoren werkend systeem haar betalingsverplichtingen had willen opschorten. Evenmin is correspondentie tussen partijen van vóór 1 april 2016 overgelegd die steun biedt aan de opvatting dat [geïntimeerde] al voor 1 april 2016 had willen opschorten en dat voor EVG duidelijk had moeten zijn. Weliswaar schrijft [geïntimeerde] (memorie van grieven p. 30) dat in maart-april 2016 de maat vol was, maar of en in welke zin zij dat toen ook aan EVG heeft duidelijk gemaakt, blijft in het ongewisse. In ieder geval zijn daaromtrent geen concrete feiten door haar gesteld. Een en ander brengt mee dat onder de geschetste omstandigheden de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerde] pas mocht opschorten nadat zij aan EVG had meegedeeld dat en waarom zij zou gaan opschorten en een dergelijke mededeling heeft [geïntimeerde] voor of uiterlijk op 1 april 2016 niet gedaan.

5.6

Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat de nakoming het eerste hokte bij [geïntimeerde] - en wel per 1 april 2016 - en dat haar daarom geen beroep toekomt op een opschortingsrecht. Daarnaast faalt het beroep op een opschortingsrecht omdat [geïntimeerde] heeft nagelaten aan EVG - zoals de eisen van de redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrachten - duidelijk te maken dat, en op welke grond, zij haar betalingsverplichting per 1 april 2016 zou gaan opschorten. Grief 2 slaagt dus.

5.7

Het gevolg hiervan is dat [geïntimeerde] met ingang van 1 april 2016 van rechtswege met de betaling in verzuim is komen te verkeren (artikel 6:83 aanhef en onder a BW), zodat de vordering van EVG tot ontbinding per 2 oktober 2016 (artikel 6:265 BW) van de overeenkomst toewijsbaar is. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt het onbetaald laten van één of meerdere kwartaaltermijnen de ontbinding van de overeenkomst. Op grond van artikel 6:271 BW geldt dat ontbinding partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen. Dat betekent dat na ontbinding geen nakoming meer kan worden gevorderd, ook niet van verbintenissen die al voor de ontbinding dienden te worden nagekomen (HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, 2012/584). Een nakomingsvordering van de per 1 april 2016 en per 1 juli 2016 verschuldigde kwartaalbedragen (zo leest althans het hof de vordering gespecificeerd in randnummer 6.7.9. van de memorie van grieven) is dus niet meer mogelijk als gevolg van de ontbinding per 2 oktober 2016. De daarop betrekking hebbende bedragen van in totaal € 980,01 plus rente zijn derhalve niet toewijsbaar. De vordering tot betaling van de verschuldigde bedragen over de resterende contractstermijn vanaf datum ontbinding bedraagt (onweersproken) € 490,05 plus € 6.860,70 (in hoofdsom) = € 7.350,75, vermeerderd met wettelijke handelsrente over de verschuldigde hoofdsommen ad (€ 63,88 + € 892,76 =) € 956,64. Deze bedragen zijn alle aan te merken als ontbindingsschade ex artikel 6:277 en op die grondslag toewijsbaar.

5.8.

Uit het bovenstaande volgt tevens dat de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie tot ontbinding van de overeenkomst tussen partijen en tot veroordeling van EVG tot schadevergoeding dienen te worden afgewezen, reeds omdat hiervoor is vastgesteld dat [geïntimeerde] zelf in verzuim is geraakt. Zolang zij zelf in verzuim is kan geen sprake zijn van verzuim van EVG (art. 6:61 lid 2 BW), (wat er verder ook zij van de geldigheid van artikelen 1.1 e.v. en 6.8 van de door EVG gehanteerde algemene voorwaarden, op grond waarvan respectievelijk de vergoedingsplicht van EVG zou zijn beperkt en ontbinding van de overeenkomst door [geïntimeerde] zou zijn uitgesloten). Ook grief 3 treft derhalve doel. In het verlengde daarvan slaagt ook grief 4, die zich keert tegen het oordeel van de kantonrechter dat EVG jegens [geïntimeerde] schadeplichtig is geworden.

5.9.

Met grief 5 stelt EVG haar vordering tot afgifte van het camerasysteem aan de orde. Het hof zal deze vordering ook toewijzen, nu deze voortvloeit uit de voor partijen op grond van artikel 6:271 BW na ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenissen, en [geïntimeerde] ook terecht niet betwist dat zij bij einde van de overeenkomst hiertoe verplicht is. De grief slaagt dus. Het hof ziet echter geen aanleiding om hieraan, zoals gevorderd door EVG, een dwangsom te verbinden. [geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord te kennen heeft gegeven bereid te zijn tot afgifte van het camerasysteem. Het hof ziet evenmin aanleiding om de door EVG op grond van artikel 9 van haar algemene voorwaarden gevorderde boete toe te wijzen. Artikel 9 van deze algemene voorwaarden bepaalt dat bij overtreding van de artikelen 7 en 8 huurder ( [geïntimeerde] ) een boete van € 100,00 is verschuldigd voor iedere overtreding respectievelijk voor ieder(e) dag(deel) dat de overtreding voortduurt. Van een overtreding van artikel 7 of 8 van de algemene voorwaarden is echter geen sprake. Op grond van artikel 7 dient de huurder bij beëindiging van de overeenkomst het gebruik van het camerasysteem onmiddellijk te staken en gestaakt te houden. Tussen partijen is niet in geschil dat het camerasysteem na ontkoppeling hiervan van het kassanetwerk op 27 mei 2016 niet meer in gebruik is geweest door [geïntimeerde] . Artikel 8 houdt een geheimhoudingsplicht in. Niet is gesteld dat [geïntimeerde] deze heeft geschonden. Dat er een boete zou zijn verbonden aan het niet afgeven van het camerasysteem bij einde van de overeenkomst, zoals EVG kennelijk stelt, staat niet vermeld in artikel 9 van de algemene voorwaarden en blijkt anderszins evenmin.

5.10.

EVG vordert ten slotte vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Naar het oordeel van het hof is voor toewijzing hiervan echter geen plaats. De grondslag voor de vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten is nakoming van de betalingsverplichting. Deze grondslag verdraagt zich niet met de ontbinding van de overeenkomst tussen partijen per 2 oktober 2016 als gevolg waarvan, zoals hiervoor al overwogen, geen nakoming meer kan worden gevorderd, ook niet van verbintenissen die al voor de ontbinding moesten worden nagekomen.

5.11.

De grieven 2 tot en met 5 van EVG slagen dus in zoverre. Bij grief 1, die betrekking heeft op de vraag of EVG toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst, heeft EVG dan geen belang meer.

6 De slotsom

6.1.

Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en het hof zal, opnieuw rechtdoende, de onder 5.1 genoemde vorderingen van EVG op hierna te melden wijze alsnog gedeeltelijk toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] (in reconventie) afwijzen. Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] gaat het hof voorbij, nu geen zodanig concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die, indien bewezen, aan het voorgaande kunnen afdoen.

6.2.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van EVG zullen worden vastgesteld op € 84,60 aan dagvaardingskosten, € 470,00 aan griffierecht en € 250,00 aan salaris advocaat.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van EVG zullen tot op heden worden vastgesteld op € 81,00 aan dagvaardingskosten, € 726,00 aan griffierechten en

€ 759,00 aan salaris advocaat (1 punt [memorie van grieven] maal tarief I)

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis in verzet van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 20 december 2017 en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen per 2 oktober 2016 is ontbonden;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan EVG van een bedrag van € 7.350,75 aan hoofdsom, vermeerderd met een bedrag van € 956,64 aan wettelijke handelsrente over deze hoofdsom;

veroordeelt [geïntimeerde] tot teruggave van het camerasysteem aan EVG;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van EVG wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 554,60 voor verschotten en op

€ 250,00 voor salaris advocaat en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 807,00 voor verschotten en op € 759,00 voor salaris;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart bovengenoemde veroordelingen tot betaling en tot teruggave uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en H.F.P. van Gastel, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019.