Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:7540

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
21-11-2019
Zaaknummer
200.259.677
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.677

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 476999)

beschikking van 17 september 2019

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, verder te noemen: de kinderrechter, van 5 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 mei 2019;

- het verweerschrift in hoger beroep met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2019 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [medewerker 1 GI] en [medewerker 2 GI] . Namens de raad voor de kinderbescherming is - met bericht vooraf - niemand verschenen.

Tevens is de vader verschenen. Het hof heeft de vader als informant toegang verleend tot de mondelinge behandeling in hoger beroep.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is geboren [kind 1] , op [geboortedatum] 2015 te [plaats] . De vader en de moeder zijn de ouders van [kind 2] geboren op [geboortedatum] 2017 te [plaats] . De moeder is alleen belast met het gezag over de kinderen.

3.2

[kind 1] is op 7 oktober 2015 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. [kind 2] staat vanaf 18 oktober 2017 onder toezicht van de GI.

3.3

Op verzoek van de GI heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling van de kinderen telkens verlengd, laatstelijk tot 7 april 2019.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 5 april 2019 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd tot 7 april 2020.

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de ondertoezichtstelling. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af te wijzen, dan wel dit verzoek toe te wijzen voor maximaal zes maanden.

4.3

De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De moeder kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen niet verenigen. Zij voert aan dat er na het huiselijk geweld van 6 november 2018 geen incidenten meer zijn geweest. De moeder neemt het initiatief voor de inzet van hulpverlening, zij heeft zich met de vader gemeld bij de Waag voor een behandeltraject en heeft in 2018 al EMDR-therapie gehad.

De moeder heeft haar relatie met de vader voortgezet. Zij is van mening dat deze relatie geen ernstige concrete bedreiging met zich brengt. Dit komt omdat de vader door de week bij zijn moeder verblijft en de kinderen in het weekend bij opa en oma moederszijde zijn. Hierdoor krijgen de kinderen niet veel mee van de relatie van de moeder met de vader. De moeder werkt mee aan de intensieve opvoedondersteuning van Reinaerde. De moeder onderkent de problematiek van [kind 1] . [kind 1] gaat inmiddels naar de voorschool. De moeder is van mening dat geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen vanwege haar relatie met de vader. De moeder accepteert de noodzakelijk geachte hulpverlening intrinsiek en zij werkt daaraan mee. Haar leven is meer stabiel en een ondertoezichtstelling van de kinderen is niet meer nodig.

5.3

De GI stelt dat de kinderen door de geweldsincidenten in het verleden schade hebben opgelopen. Positief is dat er geen zorgmeldingen meer zijn geweest na 6 november 2018. Het is belangrijk dat de thuissituatie langere tijd stabiel blijft. Ook dienen de ouders mee te werken aan agressieregulatietherapie. De moeder meldt zich regelmatig aan voor ongeschikte of niet passende hulp. Zo is bijvoorbeeld EMDR-therapie niet gestart omdat deze niet paste bij de klachten van de moeder. Vanaf 27 juli 2018 is de moeder onder behandeling bij Altrecht in verband met depressieve klachten en angst-klachten. Voor agressieregulatietherapie is de moeder doorverwezen naar de Waag. In februari 2019 is intensieve opvoedondersteuning voor de moeder bij Reinaerde van start gegaan. De moeder is hard aan het werk maar onduidelijk is nog of de moeder voldoende beschikbaar is voor de kinderen. Ook is de kans op blootstelling van de kinderen aan agressie in de thuissituatie nog steeds groot. De kinderen kunnen daardoor angst en stress ervaren en dat kan weer leiden tot een onveilige hechting. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk en in het belang van de kinderen.

5.4

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling van de kinderen nog steeds aanwezig zijn. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

De moeder woont met de kinderen in een Begeleid Wonen huis van [organisatie] . De moeder kampt met persoonlijke problematiek. Zij heeft last (gehad) van stemmingswisselingen, depressiviteit, zij heeft angstklachten en zijn toont weinig affectie naar de kinderen. In het verleden zijn de kinderen getuige geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en de vader, voor het laatst 6 november 2018. Ook zijn er problemen op het gebied van de hechting van de kinderen. Er is sprake van een lange hulpverleningsgeschiedenis. De moeder woont in verband met haar problematiek begeleid en ontvangt medicatie voor haar angstklachten. Gebleken is dat de intensieve opvoedingsondersteuning van Reinaerde en de agressieregulatietherapie bij de Waag eerst begin van dit jaar zijn gestart. Deze trajecten zijn nog niet afgerond. Gelet op de geweldsincidenten die tussen de vader en de moeder hebben plaatsgevonden acht het hof het met de GI van belang dat er zicht wordt gehouden op de voortgang en afronding van deze trajecten om de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie te waarborgen. Dit is met name van belang omdat de moeder en de vader hun relatie voortzetten en juist de problemen in deze relatie aanleiding zijn geweest voor de ondertoezichtstelling. Bovendien bestaat onvoldoende zicht op de mogelijkheden van de moeder om aan te sluiten bij de kinderen en dient onderzocht te worden of zij de nog jonge kinderen kan bieden wat zij nodig hebben voor een verdere onbedreigde ontwikkeling. De begin dit jaar bij de moeder gestarte intensieve opvoedondersteuning dient op dit punt meer inzicht te verschaffen. Nu gebleken is dat verschillende hulpverleningstrajecten in het verleden niet zijn gestart of voortijdig zijn beëindigd en voormelde trajecten recent zijn gestart, is het hof van oordeel dat in dit geval de regie van de GI in het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de voortgang en de afronding van die hulpverlening te bewaken.

5.5

Niet te verwachten is dat de verschillende hulpverleningstrajecten vóór 7 oktober 2019 zijn afgerond. Daarom komt het verzoek van de moeder - om de termijn van de ondertoezichtstelling met een half jaar te verlengen - niet voor toewijzing in aanmerking.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen faalt de grief van de moeder, zodat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 april 2019;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, J.H. Lieber en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 17 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.