Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:755

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
21-000851-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:360, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:672
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor inzetten kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen. Vrijspraak ten aanzien van de tenlastegelegde mensenhandel.

Ten aanzien van de vraag wanneer er sprake is van een uitbuitingssituatie in gevallen waarin kinderen worden gebruikt om (winkel)diefstallen te plegen heeft het hof in een eerdere zaak overwogen dat het eenmalig inzetten van kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen (waarbij geen sprake is van het gebruik van dwangmiddelen) onvoldoende is om te kunnen spreken van een uitbuitingssituatie. Pas in gevallen waarbij kinderen vaker/stelselmatig worden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen kan uitbuiting bewezen worden.

Op grond van de feiten en omstandigheden is het hof met de rechtbank en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte de kinderen heeft uitgebuit dan wel ten opzichte van hen heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde mensenhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000851-18

Uitspraak d.d.: 30 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 29 januari 2018 met parketnummer 05-780082-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsvrouw, mr. N.A. de Kock, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal om proceseconomische redenen het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

1:
zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 11 mei 2017 tot en met 6 november 2017 te [plaats] , althans in Nederland,

A) een ander of anderen, te weten [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 2] ) en/of [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 3] ) (telkens) heeft vervoerd en/of overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige 1] en/of die [minderjarige 2] (sub 2°), terwijl die [minderjarige 1] en/of die [minderjarige 2] , de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt en/of

B) een ander of anderen, te weten die [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 2] ) en/of [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 3] ), (telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] zich daardoor beschikbaar zou(den)stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°) terwijl die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] , de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, (lid 3 sub 2) en/of

C) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander of anderen, te weten [minderjarige 1] (geboren [geboortedatum 2] ) en/of [minderjarige 2] (geboren [geboortedatum 3] ) (sub 6°), terwijl die [minderjarige 1] en/of die [minderjarige 2] , de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt,

immers heeft verdachte:

(winkeldiefstal 11 mei 2017 - het Kruidvat aan de [adres 2] te [plaats] )

-die [minderjarige 2] vervoerd en/of overgebracht naar het Kruidvat aan de [adres 2] , althans het winkelgebied te [plaats] en/of

-aldaar een doosjes scheermesjes (ter waarde van 35 euro) uit het schap gepakt en in de handen gedrukt van die [minderjarige 2] en/of

-(vervolgens) die [minderjarige 2] daarmee de winkel uit laten rennen zonder die scheermesjes ter betaling aan te bieden

en/of

(winkeldiefstal 5 augustus 2017 - Mediamarkt aan de [adres 3] te [plaats] )

-die [minderjarige 1] vervoerd en/of overgebracht naar de Mediamarkt aan de [adres 3] , althans het winkelgebied te [plaats] en/of

-aldaar die [minderjarige 1] elektronica (een kabel) uit het schap laten pakken en/of

-die [minderjarige 1] daarmee de kassa laten passeren zonder deze elektronica ter betaling aan te bieden

en/of

(winkeldiefstal 27 augustus 2017 - Mediamarkt aan de [adres 3] te [plaats] )

-die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] vervoerd en/of overgebracht naar de Mediamarkt aan de [adres 3] , althans het winkelgebied te [plaats] en/of

-die [minderjarige 1] aldaar twee I-pods laten pakken vanaf de computerbalie terwijl zij, verdachte zich ophield in het gangpad naast die computerbalie en/of

-die [minderjarige 1] en/of die [minderjarige 2] die twee I-pods in het tasje van die [minderjarige 2] liet(en) stoppen en/of daarmee de kassa lieten passeren zonder deze ipods ter betaling aan te bieden;

en/of

(winkeldiefstal 6 november 2017 - Albert Heijn aan de [adres 4] te [plaats] )

-die [minderjarige 1] vervoerd en/of overgebracht naar de Albert Heijn aan de [adres 4] , althans het winkelgebied te [plaats] en/of

-aldaar die [minderjarige 1] , haar, verdachtes boodschappentas, laten vullen met levensmiddelen (ter waarde van 83,81 euro) en/of

-zich samen met die [minderjarige 1] naar de kassa begeven en/of die gevulde boodschappentas overgedragen aan die [minderjarige 1] zonder deze levensmiddelen bij de kassa ter betaling aan te bieden;

-bij bovengenoemde diefstallen misbruik gemaakt van de vertrouwens- en gezagsrelatie ten opzichte van die [minderjarige 2] en/of [minderjarige 1] en/of

-misbruik gemaakt van de volgzaamheid en/of meegaandheid van die [minderjarige 2] en/of [minderjarige 1] en/of

-die [minderjarige 2] en/of [minderjarige 1] binnen de afhankelijkheidsrelatie van oma en kleinkind respectievelijk moeder en kind op een dwingende en/of indringende en/of sturende wijze verbale en/of non-verbale instructies gegeven gericht op het ontvreemden van goederen en/of aldus aangezet en/of gedwongen tot diefstal, door bijvoorbeeld die [minderjarige 2] naar het rek te duwen waarin de scheersmesjes lagen;

-terwijl verdachte de ouder en/of grootouder en/of verzorger en/of begeleider is van die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] ;

2:
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 mei 2017 t/m 6 november 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, in elk geval enig goed, op na te noemen tijdstippen, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of diens mededader(s), en wel ;

- op of omstreeks 11 mei 2017 een pakje scheermesjes, althans één of meer winkelgoederen bij het Kruidvat, gelegen aan de [adres 2] en/of

- op of omstreeks 5 augustus 2017 elektronica (een kabel), althans één of meer winkelgoederen bij de Mediamarkt aan de [adres 3]

- op of omstreeks 27 augustus 2017 twee iPods, althans één of meer winkelgoederen bij de Mediamarkt aan de [adres 3]

- op of omstreeks 6 november 2017 een hoeveelheid levensmiddelen, althans één of meer winkelgoederen bij de Albert Heijn aan de [adres 4] ;

en/of

zij op de na te noemen tijdstippen te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de/het hierna te noemen goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en wel

- op of omstreeks 11 mei 2017 een pakje scheermesjes, althans één of meer

winkelgoederen bij de winkel het Kruidvat, gelegen aan de [adres 2] en/of

- op of omstreeks 27 augustus 2017 twee iPods, althans één of meer winkelgoederen

bij de winkel Mediamarkt aan de [adres 3] 21 B door [minderjarige 2] (geboren: [geboortedatum 3] ) heeft doen wegnemen doordat zij die [minderjarige 2] (telkens) heeft vervoerd en/of overgebracht naar die winkel(s), die [minderjarige 2] heeft begeleid in/door die winkel(s) en die [minderjarige 2] (telkens) (een) (verbale of non-verbale) instructie(s) of aanwijzing(en) heeft gegeven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de onder 1 tenlastegelegde mensenhandel en de onder 2 tenlastegelegde winkeldiefstallen bewezen te kunnen verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vrijspraak van de verdachte ter zake de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel en de onder 2 tenlastegelegde diefstallen op 11 mei 2017, 5 augustus 2017 en 27 augustus 2017 bepleit. Ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal in vereniging bij de Albert Heijn op 6 november 2017 kan tot een bewezenverklaring worden gekomen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde en de onder 2 tenlastegelegde winkeldiefstallen op 5 augustus 2017 en 27 augustus 2017 heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van deze winkeldiefstallen heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Ten aanzien van feit 2 - diefstal van een kabel bij de Mediamarkt op 5 augustus 2017

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte betrokken is bij deze diefstal. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de aangifte onvoldoende concrete informatie bevat waaruit afgeleid kan worden dat [minderjarige 1] een kabel uit de verpakking heeft gehaald en heeft meegenomen. De aangifte spreekt immers over een meisje dat vermoedelijk de kabel uit de verpakking trok en vermoedelijk in de bigshopper stopte die zij bij zich had. Uit het proces-verbaal van beelden 2017370433 blijkt bovendien dat de beelden waarop de aangifte gebaseerd is, niet bewaard zijn gebleven. Op de beelden die wel beschikbaar zijn gebleven is niet te zien dat [minderjarige 1] een kabel uit de verpakking haalde en/of deze in de tas, die zij bij zich droeg, stopte. De inhoud van de aangifte wordt verder niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Bovendien ontbreken er naar het oordeel van de rechtbank bewijsmiddelen waaruit volgt dat verdachte enig aandeel in de in de aangifte beschreven gang van zaken heeft gehad. De rechtbank heeft op basis van de wettige bewijsmiddelen dan ook niet de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal van een kabel…”

Ten aanzien van feit 2 - diefstal van iPods bij de Mediamarkt op 27 augustus 2017

Met de verdediging is de rechtbank eveneens van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte betrokken is bij de diefstal van twee iPods. Op grond van de aangifte in het dossier en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring kan weliswaar vastgesteld worden dat [minderjarige 1] de twee iPods heeft gestolen bij de Mediamarkt, maar dat dit met medewerking. medeweten of in opdracht van verdachte is gebeurd, is niet gebleken. De rechtbank merkt daarbij op dat de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden

worden omschreven niet met elkaar overeenkomen. Uit de aangifte volgt immers dat het erop lijkt dat [minderjarige 1] de iPods bij verdachte in de tas zou hebben gestopt, terwijl in het proces­verbaal van bevindingen staat beschreven dat de voorwerpen die [minderjarige 1] heeft gepakt door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het tasje van [minderjarige 2] zouden zijn gedaan. Dat verdachte samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de winkel is binnengekomen en dat zij samen met hen door de winkel liep brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat verdachte enige betrokkenheid bij de'

diefstal door [minderjarige 1] had. Evenmin volgt dat uit de waarneming dat verdachte op enig moment in dezelfde richting keek als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Immers, niet is gebleken waarom verdachte, haar dochter en haar kleindochter gelijktijdig omkeken. De rechtbank heeft op basis van de wettige bewijsmiddelen dan ook niet de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging, dan wel het doen plegen van diefstal van de twee iPods…”

Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

Ten aanzien van de verdachte onder 1 tenlastegelegde mensenhandel dient onder meer te worden bewezen dat sprake is geweest van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 6 Sr) en dat verdachte het oogmerk heeft gehad op uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 2 Sr).

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (zie onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099). Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is (vgl. Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309).

Ten aanzien van de vraag wanneer er sprake is van een uitbuitingssituatie in gevallen waarin kinderen worden gebruikt om (winkel)diefstallen te plegen heeft dit hof in een soortgelijke zaak overwogen dat het eenmalig inzetten van kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen (waarbij geen sprake is van het gebruik van dwangmiddelen) onvoldoende is om te kunnen spreken van een uitbuitingssituatie. Pas in gevallen waarbij kinderen vaker/stelselmatig worden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen kan uitbuiting bewezen worden. In dat geval kan immers gesteld worden dat financieel van de kinderen wordt geprofiteerd ten koste van die kinderen in die zin dat dan (eerder dan wanneer het gaat om een enkel incident) gesproken kan worden van pedagogische verwaarlozing. (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1971).

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is het hof met de rechtbank en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft uitgebuit dan wel ten opzichte van hen heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Niet is gebleken dat verdachte de kinderen (bijvoorbeeld door te dreigen met geweld) onder druk heeft gezet om de winkeldiefstallen te plegen terwijl van andere noemenswaardige beperkingen voor de kinderen uit het dossier evenmin is gebleken.

Nu het hof evenals de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte twee winkeldiefstallen heeft begaan, waarvan één met [minderjarige 1] en een ander door [minderjarige 2] , is het hof van oordeel dat op basis hiervan niet gesproken kan worden van de uitbuiting van [minderjarige 1] en/of de uitbuiting van [minderjarige 2] . Ten aanzien van het niet kunnen bewijzen van het oogmerk van uitbuiting geldt dat niet uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte van plan was haar kinderen vaker te laten stelen en/of dat zij de kinderen al eerder had laten stelen. Bovendien is uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet gebleken dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de gedragingen van [minderjarige 1] en/of van [minderjarige 2] .

Het vorenstaande betekent dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs van de winkeldiefstallen gepleegd op 11 mei en 6 november 2017 1

Op 11 mei 2017 liep verdachte samen met haar kleindochter [minderjarige 2] het Kruidvat aan de [adres 2] te [plaats] binnen. Zij liepen samen naar het schap met scheermesjes.

Verdachte gaf [minderjarige 2] een pak scheermesjes. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven gaf verdachte het doosje scheermesjes aan [minderjarige 2] om 13.31.06 uur. Om 13.31.08 pakte verdachte [minderjarige 2] bij haar schouder en draaide haar om richting de richting waar zij vandaan kwamen. Vervolgens rende [minderjarige 2] met de scheermesjes de winkel uit. Daarna liep verdachte de winkel uit.2

[minderjarige 2] is geboren op [geboortedatum 3] .3

Op 6 november 2017 liep verdachte samen met haar dochter [minderjarige 1] de Albert Heijn aan de [adres 4] te [plaats] binnen. Verdachte droeg in de winkel een blauw winkelmandje en een groene tas ('bigshopper'). Verdachte pakte spullen uit het schap en stopte die deels in de bigshopper én deels in het winkelmandje.4 Ook [minderjarige 1] stopte een aantal artikelen in de groene bigshopper.5 Zij gingen samen naar de kassa. Alleen de spullen uit het winkelmandje werden op de band gelegd en afgerekend. De spullen uit de bigshopper werden niet aangeboden om te worden afgerekend.6 Verdachte is na de kassa aangesproken door een medewerker van de Albert Heijn. Toen verdachte met de medewerker van de Albert Heijn meeliep, gaf ze de bigshopper aan [minderjarige 1] . De bigshopper die zij droeg was gevuld met weggenomen goederen die zij niet had afgerekend.7 De weggenomen goederen betroffen levensmiddelen. 8[minderjarige 1] is geboren op [geboortedatum 2] .9

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde diefstal op 11 mei 2017 wordt weersproken door de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Ten aanzien van de tenlastegelegde winkeldiefstal bij het Kruidvat heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“… [aangever] heeft namens het Kruidvat aangifte gedaan van diefstal van een doosje scheermesjes. Volgens die aangifte zag personeel in de winkel dat een vrouw samen met een kindje de winkel binnen kwam. Zij liepen naar de toiletartikelen en stonden stil bij de scheermesjes. De vrouw pakte iets uit het rek en drukte dit bij het meisje in de handen. Dit bleek achteraf een doosje Philips scheermesjes te zijn. Vervolgens draaiden zowel de vrouw als het meisje zich om en liepen richting de uitgang. Het meisje ging plotseling rennen en rende langs de toegangspoortjes de winkel uit. Zij had het doosje met scheermesjes in de hand. De vrouw liep heel rustig richting de uitgang. Ze liep in eerste instantie richting de kassa, maar ging toen toch naar buiten en liep heel rustig van de winkel weg. De filiaalchef had gezien wat er gebeurd was, en was achter het meisje aangerend. Zij kreeg het meisje buiten te pakken en pakte de scheermesjes van haar af.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven gaf verdachte het doosje scheermesjes aan [minderjarige 2] om 13.31.06 uur. Om 13.31.08 pakte verdachte [minderjarige 2] bij haar schouder en draaide haar om richting de richting waar zij vandaan kwamen. Om 13 31.10 verdwenen zij beiden uit beeld. Om 13.31.18 is te zien dat [minderjarige 2] de winkel uit rende. Om 13.31.27 liep verdachte voorbij de uitgang richting de kassa. Om 13:31:30 stond zij stil en keek richting de kassa. Om 13.31.32 verliet verdachte de winkel.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [minderjarige 2] buiten het Kruidvat een speelding had gezien waarin je geld moet stoppen (de rechtbank begrijpt: een kinderautomaat of kiddy-ride). Volgens verdachte zeurde [minderjarige 2] in de winkel dat ze in de kiddy-ride wilde. Verdachte gaf - volgens haar verklaring - de scheermesjes aan [minderjarige 2] om haar zoet te houden en zei tegen haar: ga naar de kassa, ik kom zo". Verdachte keek toen nog naar andere dingen in de winkel en liep vervolgens naar de kassa. Ze zag dat [minderjarige 2] daar niet was en ging toen naar buiten. Een medewerkster van de winkel kwam hen achterna en zei tegen verdachte dat de scheermesjes met waren betaald. Verdachte zei: "Sorry". De medewerkster pakte de scheermesjes en ging terug de winkel in. Verdachte betaalde de scheermesjes niet alsnog en heeft dat ook niet aangeboden, volgens haar verklaring omdat zij haast had.

De rechtbank acht het alternatieve scenario dat door verdachte is geschetst, en waarin zij kennelijk beoogt de wegnemingshandeling terug te brengen tot een misverstand niet aannemelijk. De rechtbank neemt hierbij als eerste in ogenschouw dat verdachte haar alternatieve scenario eerst ter zitting van 15 januari 2018 naar voren heeft gebracht. Ten tijde van het politieverhoor heeft verdachte ontkend in de Kruidvat te zijn geweest. Toen haar schermafdrukken van de camerabeelden werden getoond, stelde verdachte niet de persoon te zijn, die op de afdrukken te zien was.

Verder acht de rechtbank de bewering van verdachte dat zij de bedoeling had scheermesjes te kopen, ongeloofwaardig. Het strookt immers niet met het gegeven dat zij - nadat de filiaalhoudster de scheermesjes buiten had teruggepakt - de scheermesjes niet alsnog heeft willen afrekenen. Bovendien strookt het niet met de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen in de winkel: het geven van de scheermesjes aan [minderjarige 2] , het haar bij de schouders pakken en omdraaien en het door [minderjarige 2] rennend verlaten van de winkel. Juist vanwege deze uiterlijke verschijningsvorm, heeft de rechtbank de overtuiging dat verdachte de diefstal van de scheermesjes tot doel had. Gelet op de hiervoor weergegeven gebeurtenissen in de winkel (zoals die volgen uit de aangifte en het proces-verbaal beschrijven camerabeelden) en de zeer jonge leeftijd van haar klein­dochter [minderjarige 2] , acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doen plegen van diefstal van scheermesjes.

Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

Ten aanzien van de tenlastegelegde winkeldiefstal bij Albert Heijn heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Ook dit feit acht het hof wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 mei 2017 t/m 6 november 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, in elk geval enig goed, op na te noemen tijdstippen, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of diens mededader(s), en wel ;

- op of omstreeks 11 mei 2017 een pakje scheermesjes, althans één of meer winkelgoederen bij het Kruidvat, gelegen aan de [adres 2] en/of

- op of omstreeks 5 augustus 2017 elektronica (een kabel), althans één of meer winkelgoederen bij de Mediamarkt aan de [adres 3]

- op of omstreeks 27 augustus 2017 twee iPods, althans één of meer winkelgoederen bij de Mediamarkt aan de [adres 3]

- op of omstreeks 6 november 2017 een hoeveelheid levensmiddelen, althans één of meer winkelgoederen bij de Albert Heijn aan de [adres 4] ;

en/of

zij op de na te noemen tijdstippen te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de/het hierna te noemen goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en wel

- op of omstreeks 11 mei 2017 een pakje scheermesjes, althans één of meer

winkelgoederen bij de winkel het Kruidvat, gelegen aan de [adres 2] en/of

- op of omstreeks 27 augustus 2017 twee iPods, althans één of meer winkelgoederen

bij de winkel Mediamarkt aan de [adres 3] 21 B door [minderjarige 2] (geboren: [geboortedatum 3] ) heeft doen wegnemen doordat zij die [minderjarige 2] (telkens) heeft vervoerd en/of overgebracht naar die winkel(s), die Walenica heeft begeleid in/door die winkel(s) en die [minderjarige 2] (telkens) (een) (verbale of non-verbale) instructie(s) of aanwijzing(en) heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

en

doen plegen van diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Door de rechtbank is aan verdachte een gevangenisstraf van vijf maanden waarvan twee voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden opgelegd.

De advocaat-generaal, die alle tenlastegelegde feiten bewezen acht, heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het door verdachte ondergane voorarrest en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zal worden opgelegd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen. Dergelijke feiten veroorzaken schade en overlast voor winkeliers. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 december 2018 blijkt bovendien dat de verdachte in Nederland eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbaar feiten. Nog kwalijker is het feit dat verdachte haar minderjarige dochter en kleindochter heeft gebruikt om deze diefstallen te plegen. Verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van haar rol als (groot)moeder en van de kwetsbare positie van deze kinderen. Verdachte is geheel aan de belangen van de kinderen voorbij gegaan, en heeft voor haar eigen financieel gewin deze belangen geschonden. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Het hof heeft ook acht geslagen op het rapport van de reclassering van 10 januari 2018 en hetgeen door de raadsvrouw ter zitting van het hof naar voren is gebracht. Uit die informatie blijkt dat de detentie die verdachte in deze zaak in het kader van de voorlopige hechtenis heeft ondergaan, veel impact heeft gehad op verdachte en dat het de verdachte heeft doen inzien dat ze haar leven een andere wending dient te geven. Inmiddels is de Raad voor de Kinderbescherming nauw betrokken bij het gezin van verdachte en gaat haar dochter weer trouw naar school. Haar dochter is inmiddels ook onder toezicht gesteld. Externe druk, zoals een stok achter de deur, lijkt volgens de reclassering een positieve verandering te weeg te brengen. Nu als gevolg van de interventie van onder meer de Raad voor de Kinderbescherming en de angst opnieuw gedetineerd te raken, sprake lijkt te zijn van een positieve gedragsverandering van verdachte, acht het hof het niet aangewezen het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf langer te doen zijn dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Alles afwegend acht het hof – net als de rechtbank - een gevangenisstraf van vijf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met de hierna te melden bijzondere voorwaarden passend en geboden. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst dergelijke strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich uiterlijk binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest zal melden bij reclassering Leger des Heils Arnhem te Utrechtsestraat 47, 6811 LT te Arnhem en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte haar medewerking zal verlenen aan een organisatie voor praktische begeleiding zoals Woonbegeleiding-Leger des Heils CWZC, of soortgelijke organisatie, goedgekeurd door de reclassering.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van

voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. L.T. Wemes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier,

en op 30 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, proces-verbaal nummer 2017526837, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant A.L. Veneman, p. 40 e.v., het proces-verbaal van aangifte, p. 29, alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland op 15 januari 2018.

3 Proces-verbaal van herkenning van verbalisant A.L. Veneman, p. 35.

4 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant A.L. Veneman, p. 113, alsmede de verklaring van verdachte, p. 23 van dossier PL0600-2017514577.

5 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten L. de Pater en N.B. Schoenaker, p. 112.

6 Proces-verbaal van herkenning van verbalisant A.L. Veneman, p. 113.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 105 e.v.

8 Bijlage bij proces-verbaal van aangifte, p. 18A van dossier PL0600-2017514577

9 Proces-verbaal van herkenning van verbalisant A.L. Veneman, p. 120.